Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3472

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
200.017.553-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 127
Burgerlijk Wetboek Boek 6 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.017.553

Zaak-/rolnummer rechtbank : 73016/HA ZA 07-2709

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 4 mei 2010

inzake

[Naam],

sinds 19 augustus 2008 genaamd Bouwbedrijf Het Anker B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

appellante,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. L.P. Quist te Zwijndrecht,

tegen

1. BRABANT METSELWERKEN B.V.,

gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

kantoorhoudende te Kaatsheuvel,

hierna te noemen: Brabant Metselwerken, en

2. BRABANT LIJMWERKEN B.V.,

gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

kantoorhoudende te Kaatsheuvel,

hierna te noemen: Brabant Lijmwerken,

geïntimeerden,

tezamen te noemen: de Brabant-vennootschappen,

advocaat: mr. J.D.M. Oude Grote Bevelsborg te Breda.

Het geding

Bij exploot van dagvaarding van 19 september 2008 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Dordrecht tussen partijen gewezen vonnis van 16 juli 2008. [appellante] heeft bij memorie van grieven, tevens houdende akte aanvulling rechtsgronden, zes grieven aangevoerd. Deze zijn door de Brabant-vennootschappen bestreden bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) weergegeven feiten zijn niet betwist, zodat het hof hiervan zal uitgaan. De klacht dat de feiten door de rechtbank niet volledig zijn weergegeven faalt, aangezien de rechter vrij is in de selectie van de feiten. Voor zover nodig zal het hof nader op deze feiten ingaan.

2. Kort en zakelijk, voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om het volgende.

(2.1) [appellante] heeft vele jaren zaken gedaan met eerst de NIVO-groep en na het faillissement daarvan met de JMS-groep.

De NIVO-Groep werd bestuurd door de heer [O]. De JMS-Groep werd bestuurd door de heer [Naam] (verder: [X]), voormalig schoonzoon van de heer [O]. Op 11 oktober 2005 is de JMS-Groep failliet verklaard.

(2.2) Op 18 oktober 2005 zijn de Brabant-vennootschappen opgericht, met als bestuurder/grootaandeelhouder de heer [Naam] (verder: [Y]).

De Brabant-vennootschappen hebben door tussenkomst van [X] werkzaamheden aan bedrijfshallen Barendrecht uitgevoerd ten behoeve van [appellante]. Op grond hiervan heeft Brabant Metselwerken een vordering op [appellante] van (in hoofdsom) € 80.430,60. Brabant Lijmwerken heeft terzake een vordering op [appellante] van (in hoofdsom) € 34.591,30. Tezamen levert dit op een bedrag in hoofdsom van € 115.021,90.

(2.3) Omdat ondanks aanmaning betaling hiervan uitbleef hebben de Brabant-vennootschappen [appellante] in rechte betrokken. Dit heeft geleid tot het thans bestreden vonnis, waarbij de in rechtsoverweging 2.2 genoemde vorderingen met rente en kosten zijn toegewezen. De in reconventie door [appellante] ingestelde tegenvordering van per saldo € 202,703,28 die was gebaseerd op verrekening, is daarbij afgewezen.

Het beroep op verrekening

3. Blijkens de memorie van grieven en de toelichting hierop bevatten de grieven in de kern een klacht over de afwijzing van het beroep op verrekening. Naast de grondslag nakoming heeft [appellante] in hoger beroep de grondslag onrechtmatige daad aan haar tegenvordering toegevoegd. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Niet in geschil is dat de Brabant-vennootschappen de in rechtsoverweging 2.2 genoemde vorderingen op [appellante] hebben. [appellante] vindt echter dat zij niet tot betaling verplicht is omdat zij een grotere tegenvordering op de Brabant-vennootschappen heeft.

Deze tegenvordering is door [appellante] toegelicht in productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie.

5. Volgens deze productie heeft [appellante] naar haar zeggen een vordering van

€ 775.828,68 op [X], terwijl [X] een tegenvordering op [appellante] heeft van

€ 573.125,40. Per saldo komt [appellante] dan uit op genoemd bedrag van

€ 202.703,28.

