Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4595

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
105.012.873-01 en 105.012.874-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP9872, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9872
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie vastgesteld vanaf 2002. Behoefte en behoeftigheid: pensioengerechtigde leeftijd alimentatiegerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 maart 2010

Zaaknummer : 105.012.873/01 en 105.012.874/01

Rekestnr. : 444-H-08 en 445-H-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 00-6318

[appellant],

wonende te [woonplaats], [woonland],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.M. Bruins.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 13 maart 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 december 2007 van de rechtbank 's-Gravenhage.

De vrouw heeft op 20 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 17 maart 2008 en op 15 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 25 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 juni 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. E. Keijzerwaard. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van 29 januari 2002 en 2 september 2002 van de rechtbank 's-Gravenhage.

Bij de tussenbeschikking van 29 januari 2002 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is onder meer de behandeling van de zaak ten aanzien van de alimentatie en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen aangehouden.

Bij de tussenbeschikking van 2 september 2002 is een deskundigenonderzoek bevolen en is de heer E.M. van der Meij tot deskundige benoemd. Voorts is iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 24 juni 2002, tot 1 augustus 2005 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 5.500,- per maand, en vanaf (het hof begrijpt: met ingang van) 1 augustus 2005 een bedrag van € 4.300,- per maand, voor zover nog mogelijk telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is de beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts is de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen aangehouden opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren en is verder iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek, aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna ook: partneralimentatie alsmede de kosten van het deskundigenonderzoek en het al dan niet bestaan van vergoedingsrechten van de man jegens de vrouw ter zake de Porsche Carrera, de Visa Card schuld en de rekening courant schuld.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen voor wat betreft de beslissingen:

- dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 24 juni 2002, tot 1 augustus 2005 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 5.500,- per maand en (het hof begrijpt:) met ingang van 1 augustus 2005 een bedrag van € 4.300,- per maand, voor zover thans nog mogelijk telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met verklaring van deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- geen acht te nemen van (het hof begrijpt: geen acht te slaan op) de inhoud van het rapport van de deskundige voor het bepalen van de draagkracht van de man en te bepalen dat de man de kosten van het deskundigenonderzoek dient te voldoen;

- de vorderingen met betrekking tot de Porsche Carrera, de Visa Card schuld en de rekeningcourant schuld als zijnde in strijd met de goede procesorde af te wijzen,

en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

- de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking wordt bepaald op nihil, dan wel een zodanige ingangsdatum en een zodanige lagere bijdrage in de kosten van levensonderhoud als de rechtbank heeft bepaald als het hof in goede justitie vermeent te bepalen;

- de verplichting van de man om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw eindigt op 23 februari 2008, dan wel een zodanige termijn korter dan 12 jaar na datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als het hof in goede justitie vermeent te behoren te bepalen;

- de kosten van het deskundigenrapport bij helfte dienen te worden voldaan;

- de vrouw in verband met de verkoop van de Porsche Carrera 75.000 [buitenlandse geldeenheid] te vermeerderen met 7% rente per jaar met ingang van 23 februari 2000, aan de man dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag en een zodanige rente als het hof in goede justitie vermeent te behoren te bepalen;

- de vrouw in verband met Visa creditcard schuld aan de man [buitenlandse geldeenheid] 187.926,- te vermeerderen met 7% rente per jaar met ingang van 23 februari 2000, dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag en een zodanige rente als het hof in goede justitie vermeent te behoren te bepalen;

- de vrouw in verband met de rekening-courantschuld [buitenlandse geldeenheid] 500.000,- te vermeerderen met 7% rente per jaar met ingang van 23 februari 2000, aan de man dient te voldoen dan wel een zodanig bedrag en een zodanige rente als het hof in goede justitie vermeent te behoren te bepalen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man ongegrond te verklaren, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de man in de proceskosten.

Partneralimentatie

Behoefte

4. De man is blijkens de eerste grief van mening dat de vrouw in staat is zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Volgens de man heeft de vrouw tot aan het huwelijk met hem gewerkt en had zij een goede baan. Het is haar eigen keuze niet te werken en geen pensioen op te bouwen.

De man is blijkens de tweede grief tevens van mening dat de rechtbank de behoefte van de vrouw op een te hoog bedrag heeft gesteld. Volgens de man bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte € 2.105,- netto per maand (uitgaande van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk). De door de vrouw overgelegde behoefteoverzichten kloppen volgens de man niet. Het fiscale regime in [land X] is anders dan in Nederland, zodat de rechtbank een te hoge bruto behoefte heeft vastgesteld.

Voorts stelt de man dat de vrouw inkomen verzwijgt. Op grond hiervan dient de partneralimentatie te worden gematigd tot nihil.

