Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4618

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200.043.267.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vaststelling van de behoefte van de vrouw op basis van de bijzondere omstandigheden van dit geval, waarbij sprake is van vergelijkbare inkomens tijdens het huwelijk en inkomsten uit verhuur van onroerend goed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 april 2010

Zaaknummer : 200.043.267.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-6704

[appellant],

wonende te [woonplaats] ([woonland]),

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. van Riet-Holst te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

gewoond hebbende te [woonplaats] ([woonland]), thans wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 september 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 juni 2009 van de rechtbank 's-Gravenhage.

De vrouw heeft op 4 november 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 29 oktober 2009 en op 1 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 december 2009, 6 januari 2010, 29 januari 2010 en op 4 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.G.M. Kocken te Uden. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.200,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Volgens mededeling van de advocaat van de vrouw is de echtscheidingsbeschikking op 22 oktober 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: partneralimentatie, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt: voor zover deze de partneralimentatie betreft, en, naar het hof begrijpt, opnieuw beschikkende de vrouw alsnog in haar primaire vordering (het hof leest: nevenverzoek) niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze (het hof leest: dit) te ontzeggen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn grieven niet te ontvangen althans deze ongegrond te verklaren met bevestiging van de bestreden beschikking.

4. Zowel de advocaat van de vrouw als die van de man heeft ter terechtzitting geklaagd over het tijdstip van indiening van bepaalde stukken door de wederpartij. Het hof overweegt hieromtrent dat deze stukken weliswaar in een laat stadium, doch binnen de door het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven voorgeschreven termijn zijn ingekomen, en dat ook overigens geen sprake is van strijd met de goede procesorde, zodat de desbetreffende stukken in de beoordeling zullen worden betrokken.

5. De man stelt in zijn eerste grief dat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie. Volgens de man werd de welstand van partijen gedurende hun huwelijk louter bepaald door hun beider vergelijkbare inkomen uit arbeid. De man stelt dat de huurinkomsten uit zijn pand niet van invloed zijn geweest op de huwelijkse welstand, aangezien tegenover deze opbrengsten kosten in de vorm van hypotheeklasten stonden, die met de huurinkomsten zijn voldaan. Bovendien kwamen de huuropbrengsten, gelet op de huwelijkse voorwaarden van partijen, alleen de man toe.

In zijn tweede grief maakt de man bezwaar tegen het door de rechtbank gehanteerde bedrag aan huurinkomsten ad € 2.250,- per maand, waarbij geen rekening is gehouden met de daartegenover staande uitgaven, die door hem in hoger beroep met stukken worden onderbouwd.

De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om een nieuwe huurder te vinden en dat zijn voornemen om van dit pand - vanwege leegstand - een seniorenwoning voor zijn ouders te maken, waartegenover een beperkte vergoeding zal staan, voor zijn eigen rekening en risico komt. Volgens de man ligt de verhuur van bedrijfsruimte in zijn regio volledig stil en is het onzeker hoe lang het bedrijfspand nog leeg zal staan.

In zijn vierde en laatste grief stelt de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een alimentatie van € 1.200,- per maand aan de vrouw te voldoen.

6. De vrouw stelt dat de huurinkomsten krachtens artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden aan partijen gemeenschappelijk toekomen, dat partijen hebben geleefd van deze inkomsten, alsmede dat de hypotheek op het pand reeds in 2007 is afgelost.

Volgens de vrouw heeft de man de gestelde aan het pand verbonden lasten niet dan wel te laat onderbouwd. Zij zet vraagtekens bij diverse facturen, alsmede bij de opgegeven WOZ-waarde.

De vrouw betwist dat er geen huurders voor het pand te vinden zijn. Verhuur aan de ouders van de man zou volgens de vrouw onzakelijk zijn.

De vrouw betwist uitdrukkelijk het door de man omtrent zijn draagkracht gestelde.

7. Het hof overweegt als volgt. In de bijzondere omstandigheden van dit geval ziet het hof aanleiding de in geding zijnde alimentatieaanspraak te beoordelen zonder het geheel van inkomsten, mede omvattende inkomen uit arbeid en uitgaven van beide partijen in de overwegingen te betrekken. Het hof acht het redelijk dat de alimentatieaanspraak van de vrouw enkel wordt bepaald aan de hand van het aandeel in het inkomen dat partijen gedurende het huwelijk hadden, en dat de vrouw uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden mede toekwam, uit de verhuur van de onroerende zaak, voor zover dit als netto inkomen mede bepalend kan worden geacht voor de welstand tijdens het huwelijk. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat partijen nagenoeg hetzelfde bruto inkomen uit arbeid hebben genoten en nog steeds genieten, alsmede dat zij in hoger beroep niet hebben geklaagd over de beoordeling door de rechtbank die op dit punt een vergelijkbare waardering aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen partijen omtrent hun inkomen en uitgaven over en weer naar voren hebben gebracht, behoeft derhalve geen nadere bespreking

8. Het hof stelt de jaarlijkse huuropbrengst van de onroerende zaak op € 23.676,-, conform het door de man als productie 9 overgelegde financieel overzicht 2008, zijnde het jaar waarin partijen uit elkaar zijn gegaan. Deze opbrengst is naar het oordeel van het hof door de vrouw niet gemotiveerd betwist. Het hof stelt de aan de verhuur verbonden kosten in redelijkheid op € 7.500,- per jaar, nu - zoals de vrouw terecht stelt - niet alle kosten op een jaarlijkse basis gemaakt behoeven te worden en het schilderwerk niet elke drie jaar uitgevoerd behoeft te worden. De netto jaaropbrengst uit de verhuur van het pand bedraagt derhalve € 23.676,- minus € 7.500,- = € 16.176,-. Gegeven een WOZ-waarde van € 133.000,- voor de woning bedraagt de inkomstenbeslasting in box 3 € 1.596,-, zodat het hiervoor bedoelde aandeel van de huuropbrengst in het totale netto inkomen van partijen € 14.580,- of wel € 1.215,- netto per maand moet worden geacht te zijn geweest. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, bedraagt de behoefte van de vrouw aan een uitkering zijdens de man derhalve afgerond € 608,- netto per maand, hetgeen met inachtneming van het overige inkomen van de vrouw neer zou komen op € 1.048,- bruto per maand.

9. Gelet op hetgeen onder 8 wordt overwogen, ziet het hof geen aanleiding om - zoals de vrouw verzoekt - een deskundige in te schakelen om de objectieve huurwaarde van de onroerende zaak te bepalen. Het hof zal dit verzoek derhalve afwijzen.

10. Nu de man niet heeft aangetoond niet in Nederland belastingplichtig te zijn, moet er van worden uitgegaan dat hij de door hem betaalde alimentatie in mindering zal brengen op zijn inkomen in box 1, zodat het hof het gebruteerde bedrag aan de vrouw zal toekennen.

11. Nu geen der partijen zich heeft uitgelaten over de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie zal het hof dezelfde ingangsdatum hanteren als de rechtbank.

12. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op € 1.048,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Bouritius, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2010.