In deze hele opstelling is slechts één post direct te herleiden tot de Brabant-vennootschappen, en wel voormelde vordering van de Brabant-vennootschappen op [appellante] van € 115.021,90. De overige vorderingen en tegenvorderingen hebben, naar het hof begrijpt, geheel of grotendeels te maken met de samenwerking indertijd tussen [appellante] enerzijds en JMS dan wel [X] anderzijds, alsmede met de vennootschap Etui B.V., waarin zowel [appellante] als [X] (dan wel JMS) participeerden.

6. Desondanks acht [appellante] de Brabant-vennootschappen verbonden voor deze tegenvordering van [appellante] van in totaal € 775.828,68. [appellante] stelt daartoe primair (zakelijk weergegeven) dat uit de achterliggende handelshistorie met de [X]-familie (NIVO, JMS, Etui) blijkt dat over en weer werd verrekend, ongeacht de facturerende vennootschap. Tussen bedoelde partijen bestond, aldus nog steeds [appellante], de afspraak dat vorderingen van het ene concern enerzijds werden verrekend met vorderingen op het andere concern anderzijds zonder daarbij onderscheid te maken tussen de respectieve vennootschappen waaruit deze concerns bestonden. Na het faillissement van de JMS-vennootschappen zijn de projecten waaraan partijen werkten (ASWH , Bedrijfshal Barendrecht) voortgezet door [X], althans aan hem gerelateerde vennootschappen waarbij [X] factureerde namens de Brabant-vennootschappen waarmee [X] verder ging. Partijen keken daarbij niet aan welke vennootschap een vordering moest worden toebedeeld. De JMS-vennootschappen zijn feitelijk doorgezet/doorgestart in de Brabant-vennootschappen, die beide een week na het faillissement van de JMS-vennootschappen zijn opgericht. Alles bleef verder bij hetzelfde (inclusief de voormelde verrekenafspraak), zij het dat formeel een aantal andere vennootschappen is opgericht (de Brabant-vennootschappen). De omstandigheid dat de Brabant-vennootschappen formeel juridisch andere entiteiten zijn doet daar, aldus nog steeds [appellante], niets aan af. Juridisch is het overnemen van de positie van de JMS-vennootschappen te duiden als hetzij schuldovernemingen (ex artikel 6:155 BW), hetzij contractsoverneming(en) ex artikel 6:159 BW. De rechten en plichten van de JMS-vennootschappen zijn derhalve volgens [appellante] overgegaan op de Brabant-vennootschappen, inclusief de daarbij horende verrekenafspraken.

Mochten de Brabant-vennootschappen willen betogen dat zij niet de wil hebben gehad om zich aldus te binden, dan stelt [appellante] subsidiair dat er sprake is van een bij haar gewekt gerechtvaardigd vertrouwen.

7. De Brabant-vennootschappen voeren gemotiveerd verweer. Zij stellen dat de Brabant-vennootschappen uitsluitend enkele projecten die de JMS-vennootschappen vanwege hun faillissement niet hebben kunnen afmaken, hebben afgewerkt. Voor het overige hebben de Brabant-vennootschappen niets met de JMS-vennootschappen te maken. Wél is [X] in dienst bij de Brabant-vennootschappen en met name belast met de projectcoördinatie.

De Brabant-vennootschappen betwisten dat de gestelde overall verrekenafspraak bestond tussen het [appellante]-concern en de JMS-vennootschappen. Zo een dergelijke verrekenafspraak zou hebben bestaan, dan is deze niet van toepassing op de Brabant-vennootschappen. In ieder geval hebben de Brabant-vennootschappen geen afspraak ter zake hiervan gemaakt met [appellante].

8. In het midden kan blijven of er tussen [appellante] en de JMS-vennootschappen een "overall"-verrekenafspraak heeft bestaan, nu door [appellante] onvoldoende is gesteld om het oordeel te dragen dat de Brabant-vennootschappen aan deze afspraak zijn gebonden.

