Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3953

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
22-003345-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich opzettelijk van afvalstoffen te weten een hoeveelheid tarragrond vermengd met aardappelen en zuiveringsslib ontdoen door deze buiten een inrichting op een perceel te storten. Het hof verklaart dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 12
Wet milieubeheer 10.2
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003345-09

Parketnummer: 12-994532-08

Datum uitspraak: 17 maart 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Middelburg van 26 juni 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

de besloten vennootschap,

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 23 november 2006 tot en met 23 januari 2007 te Oudelande, gemeente Borsele, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten een hoeveelheid (vervuilde) tarragrond (vermengd met aardappelen en/of zuiveringsslib) heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op een perceel gelegen aan [straatnaam] te Oudelande (kadastraal bekend onder [nummer]) te storten, anderszins op of in de bodem tebrengen of te verbranden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,-.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode 23 november 2006 tot en met 23 januari 2007 te Oudelande, gemeente Borsele, opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten een hoeveelheid tarragrond vermengd met aardappelen en zuiveringsslib heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op een perceel gelegen aan [straatnaam] te Oudelande (kadastraal bekend onder [nummer]) te storten.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Naar het oordeel van het hof kan het bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte, mevrouw mr. B. d'Hooghe, advocaat te Terneuzen, bepleit haar cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging, op de grond dat zij op het in de tenlastelegging bedoelde perceel zich niet van afvalstoffen heeft ontdaan, maar zogenaamde zwarte grond heeft gebruikt welke aan de eisen van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen voldeed. De raadsman heeft haar stelling toegelicht zoals is weergegeven in de ter terechtzitting overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, voor zover hier van belang:

'Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze (...) op of in de bodem te brengen (...)'.

Artikel 12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (hierna: BOOM) bepaalt voor zover hier van belang:

'Het is verboden (...) zwarte grond te gebruiken, indien niet is voldaan aan de in de bij dit besluit behorende bijlagen met betrekking tot de desbetreffende producten gestelde samenstellingseisen (...).'

In artikel 1, eerste lid aanhef en onder f. van eerdergenoemd besluit wordt 'zwarte grond' omschreven als 'mengsel van bodembestanddelen en bewerkte organische afvalstoffen', terwijl onder g. het 'gebruik van (...) zwarte grond' wordt gedefinieerd als 'op of in de bodem brengen van (...) zwarte grond'.

Het hof stelt vast, op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, dat de door verdachte opgebrachte grond bestaat uit een mengsel van droge en natte tarragrond (inclusief gewassen en na sortering overblijvende restaardappelen) en slib van de waterzuivering dat is ontwaterd en van fosfaat is ontdaan. Omdat zowel de restaardappelen als het slib zijn bewerkt in het productieproces van het desbetreffende aardappelverwerkingsbedrijf, zijn deze organische stoffen aan te merken als bewerkte organische afvalstoffen in de zin van de geciteerde definitie, terwijl de tarragrond een bodembestanddeel is volgens die definitie.

De door verdachte op de bodem gebrachte grond valt, gelet op de definitie, mitsdien onder het begrip 'zwarte grond'.

Het hof stelt tevens vast, dat de samenstelling van de zwarte grond blijkens het dossier voldoet aan de eisen gesteld in de bijlage bij het BOOM. Daardoor valt de door de verdachte gebruikte zwarte grond buiten het verbod van artikel 12 van het BOOM.

Het BOOM is vastgesteld op basis van de Wet bodembescherming, en dient mede ter uitvoering van EU-richtlijnen ter bescherming van het milieu. Aangezien de voorschriften van het BOOM hun rechtvaardiging vinden in de bescherming van het milieu, en het BOOM naar het oordeel van het hof voldoet aan de eis dat het een niveau van milieubescherming oplevert dat minstens gelijkwaardig is aan dat voortvloeiende uit het eveneens tot toepassing van EU-milieurichtlijnen strekkende artikel 10.2 van de Wet milieubeheer (vgl. arrest HvJEG van 11 september 2003, nr. C-114/01, Jur. 2003, p. I-8752, punt 59) valt de gedraging van verdachte buiten de werkingssfeer van het -in beginsel op het bewezenverklaarde toepasselijke algemene- verbod van genoemd artikel.

De verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. J.M. Reinking en mr. M.A. van der Ham, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2010.