Ten slotte is de man van mening dat de rechtbank rekening had dienen te houden met de AOW en pensioenuitkeringen waarop de vrouw vanaf 26 juni 2008 recht heeft.

5. De vrouw is van mening dat de rechtbank inzake de behoefte juist heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Immers, de vrouw heeft zeer geringe inkomsten en is al op leeftijd.

Volgens de vrouw dient inzake de behoefte de welstand van partijen tijdens het huwelijk te worden meegewogen.

De vrouw bestrijdt dat zij inkomen verzwijgt. Zij heeft gesteld dat zij minimale inkomsten ontving uit haar diverse bezigheden die voor een groot deel vrijwilligerswerk en hobby's betreffen. De inkomsten die zij genoot, heeft zij aangewend om de noodzakelijke kosten ervan te betalen.

De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dat de AOW-uitkering in mindering wordt gebracht op de partneralimentatie.

6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de vrouw niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien. Het neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

7. Ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw voor de periode van 24 juni 2002 tot 1 augustus 2005 overweegt het hof als volgt. De desbetreffende grief van de man gaat ervan uit dat de door de rechtbank vastgestelde behoefte is gebaseerd op de door de vrouw overgelegde kostenoverzichten. Deze tweede grief berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank bepaalde daarin de behoefte van de vrouw op € 5.500,- bruto per maand, "zijnde het bruto equivalent van de in de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 mei 2001 bepaalde netto behoefte". De grief van de man bestrijdt deze overweging niet, zodat de grief geen doel treft. Inzake de brutering van de partneralimentatie merkt het hof nog het volgende op. Als uitkering op basis van een netto behoefte moet de alimentatie worden geacht bruto te zijn indien en voor zover de alimentatiegerechtigde hierover belasting verschuldigd is. Uit de pleitnotities ten behoeve van de terechtzitting van 11 september 2001 van de toenmalige advocaat van de vrouw blijkt dat de vrouw destijds in Nederland was ingeschreven en derhalve aldaar ook belastingplichtig was, zodat de rechtbank op juiste gronden een bruto behoefte heeft vastgesteld.

8. Ten aanzien van de periode vanaf (het hof leest: met ingang van) 1 augustus 2005 overweegt de rechtbank dat de door de vrouw gestelde behoefte van € 4.300,- bruto per maand evident is. De man heeft geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de behoefte evident is, zodat ook het hof de behoefte van de vrouw vanaf 1 augustus 2005 op € 4.300,- bruto per maand stelt. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

9. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de vrouw moedwillig inkomsten heeft verzwegen. De desbetreffende derde grief van de man is derhalve ongegrond.

10. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde. Derhalve dient in overeenstemming met het gestelde in de vierde grief met ingang van de datum waarop de vrouw de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, te weten 26 juni 2008, haar AOW-uitkering van € 855,- netto per maand in mindering te worden gebracht op de alimentatiebehoefte. De vrouw heeft overigens in haar verweerschrift gesteld hiertegen geen bezwaar te hebben. Het hof zal met ingang van voormelde datum tevens het bedrag van € 317,- netto per maand dat de vrouw volgens het door haar in hoger beroep overgelegde overzicht aan ABP-uitkering ontvangt, op de alimentatiebehoefte in mindering brengen. Nu de behoefte van de vrouw over de voorafgaande periode op een bruto bedrag is vastgesteld, zal het hof beide uitkeringen hierbij naar hun brutobedragen ad respectievelijk € 918,- per maand en € 398,- per maand in aanmerking nemen.

11. Gelet op het vorenstaande stelt het hof de behoefte van de vrouw vast als volgt:

voor de periode met ingang van 24 juni 2002 tot 1 augustus 2005 op € 5.500,- bruto per maand,

voor de periode met ingang van 1 augustus 2005 tot 26 juni 2008 op € 4.300,- bruto per maand

en voor de periode met ingang van 26 juni 2008 op € 2.984,- bruto per maand.

Limitering

12. De man stelt met zijn vijfde grief de afwijzing van zijn verzoek tot limitering van de partneralimentatie aan de orde terwijl de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking geen gewag maakt van dit onderwerp. Het hof acht de man in zoverre desalniettemin ontvankelijk in zijn hoger beroep nu blijkens het als productie 19 bij het beroepschrift door de man overgelegde stuk de rechtbank inmiddels bij beschikking van 3 maart 2009 een eindbeslissing heeft gegeven in de onderhavige zaak, zodat het appel van de man kan worden beschouwd als (mede) gericht tegen de desbetreffende overweging van de rechtbank in haar beschikking van 29 januari 2002.

13. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen omtrent de duur van partneralimentatie, die volgens hem op de feitelijke duur van huwelijk, ofwel acht jaar, dient te worden gesteld. De vrouw stelt dat zij volgens de wet recht heeft op twaalf jaar partneralimentatie vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

14. Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet evenals de rechtbank in haar beschikking van 29 januari 2002 en op dezelfde gronden geen aanleiding de partneralimentatie in tijdsduur te limiteren, met dien verstande dat de vrouw inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat van haar niet meer verwacht kan worden dat zij pogingen onderneemt om door het verrichten van arbeid in haar levensonderhoud te voorzien. De vijfde grief is derhalve ongegrond.

Draagkracht

Inkomen

15. De man stelt in zijn zevende grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte het deskundigenrapport niet als uitgangspunt heeft genomen voor de vaststelling van zijn draagkracht.

Het hof gaat bij het bepalen van de draagkracht van de man uit van een netto maandinkomen van de man van [buitenlandse geldeenheid] 20.516,92, nu uit het proces-verbaal van 4 september 2007 van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat partijen dit bedrag zijn overeengekomen als de hoogte van het inkomen van de man en in hoger beroep geen grief tegen voormeld inkomen is opgeworpen. Voor zover de man met zijn grief beoogt te stellen dat de rechtbank het in het rapport vermelde inkomen in acht had moeten nemen, slaagt deze grief derhalve niet.

Lasten

16. Ten aanzien van de door de man in zijn achtste grief opgevoerde lasten overweegt het hof als volgt. Het hof houdt op dezelfde gronden als de rechtbank heeft gedaan rekening met een bedrag van € 250,- per maand aan studiekosten ten behoeve van de dochter van de man. Dit mede gelet op de leeftijd van de dochter en de mate waarin de vrouw van de man mag verwachten dat hij verantwoordelijk is voor het levensonderhoud van de vrouw.

Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde kosten in verband met studiohuur, nu het hier naar het oordeel van het hof niet gaat om woonkosten noch om andere lasten die noodzakelijk zijn, zodat deze lasten niet prevaleren boven de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw.

Inzake de door de man opgevoerde lasten betreffende gas, water en licht volgt het hof de rechtbank. De toelichting die de man desgevraagd ter terechtzitting met betrekking tot voormelde kosten heeft gegeven, ziet louter op het heden, zodat deze toelichting niet tot een ander oordeel noopt. Het hof neemt inzake de kosten voor gas, water en licht derhalve een maandelijks bedrag van [buitenlandse geldeenheid] 380,- in aanmerking.

Het hof houdt voorts geen rekening met de door de man opgevoerde aflossingen op de rekening-courantschuld. Door de man is niet gesteld dat hij aflossingen en rentebetalingen op deze schuld heeft gedaan, terwijl overigens niet is gebleken van een noodzaak daartoe.

Ten slotte acht het hof de door de man gestelde en door de vrouw niet weersproken betalingsverplichting wegens belastingschulden reëel. Het hof leidt uit bijlage 25 bij productie 16, waarnaar de man in dit kader verwijst, af dat de huwelijksgerelateerde schuld [buitenlandse geldeenheid] 40.086,39 bedraagt. Ervan uitgaande dat de man de schulden in twee jaar tijd dient af te lossen, bedraagt de maandelijks in aanmerking te nemen last [buitenlandse geldeenheid] 1.670,-.

17. Ten aanzien van de woonlasten is door de advocaat van de man in zijn pleitnotities gesteld dat de volledige woonlasten in aanmerking dienen te worden genomen aangezien de man samenwoont met een partner zonder inkomen. Nu de man niet heeft onderbouwd dat zijn nieuwe partner geen inkomen heeft noch waarom zij - veronderstellenderwijs al uitgaande van de juistheid van die stelling - niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, gaat het hof hieraan voorbij en zal het, evenals de rechtbank, de helft van de woonlasten ad [buitenlandse geldeenheid] 1.666,58 per maand in aanmerking nemen.

18. Voorts houdt het hof rekening met de volgende, in hoger beroep onbetwiste, dan wel onvoldoende betwiste lasten:

- reiskosten ten behoeve van de zoon van de man ad € 250,- per maand;

- contante opnamen inzake levensonderhoud ad [buitenlandse geldeenheid] 720,- per maand;

- premie ziektekostenverzekering ad [buitenlandse geldeenheid] 66,34 per maand;

- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ad [buitenlandse geldeenheid] 2.860,- per maand.

Voor zover de man in zijn draagkrachtberekeningen andere lasten en bedragen vermeldt, laat het hof deze, onverminderd hetgeen in de rechtsoverwegingen 19 en 20 wordt overwogen, buiten beschouwing, nu de man deze in zijn beroepschrift niet nader toelicht en onderbouwt.

