Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5027

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200.023.261-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging voornaam niet-ontvankelijk. Bekrachtiging in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 januari 2010

Zaaknummer : 200.023.261/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-5901

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.A. Vermeer-Wartna te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

het Openbaar Ministerie, ressortsparket ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: het Openbaar Ministerie.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 9 januari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 oktober 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof is op 18 december 2009 de conclusie van de advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie ingekomen. Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van 18 december 2009 medegedeeld dat de advocaat-generaal niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 18 december 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M. Mulderij-Anker, een kantoorgenoot van mr. Vermeer-Wartna. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek zijn voornaam te wijzigen van “[voornaam A.]” in “[voornaam B.]”.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEVOEGDHEID VAN HET GERECHTSHOF ’S-GRAVENHAGE

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de relatieve bevoegdheid van het hof. De man verzoekt een wijziging van zijn voornaam op grond van artikel 1:4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Deze wijziging geschiedt doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt toegevoegd. In zoverre beschouwt het hof het verzoek van de man als strekkende tot aanvulling/wijziging van de geboorteakte van de man ex artikel 263 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van dit artikel is in dergelijke zaken bevoegd de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de akte is of moet worden ingeschreven.

De man is geboren is in [geboorteplaats], Iran. Op grond van artikel 1:25 BW dient de man een in het buitenland opgemaakte geboorteakte, of indien deze niet voorhanden is: een vervangende geboorteakte ex artikel 1:25c BW, in te laten schrijven in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage. De man diende derhalve een verzoek tot wijziging van de voornaam c.q. wijziging van de geboorteakte in te dienen bij de rechtbank ’s-Gravenhage. Van beschikkingen van deze rechtbank staat appel open bij het hof, zodat het hof zich bevoegd acht op het verzoek van de man te beslissen.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de voornaamswijziging van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de voornaam van de man zal worden gewijzigd van “[na[voornaam A.]” in “[voornaam B.]”.

3. De advocaat-generaal bestrijdt het beroep.

4. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot voornaamswijziging. Uit de door hem overgelegde stukken, een kopie van zijn paspoort en een geautoriseerde verklaring van het Ministry of Foreign Affairs in Teheran, blijkt voldoende zijn nationaliteit en identiteit. De rechtbank had naar de mening van de man op basis van deze stukken de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van een geboorteakte ex artikel 1:25c lid 1 BW kunnen vaststellen, zodat de latere vermelding van wijziging van zijn voornaam aan die akte zou kunnen worden toegevoegd.

Ter terechtzitting is namens de man verklaard dat de geautoriseerde verklaring van het Ministry of Foreign Affairs in Teheran in Iran de functie vervult van geboorteakte.

5. De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu de door de rechtbank benodigde stukken nog altijd niet zijn overgelegd. Subsidiair, indien het hof de man ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep, is de advocaat-generaal van oordeel dat de gronden van de man voor een voornaamswijziging gerechtvaardigd zijn en het beroep gegrond is.

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:4 lid 4 BW kan een wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon worden gelast door de rechtbank. De wijziging van de voornaam komt niet tot stand door een rechterlijke beschikking, maar doordat een latere vermelding aan de geboorteakte wordt toegevoegd. Is de geboorteakte niet in Nederland opgemaakt, dan zal de latere vermelding op de akte van inschrijving van deze geboorteakte, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage, worden vermeld. De geboorteakte dient derhalve eerst te worden ingeschreven zodat de wijziging hieraan kan worden toegevoegd. Kan dit niet worden gerealiseerd, dan staat nog de weg open van artikel 1:25c BW.

7. Door de rechtbank ’s-Gravenhage kunnen ingevolge artikel 1:25c BW de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens onder omstandigheden worden vastgesteld, indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd.

8. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de man als productie 4 bij het beroepschrift een vertaling van een op 18 november 1973 in Iran uitgegeven identity card heeft overgelegd, welke volgens de man als geboorteakte dient te gelden. De man heeft evenwel niet het originele document, waarvan hij stelt dat dit een (authentieke) geboorteakte is, overgelegd. Het hof acht de overgelegde vertaling onvoldoende om zijn geboortegegevens vast te stellen en stelt vast dat de man niet heeft voldaan aan zijn plicht tot het overleggen van een akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften. Wegens het ontbreken van de daartoe vereiste stukken, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot voornaamswijziging van de man. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de man op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot voornaamswijziging. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

9. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, De Haan-Boerdijk en Punselie, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010.