Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3735

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
200.007.278.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU9899, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU9899
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 283 Rv: Mondelinge vermeerdering van eis ter zitting niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 april 2010

Zaaknummer : 200.007.278/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-4661

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Luyt te Amsterdam,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage.

Als degenen, wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Leidschendam-Voorburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 1 juli 2009, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige: [de minderjarige], geboren op [datum in] 2003 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), en daaromtrent rapport en advies uit te brengen. Voorts is bij wijze van voorlopige omgangsregeling bepaald dat de minderjarige bij de vader zal verblijven een zaterdag in de veertien dagen van 11:00 tot 18:00 uur. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de raad is op 27 november 2009 het raadsrapport van 20 november 2009 ingekomen;

- van de zijde van de vader zijn op 24 december 2009 en 18 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen;

- van de zijde van de moeder zijn op 24 maart 2010 en 30 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 april 2010 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de raad is verschenen: mevrouw [naam]. Voorts is namens Jeugdzorg verschenen: de heer [naam]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Vermeerdering van eis

1. Het hof stelt vast dat de moeder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 13 mei 2009 haar beroep tot tweemaal toe heeft gewijzigd. In haar pleitnotitie verzocht zij de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de regeling zoals die na de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2008 loopt, inhoudende dat de vader eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 14:00 uur tot 17:00 uur omgang heeft met de minderjarige, als omgangsregeling vast te leggen. Voorts heeft zij mondeling verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de omgang tussen de vader en de minderjarige te schorsen in afwachting van de uitkomst van het traject dat Jeugdzorg met betrekking tot de minderjarige zal starten. Beide verzoeken bevatten naar het oordeel van het hof een vermeerdering van het verzoek in hoger beroep. Voor zover de moeder mondeling haar verzoek heeft gewijzigd, voldoet zij hiermee niet aan de in artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde eis van schriftelijkheid en kan zij te dien aanzien niet worden ontvangen. Dientengevolge ligt thans ter beoordeling van het hof voor het verzoek van de moeder zoals omschreven in haar pleitnotitie.

Beoordeling

2. Het hof handhaaft al hetgeen bij zijn beschikking van 1 juli 2009 is overwogen en beslist. Het hof stelt voorts voorop dat de raad in het raadsrapport van 20 november 2009 het hof adviseert een omgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarige en de vader van één doordeweekse middag in de twee weken. De omgangsregeling dient plaats te vinden in de thuissituatie bij de vader onder begeleiding van de ambulante hulpverlening van de Stichting Jeugdformaat (verder: Jeugdformaat) voor een periode van zes maanden, zodat er zicht kan komen op de aard van het contact tussen de vader en de minderjarige en zij hierin kunnen worden ondersteund. Deze begeleiding zal zich ook moeten richten op de moeder om te leren hoe zij de minderjarige kan ondersteunen in het contact met zijn vader. Ter onderbouwing van zijn advies stelt de raad dat er (naar het hof begrijpt: thans) geen sprake kan zijn van een uitbreiding van de omgangsregeling, gezien de gespannen verhouding tussen de vader en de moeder, het ontbreken van een overlegstructuur bij de ouders, de negatieve uitspraken van de minderjarige over het verloop van het contact met zijn vader en het zorgelijke gedrag van de minderjarige. De omgangsregeling met de vader blijft een bron van onrust. Voorts is het welzijn van de minderjarige in het gedrang. Hij wordt in zijn ontwikkeling op sociaal-emotioneel, cognitief en fysiek gebied bedreigd en er lijkt bij hem sprake te zijn van een loyaliteitsconflict. De minderjarige heeft rust, voorspelbaarheid en duidelijkheid nodig. Na dit half jaar zal er meer duidelijkheid zijn over de omgang en wat hierin het belang is van de minderjarige. De eventuele gezinsvoogd en Jeugdformaat kunnen dit aan de rechtbank (waarvan het hof leest: het gerechtshof) rapporteren.

Mocht het tussentijds blijken dat het mogelijk is en in het belang is van de minderjarige om de omgangsregeling al wel op andere momenten te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld in de weekeinden, dan kan dit in samenspraak tussen de ouders, Jeugdformaat en de gezinsvoogd worden afgesproken.

3. Gelet op de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige besluit de raad in voormeld rapport tevens een ondertoezichtstelling te verzoeken teneinde de benodigde hulpverlening te waarborgen. Bij beschikking van 22 december 2009 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage is de minderjarige onder toezicht van Jeugdzorg gesteld voor de periode van 22 december 2009 tot 22 december 2010.

4. Voorts heeft het hof kennis genomen van het vonnis van 30 maart 2010 van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin de vordering van de vader, inhoudende de moeder op straffe van een dwangsom te veroordelen de bij de beschikking van het hof van 1 juli 2009 vastgestelde voorlopige omgangsregeling na te komen, is afgewezen.

5. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat er begin dit jaar wel degelijk omgang tussen de vader en de minderjarige heeft plaatsgevonden, maar niet zoals het hof bij beschikking van 1 juli 2009 heeft vastgesteld. Zij heeft van meet af aan meegewerkt teneinde een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige te bewerkstelligen en zij heeft daarbij alle adviezen opgevolgd en hulpverlening aanvaard. De moeder stelt voorts dat zij slecht afspraken kan maken met de vader, aangezien deze niet worden nagekomen. Zij maakt zich zorgen over de rol van de vader in het kader van de omgangsregeling, zoals ook in het raadsonderzoek naar voren is gekomen. Daarnaast gaat het goed met de minderjarige en is bij hem geen sprake van een ernstig loyaliteitsconflict, aldus de moeder. Momenteel hebben de moeder en de minderjarige behoefte aan veiligheid en rust. Zij is dan ook van mening dat er duidelijkheid omtrent de omgangsregeling dient te komen.

6. De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat de moeder met haar houding en gedrag de minderjarige negatief beïnvloedt en dat hij een begeleide omgangsregeling als een verkeerd signaal richting de minderjarige beschouwt. Hij is van mening dat de zaak moet worden aangehouden teneinde de uitkomst van het door Jeugdzorg te verrichten onderzoek door middel van interactie- en observatiecontacten tussen de vader en de minderjarige af te wachten. Het is in het belang van de minderjarige dat de voorlopige omgangsregeling, zoals vastgesteld door het hof op 1 juli 2009, in ieder geval gedurende dit onderzoek wordt gecontinueerd.

7. Namens de raad is ter terechtzitting verklaard dat er ernstige zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van de minderjarige. Door de gespannen verhouding tussen de ouders raakt hij in een ernstig loyaliteitsconflict. Het is van belang uit te zoeken waar de weerstand van de minderjarige tegen de omgangsregeling met de vader vandaan komt. De raad juicht dan ook toe dat er door Jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling interactie- en observatiecontacten tussen de vader en de minderjarige plaatsvinden. Het is van belang dat er rust en veiligheid komt. Daarnaast heeft de raad in het raadsrapport van 20 november 2009 geadviseerd dat de ouders hulp moeten zoeken voor hun eigen problematiek.

8. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat een voorlopig plan van aanpak is opgesteld waarin Jeugdzorg voornemens is onderzoek te doen om te bepalen welke omgangsregeling het meest in het belang van de minderjarige is. Jeugdzorg zal dit onderzoek verrichten door middel van interactie- en observatiecontacten tussen de vader en de minderjarige op het kantoor van Jeugdzorg. Op die manier kan Jeugdzorg de hulpverlening op gerichtere wijze inzetten. Volgens Jeugdzorg leidt het feit dat de minderjarige tegen zijn zin mee moet met de vader tot spanningen. Deze spanningen kunnen op twee manieren bij de minderjarige tot uiting komen. Enerzijds kan dit leiden tot boosheid of irritatie en agressieproblemen en anderzijds kan dit resulteren in wanhoop of somberheid, hetgeen zich kan vertalen naar gedragsproblematiek bij de minderjarige.

9. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (verder: BW) hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van een of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, op basis waarvan de rechter het recht op omgang op daartoe strekkend verzoek ontzegt.

10. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de minderjarige rust, veiligheid, voorspelbaarheid en duidelijkheid nodig heeft alvorens tot een definitieve omgangsregeling kan worden gekomen. Teneinde dit te kunnen verwezenlijken en om te bezien op welke wijze de hulpverlening gerichter kan worden ingezet, gaat Jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling onderzoek verrichten door middel van interactie- en observatiecontacten tussen de vader en de minderjarige. De raad ondersteunt dit voornemen. Het hof is gebleken dat het onderzoek zich nog in de startfase bevindt. Het hof acht het vooralsnog in het belang van de minderjarige dat de resultaten van dit onderzoek worden afgewacht, zodat naar aanleiding daarvan kan worden beoordeeld welke omgangsregeling het meest in het belang van de minderjarige is. Het hof ziet, gelet op de thans beschikbare informatie en nu vooralsnog niet is gebleken van contra-indicaties voor een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige, geen aanleiding om gedurende voormeld onderzoek een andere (voorlopige) omgangsregeling vast te stellen dan reeds bij beschikking van 1 juli 2009 van het hof is bepaald. De concrete invulling van deze voorlopige omgangsregeling zal op instructies van Jeugdzorg dienen plaats te vinden.

11. In afwachting van het interactie- en observatie onderzoek van Jeugdzorg zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot zaterdag 30 oktober 2010 pro forma.

12. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen,

houdt de behandeling van de zaak aan tot 30 oktober 2010 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Van Leuven en Bouritius, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2010.