Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3059

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
22-004759-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht tot strafvordering ten aanzien van de tenlastegelegde feiten vervallen wegens verjaring: OM niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004759-09

Parketnummer: 09-073100-02

Datum uitspraak: 9 maart 2010

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

26 februari 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis in eerste aanleg zal worden vernietigd en dat het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2001 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht;

2.

hij op of omstreeks 04 oktober 2001 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was;

3.

hij op of omstreeks 04 oktober 2001 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (auto) met het kenteken [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot geldboetes van respectievelijk EUR 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis, EUR 200,- subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis en EUR 325,- subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte overweegt het hof het volgende.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 1 tenlastegelegd dat hij zich op 4 oktober 2001 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Dit feit is een misdrijf waarvoor ingevolge artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994 een gevangenisstraf van ten hoogste 3 maanden kan worden opgelegd. Het recht tot strafvordering met betrekking tot voornoemd misdrijf vervalt door verjaring ingevolge artikel 70, eerste lid, onder 2° van het Wetboek van Strafrecht in zes jaren.

Voorts is aan de verdachte bij inleidende dagvaarding onder 2 en 3 tenlastegelegd dat hij zich op 4 oktober 2001 schuldig heeft gemaakt aan respectievelijk de overtreding van artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en aan de overtreding van artikel 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Het recht tot strafvordering met betrekking tot voornoemde overtredingen vervalt door verjaring ingevolge artikel 70, eerste lid, onder 1° van het Wetboek van Strafrecht - zoals dit tot 1 februari 2008 luidde - in twee jaren.

Blijkens de stukken van het geding is de inleidende dagvaarding op 7 januari 2003 aan de griffier betekend, waarna op 26 februari 2003 bij verstek uitspraak is gedaan door de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage. De eerstvolgende daad van vervolging vond plaats op 6 januari 2010 door de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Nu tussen 26 februari 2003 en 6 januari 2010 meer dan respectievelijk zes en twee jaren zijn verlopen en de verjaring gedurende die periode niet is gestuit, is het recht tot strafvordering ten aanzien van de ten laste gelegde feiten vervallen, zodat het openbaar ministerie te dien aanzien niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. A.M.P. Gaakeer, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 maart 2010.