Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM2962

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
22-005717-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, meerdere malen gepleegd. Het beroep op noodweer(exces) van de verdachte faalt. Het hof heeft als straf 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005717-09

Parketnummer: 12-715317-09

Datum uitspraak: 22 maart 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 26 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1986,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Boschpoort" te Breda.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

8 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (hard) met (een gesp van) een riem op/tegen het hoofd en/of een/de be(e)n(en) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover terzake het onder 1 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Terneuzen, opzet-telijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (hard) met (een gesp van) een riem op/tegen het hoofd en/of een/de (be(e)n(en) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzet-telijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (zeer hard) met een stok/plank op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover terzake het onder 2 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juli 2009 te Terneuzen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzet-telijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (zeer hard) met een stok/plank op/tegen het hoofd en/of een/de be(e)n(en) en/of een/de arm(en) en/of het (overige) lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden met aftrek van voorarrest waarvan zeven maanden voor-waardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als vermeld in het vonnis.

Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

2 primair is tenlastegelegd, zodat -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden1

- In de vroege ochtend van 20 juli 2009 heeft in de woning van aangeefster te Terneuzen tussen haar en de verdachte een geweldsincident plaatsgevonden.2

- Verdachte heeft aangeefster hierbij eerst geslagen met een riem en vervolgens met een plank.3

- Het dossier bevat 12 kleurenfoto's van het letsel van aangeefster. Forensisch geneeskundige bij de Ggd te Zeeland, dr. J. Vrencken, heeft aangeefster op 20 juli 2009, omstreeks 11:00 uur, gezien. Hij heeft geconsta-teerd dat sprake was van meerdere huidletsels, kneu-zingen, bloeduitstortingen en schaafwonden over het hele lichaam verspreid en huidwonden aan hoofd en onderbeen. Hij heeft medische behandeling geïndiceerd geacht en heeft de herstelperiode op één week tot tien dagen geschat.4

Het standpunt van de advocaat-generaal

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is de

advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte, door aangeefster met een riem op het hoofd te slaan, willens en wetens de kans heeft aanvaard dat hij aangeefster aldus zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen, zodat naar zijn mening het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat de advocaat-generaal -anders dan het openbaar ministerie in eerste aanleg en de rechtbank- van oordeel is dat het slaan met de metalen gesp buiten beschouwing dient te blijven omdat de politie geen nader onderzoek heeft gedaan naar de zoekgeraakte gesp.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is de advocaat-generaal -anders dan het openbaar ministerie in eerste aanleg en de rechtbank- van oordeel dat het dossier geen opheldering geeft omtrent de aard van de plank waarmee de verdachte de aangeefster geslagen heeft, zodat naar zijn mening het onder 2 primair tenlastege-legde niet bewezen kan worden. De advocaat-generaal is van oordeel dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de raadsvrouw

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte op geen enkel moment de bedoeling heeft gehad om aangeefster pijn te doen. Hij had niet het opzet aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hij heeft de riem alleen gebruikt om aangeefster van zich af te weren. Namens de verdachte wordt daarom verzocht hem van het onder 1 primair tenlastegelegde vrij te spreken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte verklaard heeft

dat de plank niet in een andere kamer lag, maar dat deze in de slaapkamer was waar het geweldsincident plaatsvond. Hij is dus niet naar een andere kamer gelopen om de plank te pakken. De verdachte heeft nimmer het opzet gehad op de dood van aangeefster of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door de verdachte niet met kracht is geslagen. Hij heeft de plank met links moeten hanteren, omdat hij zijn rechterhand flink had bezeerd en hij deze daarom niet kon gebruiken. Met zijn linkerhand kan verdachte minder kracht zetten dan met zijn rechterhand. Ook had hij aan die rechterhand een bloedende wond. De bloedspatten in de kamer zijn van die wond afkomstig. Zij kunnen, gezien de omschrijving daarvan in de letselomschrijving van de Ggd, niet van de hoofdwond van aangeefster afkomstig zijn. Voorbedachte raad is niet aan de orde, want verdachte en aangeefster waren aan het bekvechten. De verdediging heeft verzocht verdachte van feit 2 vrij te spreken.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft erkend dat hij met de riem in zijn hand heeft rondgezwaaid en dat hij aangeefster wel met de riem heeft geraakt. Hij heeft naar zijn zeggen niet gezien waar hij haar heeft geraakt, omdat het donker was.5 Het hof gaat er op grond van de verklaring van aangeefster, het ontbreken van de gesp bij het deel van de in beslag genomen riem en de kleurenfoto's van het letsel van aangeefster vanuit dat verdachte de aangeef-ster heeft geslagen met dat deel van de riem.

Het hof overweegt dat de precieze hoedanigheid van de gesp niet is komen vast te staan zodat de verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat, door te slaan met een riem en met name door de kracht, de intensiteit en het aantal malen dat de verdachte geslagen heeft terwijl het donker was en hij dus niet goed kon zien waar hij sloeg, de verdachte het risico heeft genomen dat hij aangeefster op bijzonder kwetsbare delen van het lichaam, zoals het hoofd, zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. De aangeef-ster heeft immers verklaard dat de verdachte met de riem hard op haar beide benen en hoofd heeft geslagen.6

Het hof is van oordeel dat verdachte, door met een riem met kracht in de richting van het hoofd van aangeefster te slaan, door deze riem rond te zwaaien in de nabijheid van aangeefster, terwijl het donker was, hiermee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster aldus zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen.

