Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3972

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
22-003428-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.337,86 (elfduizend driehonderdzevenendertig euro en zesentachtig cent) en legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 11.337,86 (elfduizend driehonderdzevenendertig euro en zesentachtig cent).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003428-09 PO

Parketnummer: 09-408057-08

Datum uitspraak: 8 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van

de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

23 juni 2009 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1977,

[adres].

Procesgang

Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 juni 2009 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 23 juni 2009 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 12.286,80 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het

onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het

onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van

25 maart 2010.

Vordering van het openbaar ministerie

De vordering van het openbaar ministerie houdt -na wijziging in eerste aanleg- in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal

€ 12.286,80 (twaalfduizend tweehonderdzesentachtig euro en tachtig cent), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak onder 2 bewezenverklaarde feit.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal worden vastgesteld op € 12.286,80, en dat

aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van dat bedrag.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van standaardnormen zoals die in de wetenschap zijn ontwikkeld en neemt het hof voorts het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij betreffende [verdachte] d.d. 31 juli 2008 van de rapporteur N. Manusama-Kuijper en de daarin gehanteerde uitgangspunten en berekeningsmethoden in acht.

Overeenkomstig voornoemd rapport neemt het hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel één oogst als uitgangspunt.

In afwijking van voornoemd rapport gaat het hof uit van 184 planten, de blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, nummer [nummer], d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], op 9 juli 2008 aangetroffen hoeveelheid planten.

Met betrekking tot de investeringskosten heeft het hof overwogen dat de veroordeelde deze kosten niet heeft gespecificeerd en onderbouwd, zodat het hof de afschrijvingskosten volgens voornoemd rapport in aftrek brengt.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengst:

184 planten x 28,2 gram hennep per plant

x € 2,37 per gram hennep: € 12.297,46

Kosten:

Variabele kosten planten: € 809,60

Afschrijvingskosten investeringen: € 150,-

Netto wederrechtelijk verkregen voordeel: € 11.337,86

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.337,86 (elfduizend driehonderdzevenendertig euro en zesentachtig cent).

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de veroordeelde aangevoerd dat de veroordeelde geen voordeel heeft genoten omdat de gehele opbrengst naar derden is gegaan. Het hof overweegt hieromtrent dat -mede gelet op het feit dat de veroordeelde geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent de identiteit van deze personen- onvoldoende aanwijzingen bestaan dat anderen dan de veroordeelde voordeel hebben genoten.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de veroordeelde mogelijk een navordering van Eneco krijgt betreffende kosten voor onrechtmatige afname van elektriciteit, welke elektriciteitskosten op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering kunnen worden gebracht. Het hof overweegt dienaangaande dat deze kosten thans niet voor aftrek in aanmerking komen nu deze kosten niet daadwerkelijk door de veroordeelde zijn betaald. Het hof wijst erop dat de veroordeelde

-overeenkomstig het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering- de rechter kan verzoeken het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat te matigen wanneer de elektriciteitskosten alsnog worden betaald.

Door en namens de veroordeelde is tevens aangevoerd dat de veroordeelde niet over voldoende draagkracht beschikt, dan wel in de toekomst zal beschikken, om aan een eventuele betalingsverplichting ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen voldoen. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde -mede gelet op zijn leeftijd- in de toekomst niet een zodanig inkomen zal kunnen genieten dat zijn draagkracht ontoereikend zal zijn om het bovengenoemde bedrag te betalen.

Het hof zal de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.337,86 (elfduizend driehonderdzevenendertig euro en zesentachtig cent).

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal

€ 11.337,86 (elfduizend driehonderdzevenendertig euro en zesentachtig cent).

Dit arrest is gewezen door mr. D. Jalink,

mr. J.C.F. van Gelder en mr. M.F.L.M. van der Grinten, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 april 2010.

Mr. M.F.L.M. van der Grinten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.