19. Het hof houdt, nu de man in hoger beroep hieromtrent geen grief heeft geformuleerd, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden geen rekening met de door de man in eerste aanleg gestelde aflossingen Mastercard en Visa, alsmede de premie levensverzekering.

20. De man heeft in hoger beroep geen lasten met betrekking tot het pensioen van de huishoudster meer opgevoerd, zodat het hof deze eveneens buiten beschouwing laat.

In zijn voormelde draagkrachtberekeningen over de jaren 2005 en 2006 voert de man uitgaven op voor het levensonderhoud van zijn moeder. De vrouw heeft deze uitgaven blijkens de pleitnotities van 11 september 2000 in eerste aanleg betwist, daar de moeder niet meer zelfstandig zou wonen. Nu de man in hoger beroep de kosten met betrekking tot het levensonderhoud van de moeder niet nader onderbouwt, houdt het hof met deze kosten eveneens geen rekening.

21. Nu de man in zijn als productie 22 bij het beroepschrift overgelegde draagkrachtberekeningen is uitgegaan van het draagkrachtpercentage voor een alleenstaande, neemt het hof eveneens het draagkrachtpercentage voor een alleenstaande in aanmerking. Voor de man geldt, nu van een netto jaarinkomen is uitgegaan, een draagkrachtpercentage van 70. Het hof gaat er evenals de rechtbank en op dezelfde gronden van uit dat de door de man te betalen partneralimentatie bij de berekening van de inkomstenbelasting aftrekbaar is, nu de man niet heeft onderbouwd dat zulks niet het geval is.

Conform artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, beheerst het recht dat op de echtscheiding is toegepast, in casu Nederlands recht, ook de onderhoudverplichtingen tussen de gescheiden echtgenoten. Het hof zal de verschuldigde alimentatie derhalve in euro´s vaststellen en berekent de draagkracht van de man derhalve in euro's. Het hof volgt daarin de wijze waarop de man [buitenlandse geldeenheid] omrekent in euro's, namelijk door het bedrag te vermenigvuldigen met de factor 0,3721 (1 [buitenlandse geldeenheid] = 0,3721 euro). De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft de man draagkracht om een partneralimentatie te voldoen van € 3.524,- per maand.

22. In aanmerking genomen de onder rechtsoverweging 11 bepaalde behoefte van de vrouw stelt het hof de partneralimentatie als volgt vast:

Voor de periode met ingang van 24 juni 2002 tot 26 juni 2008 dient de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te voldoen van € 3.524,- bruto per maand en voor de periode met ingang van 26 juni 2008 een uitkering van € 2.984,- bruto per maand. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

23. Met betrekking tot de bezwaren die de man met zijn zesde grief heeft aangevoerd tegen de terugwerkende kracht van vaststelling van partneralimentatie overweegt het hof als volgt. Nu de man - kort gezegd - als argument tegen terugwerkende kracht heeft aangevoerd dat hij er geen rekening mee had hoeven houden dat hij in verband met het opleggen van een bruto partneralimentatie 'opeens het dubbele zou moeten gaan voldoen', komt zijn bezwaar neer op het standpunt dat terugwerkende kracht onredelijk is. Het hof verwerpt dit bezwaar op de grond dat de man tegen de achtergrond van zijn wettelijke alimentatieplicht en de omstandigheid dat op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie bij de beschikking van 29 januari 2002 nog niet onherroepelijk was beslist, zijn standpunt niet heeft onderbouwd.

De kosten van de deskundige en de vorderingen betreffende de Porsche Carrera, de Visa Card schuld en de rekeningcourant schuld

24. Ambtshalve is het hof ermee bekend dat partijen ter zitting van 5 maart 2010 ten overstaan van het hof in andere samenstelling hebben verzocht de zaak voor wat betreft deze onderwerpen te voegen met de bij dit hof onder nummer 200.035.061/01 geadministreerde zaak. Dit verzoek is gehonoreerd, zodat het hof in deze beschikking zulks zal verstaan.

Kostenveroordeling

25. Het hof ziet geen aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten en zal het verzoek van de vrouw daartoe afwijzen.

26. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man voor de periode met ingang van 24 juni 2002 tot 26 juni 2008 op € 3.524,- bruto per maand en voor de periode vanaf 26 juni 2008 op € 2.984,- bruto per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de zaak voor wat betreft de kosten van het deskundigenonderzoek alsmede met betrekking tot het al dan niet bestaan van vergoedingsrechten terzake van de Porsche Carrera, de Visa Card schuld en de rekeningcourant schuld is gevoegd met de bij dit hof onder nummer 200.035.061/01 geadministreerde zaak;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Stille en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2010.