Het hof acht derhalve het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof het volgende.

Door te slaan met een plank van de afmeting waarvan in dit geval sprake was, terwijl het donker was en verdachte dus niet goed kon zien waar hij sloeg, heeft verdachte het aanmerkelijke risico genomen dat hij aangeefster op kwetsbare delen van het lichaam, zoals het hoofd, zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Aangeefster heeft immers verklaard dat de plank op haar hoofd terecht is gekomen.

Het dossier geeft echter geen opheldering omtrent de precieze hoedanigheid van de plank zodat -naar het oordeel van het hof- onvoldoende is komen vast te staan dat er ook een aanmerkelijke kans was dat de aangeefster daardoor zou komen te overlijden.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat, door te slaan met een plank en met name door de kracht, de intensiteit en het aantal malen dat de verdachte geslagen heeft terwijl het donker was en hij dus niet goed kon zien waar hij sloeg, de verdachte het risico heeft genomen dat hij aangeefster op kwetsbare delen van het lichaam, zoals het hoofd, zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd.

Dat de verdachte kennelijk erg hard met de plank heeft geslagen leidt het hof, naast de aangifte, af uit het letsel aan het lichaam en het hoofd van aangeefster, zoals dat te zien is op de kleurenfoto's in het dossier en zoals dat blijkt uit de letselomschrijving door de Ggd. De stelling dat de verdachte niet hard kon slaan, omdat hij met zijn linkerhand de plank vast had, volgt het hof dan ook niet. In dit licht overweegt het hof dat niet relevant is van wie de bloedspatten op de muur afkomstig zijn.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte, door met een plank met kracht in de richting van het hoofd van aangeefster te slaan, door deze plank rond te zwaaien in de nabijheid van aangeefster, terwijl het donker was, hiermee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster aldus zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen. Het hof acht derhalve het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 juli 2009 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, (hard) met een riem op het hoofd en de benen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 20 juli 2009 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzet-telijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, (zeer hard) met een plank op het hoofd en het (overige) lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Door en namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer(exces). De verdachte heeft verklaard dat hij de riem alleen heeft gebruikt om aangeefster van zich af te weren. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte zich moest verdedigen tegenover aangeefster.

Het hof overweegt het volgende.

Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf door aangeefster. Indien daarvan al sprake zou zijn, dan heeft de verdachte -naar het oordeel van het hof- door zijn bewezenverklaarde handelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig overschreden, dat hierop geen gerechtvaardigd beroep kan worden gedaan.

Voor zover al sprake zou zijn van een belaging door aangeefster van verdachte is het hof van mening dat niet aannemelijk is geworden dat de fysiek zwakkere aangeef-ster, die zich geplaatst zag tegenover een met een riem en een plank gewapende verdachte, een zodanige bedreiging zou hebben gevormd voor de verdachte dat hij genoodzaakt was tot het gebruiken van fors fysiek geweld om zichzelf te beschermen, zodat geen sprake kan zijn van noodweer of noodweerexces. Ook had verdachte kunnen vluchten, zoals blijkt uit de omstandigheid dat hij kennelijk ook zich heeft kunnen verwijderen om de plank te pakken.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van een noodweersituatie, en het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.

Evenmin is er een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als vermeld in de vordering. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat zal worden beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in de vordering.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Hij heeft zijn vriendin in haar eigen woning meermalen mishandeld door haar met een riem en een plank op het hoofd en overige lichaamsdelen te slaan. Aldus heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengen dergelijke gewelds-delicten gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de samenleving. Eén en ander klemt in de onderhavige zaak des te meer nu het slachtoffer in haar eigen huis is mishandeld, de plaats waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2010, is de verdachte reeds eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf strekt er mede toe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

Beslag

1. Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze onder de nummers 1 en 2 vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

2. Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit onder nummer 3 vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten aangeefster.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat de verdachte gaat wonen bij of via Stichting Door te Vlissingen en dat de verdachte een behandeltraject ter voorkoming van huiselijk geweld volgt bij De Waag, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Verklaart verbeurd de voorwerpen zoals deze onder de nummers 1 en 2 vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten aangeefster, van het voorwerp zoals dit onder nummer 3 vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door

mrs. A.H. de Wild, S. van Dissel en T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 maart 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het "proces-verbaal", betreft dit het door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, district Zeeuwsch-Vlaanderen, wijkteam Terneuzen Oost, registratienummer [registratienummer], gesloten en ondertekend 22 juli 2009, en de daarbij gevoegde bijlagen. Het proces-verbaal is niet voorzien van paginanummers.

2 Zie blad 1 en 2 van de aangifte d.d. 20 juli 2009 en blad 2 en 3 van de verklaring van verdachte d.d. 21 juli 2009 in het proces-verbaal.

3 Zie blad 1 en 2 van de aangifte d.d. 20 juli 2009, blad 2 en 3 van de verklaring van verdachte d.d. 21 juli 2009 en de kleurenfoto's van de inbeslaggenomen plank en het deel van een riem in het proces-verbaal.

4 Zie formulier 'omschrijving letsel' van de Ggd Zeeland, opgemaakt door dr. J. Vrencken op 20 juli 2009 in het proces-verbaal.

5 Zie blad 2 en 3 van de verklaring van verdachte d.d. 21 juli 2009 in het proces-verbaal.

6 Zie blad 2 van de aangifte d.d. 20 juli 2009 in het proces-verbaal.