Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM2546

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
105.004.649-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure; vragen van causalitiet en eigen schuld; beroepsfout fiscaal gemachtigde; verzuim tijdig griffierecht te betalen en gronden van beroep aan te vullen; maatstaf schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

uitspraak: 27 april 2010

zaaknummer: 105.004.649/01

zaaknummer rechtbank: 217575

Arrest van de eerste civiele kamer

in de zaak van:

Hertas B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna: Hertas,

advocaat: onttrokken (voorheen: mr. E.J.P. Nolet te 's-Gravenhage),

tegen:

de stichting Stichting Woonbron,

voorheen: Stichting Volkshuisvestingsgroep WoonbronMaasoevers,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

hierna: Woonbron,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage.

Het geding

Het hof verwijst voor het verloop van het geding allereerst naar zijn tussenarrest in deze zaak van 14 oktober 2008. In dit arrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verstrekken. Hertas heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Haar procesvertegenwoordiger heeft zich ter zitting van 25 november 2008 aan een verdere behandeling van de zaak onttrokken. Hierna heeft Woonbron bij akte aan het verzoek om nadere inlichtingen gevolg gegeven. Tot slot heeft Woonbron haar procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. Het hof zal de hierna vermelde bedragen op hele euro's afronden.

2. In het tussenvonnis in deze zaak van 28 september 2005 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld bij akte nadere inlichtingen over haar stellingen en weren in de procedures in conventie en in reconventie te verstrekken. In conventie had Hertas een vordering tegen Woonbron ingesteld op grond van onbetaald gelaten facturen en in reconventie had Woonbron tegen Hertas een vordering ingesteld tot - onder meer - ongedaanmaking van de door haar betaalde facturen tot € 32.866 en tot schadevergoeding op grond van wanprestatie door Hertas.

3. In het eindvonnis van 8 februari 2006 heeft de rechtbank de vordering van Hertas in conventie afgewezen en in reconventie in rechtsoverweging 2.18 geoordeeld dat Hertas jegens Woonbron wanprestatie heeft gepleegd, zodat Woonbron gerechtigd was om de betrokken overeenkomst met Hertas te ontbinden. Als uitvloeisel hiervan heeft de rechtbank de vordering tot ongedaanmaking toegewezen en Hertas veroordeeld tot terugbetaling van € 32.866 aan Woonbron. De vordering tot schadevergoeding heeft de rechtbank echter afgewezen op de grond dat Woonbron niet aannemelijk had gemaakt dat zij als gevolg van de wanprestatie door Hertas schade heeft geleden (rechtsoverweging 2.21).

principaal beroep

4. In het tussenarrest heeft het hof de grieven van Hertas in het principaal beroep tegen het door haar bestreden tussenvonnis en eindvonnis verworpen.

incidenteel beroep

5. In het incidenteel beroep heeft het hof in rechtsoverweging 12 in het tussenarrest geoordeeld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat het beroep bij de belastingkamer van het hof tegen twee uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk zou zijn verklaard, als Woonbron of haar gemachtigde de betrokken stukken of gegevens onverwijld bij het hof had ingediend na de afwijzing van het verzoek om de gronden van het beroep aan te vullen.

6. In rechtsoverweging 14 in het tussenarrest heeft het hof overwogen nadere inlichtingen te verlangen omtrent de twee verzetprocedures over de twee beroepen die door het hof niet-ontvankelijk waren verklaard wegens het niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht. In dit verband heeft het hof overwogen dat door Woonbron is gesteld dat de verzetprocedures bij voorbaat kansloos waren, hetgeen door Hertas is betwist. Woonbron is gevraagd te reageren op deze betwisting door Hertas en op de stelling van Hertas dat Woonbron de betrokken verzetprocedures een week voor de zitting heeft ingetrokken zonder Hertas hierover te informeren. Tevens is Woonbron gevraagd de door haar gestelde schade kort toe te lichten op grond van het achterwege blijven van een inhoudelijke beslissing in de twee beroepen die tot de verzetprocedures hebben geleid. Hertas is gevraagd om alsnog een kopie van de verzetschriften in het geding te brengen.

7. In haar akte heeft Woonbron naar aanleiding van het verzoek om nadere inlichtingen het volgende, voor zover van belang, naar voren gebracht:

a. Uit de brief van de griffier van de belastingkamer van het hof van 18 juni 2003 aan Deibel Advies blijkt dat de door het hof bedoelde stukken of gronden niet tijdig zijn ingediend. Deze stukken of gronden zijn vervolgens ook niet onverwijld door Deibel Advies ingediend. Op 16 februari 2004 heeft Woonbron de samenwerkingsovereenkomst met Hertas ontbonden en heeft zij de zaak aan een andere gemachtigde in behandeling gegeven. Van het alsnog onverwijld aanvoeren van gronden kon toen geen sprake meer zijn.

b. De griffier van het hof verzoekt een belanghebbende per aangetekende brief om het verschuldigde griffierecht binnen een bepaalde termijn te betalen. De belanghebbende wordt in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard als hij niet binnen deze termijn heeft betaald. Hertas heeft tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring verzetschriften ingediend zonder hierover met Woonbron overleg te plegen. Woonbron heeft de verzetschriften nooit ontvangen. Het is haar daarom niet bekend of de verzetschriften gronden bevatten of dat deze gronden tijdig zijn aangevuld.