Vast staat immers dat de Brabant-vennootschappen nieuwe juridische entiteiten zijn met een andere leiding, te weten [Y] als directeur/grootaandeelhouder. Van een betrokkenheid van [X] daarbij, anders dan als werknemer en projectcoördinator, is niet gebleken. De stelling van [appellante] dat na het faillissement van de JMS-vennootschappen het project is voortgezet door [X], althans aan hem gerelateerde vennootschappen waarbij [X] factureerde namens de Brabant-vennootschappen waarmee [X] verder ging, is in tegenspraak met de vaststaande feiten en is daartoe in de gegeven omstandigheden in ieder geval onvoldoende. Er is geen enkele objectieve aanwijzing dat [X] juridisch de zaken van JMS-vennootschappen heeft voortgezet.

De enkele omstandigheid dat de Brabant-vennootschappen door tussenkomst van [X] bouwactiviteiten van de failliete JMS-vennootschappen hebben overgenomen is ontoereikend om daaruit de wil van de Brabant-vennootschappen te destilleren om ook de (oude) schulden van de JMS-vennootschappen aan [appellante] over te nemen. Er is ook geen enkele gegronde reden aangevoerd waarom de Brabant-vennootschappen daartoe bereid zouden zijn geweest. Van een deugdelijke vastlegging hiervan is bovendien niets gesteld of gebleken. Reeds hierom faalt het beroep op artikel 6:159 BW.

Het hof onderschrijft verder hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 7.11 van het bestreden vonnis heeft overwogen. Hiermee ontvalt ook de grondslag aan de gestelde schuldoverneming van artikel 6:155 BW.

De primaire stelling van [appellante] wordt verworpen.

9. De subsidiaire stelling van [appellante] wordt eveneens verworpen.

[appellante] betoogt dat er sprake was van een geruisloze overgang van de JMS-vennootschappen naar de Brabant-vennootschappen, waarbij alles hetzelfde bleef en waarbij [X] communiceerde vanaf het e-mailadres van de Brabant-vennootschappen, zodat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat ook de schulden en geldende afspraken werden overgenomen. Zij voegt hieraan toe dat er aanvankelijk ook geen aanmaningen werden gestuurd door de Brabant-vennootschappen, terwijl [X] de contactpersoon bleef. Daarnaast vraagt [appellante] zich af op welke rechtsgrond de Brabant-vennootschappen dan anders hebben gehandeld (bij haar werkzaamheden).

10. Niet in geschil is dat de Brabant-vennootschappen bij de werkzaamheden (aan met name de Bedrijfshallen in Barendrecht) als contractspartij van [appellante] hebben te gelden en dat [Y] de bestuurder was van de Brabant-vennootschappen. Zo er al enige toezeggingen door de intermediair [X] zouden zijn gedaan jegens [appellante] - dit wordt overigens betwist - dan nog valt niet in te zien waarom hiermee door de Brabant-vennootschappen het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt (ex artikel 3:61, tweede lid, BW) dat schulden van JMS-vennootschappen zouden worden voldaan. Enkel stilzitten in die zin dat aanvankelijk geen facturen werden verzonden, is daartoe onvoldoende, evenals de omstandigheid dat [X] het e-mailadres van de Brabant-vennootschappen gebruikte.

Hier komt (nog) bij dat moet worden aangenomen dat kennisneming van het handelsregister duidelijkheid had kunnen verschaffen over de werkelijke machtsverhoudingen binnen de Brabant-vennootschappen, terwijl bovendien, zoals reeds in rechtsoverweging 8 overwogen, er ook geen enkele gegronde reden is aangevoerd waarom de Brabant-vennootschappen deze (oude) schulden zouden hebben willen overnemen, laat staat dat [appellante] daarop zou hebben mogen vertrouwen.

Slotsom

11. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] geen nakoming kan vorderen van de gestelde verrekenafspraak. Het samenstel van de door [appellante] gestelde feiten levert evenmin een onrechtmatige daad op, zodat deze nadere grondslag eveneens faalt.

De beslissing van de rechtbank dient, gelet op het voorgaande, in stand te blijven. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu [appellante] onvoldoende concrete relevante feiten heeft gesteld die kunnen bijdragen aan de beslissing in deze zaak. De grieven falen, althans hoeven verder niet meer afzonderlijk te worden besproken. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Brabant-vennootschappen tot op heden begroot op € 3.450,-- aan verschotten en

€ 3.263,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.L. Vierhout en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2010 in aanwezigheid van de griffier.