Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM2549

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
BK-09/00644
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enig geldbedrag heeft betaald specifiek voor het levensonderhoud van zijn zoon [A] en dochter [B].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00644

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 30 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2009, nummer AWB 08/4154 IB/PVV, betreffende de door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij aanslag van 20 december 2007, aanslagnummer [xxxx.xx.xxx.xxx], is door de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.887.

1.2. Het tegen deze aanslag door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is bij uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 25 april 2008 afgewezen.

1.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 februari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1946 en is gehuwd met mevrouw [Y]. De echtgenote van belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1956 en woont in Irak met hun vier kinderen.

3.2. Belanghebbende ontving in 2005 een uitkering van de gemeente [Z]. Deze uitkering bedroeg € 13.445. De ingehouden loonheffing bedroeg € 2.732.

3.3. Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen van € 8.981 aangegeven. Op zijn inkomen heeft hij € 2.640 in aftrek gebracht wegens kosten van levensonderhoud voor zijn zoon, [A], geboortedatum [dag en maand] 1978 en voor zijn dochter, [B], geboortedatum [dag en maand] 1976. Tevens heeft hij € 1.824 is aftrek gebracht aan ziektekosten. De Inspecteur heeft het aangegeven belastbaar inkomen bij de aanslagregeling gecorrigeerd en daarbij € 266 minder aan persoonsgebonden aftrek wegens ziektekosten in aanmerking genomen en € 2.640 minder in aanmerking genomen aan aftrek voor kosten van levensonderhoud.

3.4. Tot de gedingstukken behoort een schriftelijke verklaring met dagtekening 11 oktober 2005 van [C], de vader van belanghebbende, waarin hij verklaart dat hij USD 3.750 heeft ontvangen van belanghebbende ten behoeve van de kosten van levensonderhoud van diens kinderen [B] en [A]

3.5. Tevens behoort tot de gedingstukken een vertaalde ambtelijke verklaring, met dagtekening 6 april 2003, waarin - voor zover hier van belang - het volgende is opgenomen:

'Hierbij bevestigen wij dat mevrouw [Y], niet heeft gewerkt en geen financiële ondersteuning heeft gehand. Zij is samen met haar kinderen [D], [E], [B] en [A] volledig financieel afhankelijk van haar echtgenoot: [belanghebbende] die in Nederland verblijft.

Op haar verzoek hebben wij deze verklaring verstrekt.

Hoogachtend,

Mokhtar van de wijk [Q]

Rechtbank [R]

(...)'

3.6. Belanghebbende heeft een aankoopnota buitenlands geld overgelegd van 25 maart 2005 waarin een bedrag van 4000 USD is opgenomen tegen een wisselkoers van 1,226200, hetgeen een Eurobedrag oplevert van € 3.262,11. Aan kosten is € 65,24 in rekening gebracht, zodat de totale aankoopkosten € 3.327,35 bedragen. Tevens behoort tot de gedingstukken een aankoopnota voor 200 USD tegen dezelfde wisselkoers, hetgeen omgerekend € 163,11 is. Aan kosten is € 3,40 in rekening gebracht , zodat de totale kosten € 166,51 bedragen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4. In geschil is of het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag van € 2.640 wegens kosten van levensonderhoud ten onrechte door de Inspecteur in aftrek is geweigerd, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur gemotiveerd bestrijdt.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het vaststellen van de aanslag naar een belastbaar inkomen van € 9.247.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Belanghebbende stelt dat hij in totaal een bedrag van 3.750 USD heeft betaald voor het levensonderhoud van zowel zijn zoon [A] en dochter [B].

6.2. Het Hof hecht geloof aan de verklaring opgenomen onder 3.5 hiervoor, welke, zakelijk weergegeven luidt, dat belanghebbende zijn gezin, bestaande uit vrouw en vier kinderen onderhoudt. Hiervan uitgaande acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende het onder 6.1 vermelde bedrag betaalde in het kader van dat onderhoud, zodat het strekte tot het onderhouden van zijn vrouw en vier kinderen.

6.3. In het voorgaande ligt besloten dat het Hof geen geloof hecht aan de verklaring onder 3.4 en die terzijde stelt.

6.4. Het overwogene onder 6.3 leidt er toe dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij enig geldbedrag heeft betaald specifiek voor het levensonderhoud van zijn zoon [A] en dochter [B]. Het hoger beroep dient derhalve te worden verworpen.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Th. Groeneveld en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 30 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.