c. In de schadestaatprocedure moet worden bezien of en in hoeverre de namens Woonbron aanhangig gemaakt procedures bij de belastingkamer van het hof succesvol zouden zijn verlopen als deze tijdig waren gemotiveerd en het griffierecht tijdig was betaald. Zo nodig kan hierbij een deskundige worden ingeschakeld. Het te verwachten resultaat kan dan worden vergeleken met het door Woonbron behaalde onderhandelingsresultaat. Uit het verschil kan vervolgens de schade worden afgeleid. De mogelijkheid dat Woonbron een beter resultaat zou hebben behaald in een deskundig gevoerde procedure dan in rechtstreekse onderhandelingen met de gemeente, is aannemelijk. Hertas heeft zich ook altijd op het standpunt gesteld dat de procedures kansrijk waren. Onder deze omstandigheden hoeven er in dit stadium geen goede en kwade kansen te worden berekend omdat partijen in deze procedure het erover eens zijn dat de belastingprocedures succesvol zouden zijn verlopen.

8. In het tussenarrest is Hertas gevraagd om alsnog een kopie van de door haar ingediende verzetschriften in het geding te brengen. Hertas heeft aan dit verzoek niet voldaan, terwijl haar procesvertegenwoordiger zich aan de verdere behandeling van de zaak heeft onttrokken. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het verzet niet tot een positief resultaat zou hebben geleid in de zin dat het verzuim om tijdig het verschuldigde griffierecht te betalen hiermee zou zijn hersteld.

9. Voor een schadestaatprocedure is vereist en voldoende dat de betrokken partij in de procedure waarin over de aansprakelijkheidsvraag wordt beslist, de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. Uit hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 8 heeft overwogen vloeit voort dat Woonbron aan deze voorwaarde heeft voldaan. Vooralsnog kan ervan worden uitgegaan dat er een aanmerkelijke kans is dat de belastingprocedures met een voor Woonbron gunstig resultaat zouden zijn verlopen als de beroepen tijdig door Hertas waren gemotiveerd en het griffierecht tijdig door Hertas was betaald. Immers, aangenomen moet worden dat Hertas alleen tot het instellen van de beroepen is overgegaan omdat hieruit een voor Woonbron gunstig resultaat was te verwachten. Hetgeen Woonbron in dit verband in haar akte naar voren heeft gebracht, in het bijzonder hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7 a en b is weergegeven, acht het hof aannemelijk. Hieruit vloeit voort dat de veronderstelling waarvan het hof in rechtsoverweging 12 van zijn tussenarrest is uitgegaan in deze zin kan worden genuanceerd dat het Woonbron zelf niet valt te verwijten dat de betrokken gegevens of stukken niet onverwijld na de betrokken brief van de griffie zijn ingediend.

10. Of Woonbron de door haar gestelde schade als gevolg van de wanprestatie door Hertas heeft geleden zal uiteindelijk in de schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld, nadat Woonbron zo nodig in de gelegenheid is gesteld hiervoor afdoende bewijs te leveren. In deze procedure kunnen tevens (verdere) vragen van causaliteit en eigen schuld aan de orde komen. De vraag of tot de door Woonbron gestelde schade ook de € 18.165 kan worden gerekend wegens de door mr. Stuij verrichte en gefactureerde werkzaamheden, dient eveneens in de schadestaatprocedure te worden beantwoord. Het antwoord op deze vraag hangt (mede) af van de vraag of de door Hertas namens Woonbron ingestelde beroepen tot een voor Woonbron gunstig resultaat zouden hebben geleid. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.24 in het eindvonnis in dit verband heeft overwogen.

slotsom

11. De voorgaande rechtsoverwegingen brengen het hof tot de volgende slotsom. Het principaal beroep is ongegrond. Dit betekent dat het door Hertas bestreden tussenvonnis dient te worden bekrachtigd. Het incidenteel beroep is wel doeltreffend. Dit betekent dat het eindvonnis dient te worden vernietigd, voor zover hierin de vordering in reconventie tot schadevergoeding is afgewezen en voor zover het de compensatie van de proceskosten betreft. Het hof zal deze vordering tot schadevergoeding alsnog toewijzen.

12. Hertas zal de kosten van het principaal beroep en incidenteel beroep hebben te dragen nu zij in deze procedures in het ongelijk wordt gesteld. Dit geldt eveneens voor de kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het bestreden tussenvonnis;

- vernietigt het bestreden eindvonnis in reconventie, voor zover de rechtbank de vordering van Woonbron tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, heeft afgewezen en voor zover de rechtbank de kosten van de procedure in eerste aanleg heeft gecompenseerd;

- veroordeelt Hertas tot vergoeding van de door Woonbron geleden schade als gevolg van de wanprestatie door Hertas, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt Hertas in de kosten van het geding in reconventie in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 2.842;

- veroordeelt Hertas in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 4.616 in het principaal beroep en op € 2.308 in het incidenteel beroep;

- verklaart dit arrest, voor zover het deze veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. Vierhout, A.V. van den Berg en T.H. Tanja-van den Broek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2010 in het bijzijn van de griffier.