Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5063

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
BK-09/00542 en BK-09/00543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verzuimboete. Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan. Het Hof acht de opgelegde boeten passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/37.1.1
FutD 2010-1323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-09/00542 en BK-09/00543

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 20 april 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juni 2009, nrs. AWB 08/1231 IB/PVV en AWB 08/1232 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Haaglanden, heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2004 en 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, voor elk jaar naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en bij gelijktijdig genomen beschikkingen een verzuimboete van € 1.134 voor ieder jaar.

1.2. Bij voor ieder jaar in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen in een geschrift ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft bij nadere stukken, bij het Hof ingekomen op 12 februari 2010, een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 maart 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende drijft een onderneming onder de naam [A].

3.2. Voor de jaren 2004 en 2005 heeft belanghebbende - na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand - geen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

3.3. Bij het vaststellen van de onder 1.1 vermelde, op 11 september 2007 gedagtekende, aanslagen heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning voor ieder van de jaren geschat op € 50.000.

3.4. Tot de gedingstukken behoort een opstelling van de hand van belanghebbende waarin een becijfering van het resultaat van de onderneming voor het jaar 2004 is vermeld. In de opstelling is voor het jaar 2005 niets vermeld. De becijfering voor het jaar 2004 sluit onder meer met een negatief kassaldo van € 13.692,83, alsmede met een verlies van € 9.106,38.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan, of de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld en of de boeten ten onrechte zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag voor het jaar 2004 en - naar het Hof begrijpt - tot vermindering van de aanslag voor het jaar 2005.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat hij door de gang van zaken bij de rechtbank in zijn procesbelang is geschaad. Dienaangaande overweegt het Hof dat uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt: dat de rechtbank belanghebbende de gelegenheid heeft geboden te reageren op door de Inspecteur overgelegde stukken; dat is voorgesteld de zaak te verdagen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn in beroep ingenomen standpunten nader te ondersteunen; en dat hem is aangeboden het (de) tussen hem en de Inspecteur bestaande geschil(len) door middel van mediation tot een oplossing te brengen. Belanghebbende is op het hiervoor vermelde voorstel niet ingegaan en heeft het aanbod tot mediation afgeslagen. Eén en ander leidt het Hof tot geen andere conclusie dan dat belanghebbendes standpunt feitelijke grondslag ontbeert en mitsdien dient te worden verworpen.

6.2. Belanghebbendes verzoek, indien het Hof de zaken niet terugwijst naar de rechtbank, hem in de gelegenheid te stellen binnen een bepaalde termijn een uitvoerige pleitnota te schrijven waarin inhoudelijk op de zaak in wordt ingegaan, wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende wegens een gebrek aan tijd of om andere valide redenen niet in staat is geweest zijn zaak goed voor te bereiden. Het feit dat belanghebbende bij brief van 26 februari 2010 in staat is geweest een dertigtal producties in het geding te brengen wijst eerder op het tegendeel.

6.3. Voorts stelt belanghebbende voor de jaren 2004 en 2005 de vereiste aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen te hebben gedaan. Hij wijst in dit verband op een brief van 3 juli 2006 van hem aan de Ontvanger van de Belastingdienst te Den Haag waarop is vermeld "C.c. inspecteur Inkomsten belasting" en waarbij een verlies- en winstrekening en een proef- en saldibalans voor het jaar 2004 zijn gevoegd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze brief met bijlagen hem nooit heeft bereikt en hij hiervan eerst heeft kennisgenomen tijdens de procedure voor de rechtbank.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat belanghebbende voormelde brief in afschrift aan de Inspecteur heeft gezonden, is daarmee niet de vereiste aangifte gedaan. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient belanghebbende ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling AWR digitaal aangifte te doen indien hij daartoe door de Inspecteur wordt uitgenodigd, tenzij deze hem daarvan op de voet van artikel 20, derde lid, van de Uitvoeringsregeling AWR ontheffing heeft verleend. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur belanghebbende een dergelijke ontheffing heeft verleend.

6.4. Nu belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan dient, gelet op het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onder a, van de AWR, het (hoger) beroep ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende heeft in hoger beroep voor het jaar 2004 volstaan met een verwijzing naar de eerdervermelde brief en de daarbij gevoegde stukken. Voor het jaar 2005 heeft belanghebbende in het geheel geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt wat het resultaat uit zijn onderneming zou kunnen zijn geweest. Derhalve heeft belanghebbende voor beide jaren niet overtuigend aangetoond dat het door de Inspecteur in aanmerking genomen belastbare inkomen uit werk en woning te hoog is. De stukken voor het jaar 2004 kunnen hem niet baten, reeds omdat deze een negatief kassaldo vermelden hetgeen duidt op een onjuiste verantwoording van inkomsten en uitgaven.

6.5. Het voorgaande laat onverlet dat de vaststelling door de Inspecteur van het inkomen dient te zijn gebaseerd op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de schatting van het inkomen is geschied met inachtneming van een interne werkinstructie die het inkomen van het voorafgaande jaar tot uitgangspunt neemt. Het inkomen van belanghebbende voor het jaar 2003 is - eveneens schattenderwijs - vastgesteld op € 130.000 waartegen belanghebbende te laat bezwaar heeft aangetekend. De stukken van het geding en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd bieden het Hof geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het vastgestelde inkomen niet is gebaseerd op een redelijke schatting.

6.6. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR wordt, indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn heeft gedaan, dit aangemerkt als een verzuim terzake waarvan de Inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste € 1.134. Niet in geschil is dat belanghebbende de aangiften niet tijdig heeft gedaan. Tevens blijkt uit de stukken dat belanghebbende met de onderhavige verzuimen voor de vijfde keer of meer in verzuim is geweest. De Inspecteur heeft de onderhavige boeten opgelegd met inachtneming van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende niet in de gelegenheid is geweest tijdig aangifte te doen. Gelet op één en ander acht het Hof de opgelegde boeten passend en geboden.

6.7. Met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat dient te worden beslist als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 20 april 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.