Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1885

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
22-000668-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met haar toenmalige partner schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals hiervoor omschreven. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de juistheid en authenticiteit van dergelijke documenten ernstig geschaad. Het hof neemt het de verdachte bovendien bijzonder kwalijk dat door haar handelwijze het hoogbejaarde en van de hulp van de verdachte afhankelijke slachtoffer financieel is benadeeld. Daarvoor kan rechtens geen enkele rechtvaardiging gelden. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000668-09

Parketnummers: 09-655355-08 en 09-660056-07 (TUL)

Datum uitspraak: 17 maart 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

29 januari 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedatum] 1967,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 november 2009 en 3 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 15 december 2007 tot en met 01 februari 2008, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) girobetaalkaart(en) van de Postbank, gesteld ten name van [slachtoffer] als houder van een girorekening als daarop vermeld, zijnde (een) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst door (telkens) opzettelijk valselijk op die girobetaalkaart(en) een geldbedrag in te vullen en/of deze te ondertekenen met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de houder van die girorekening, zulks (telkens) met het oogmerk om die aldus valselijk opgemaakte girobetaalkaart(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts is de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 09-660056-07 toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 15 december 2007 tot en met 01 februari 2008, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander een girobetaalkaart van de Postbank, gesteld ten name van [slachtoffer] als houder van een girorekening als daarop vermeld, zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door opzettelijk valselijk op die girobetaalkaart een geldbedrag in te vullen en deze te ondertekenen met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de houder van die girorekening, zulks met het oogmerk om die aldus valselijk opgemaakte girobetaalkaart als echt en onvervalst door een ander te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities aangevoerd dat de bijdrage van de verdachte aan de tenlastegelegde valsheid in geschrift in rechte moet worden aangemerkt als "medeplichtigheid" en niet als "medeplegen".

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast.

De verdachte heeft tijdens haar werkzaamheden in het verzorgingstehuis [X] te 's-Gravenhage een lege Postbank-overschrijvingskaart uit de kamer van het slachtoffer [slachtoffer] meegenomen. Zij heeft dit gedaan nadat haar toenmalige partner [mededader] haar daar - meermalen - om had gevraagd, en terwijl zij wist dat [mededader] met de handtekening van [slachtoffer] en de overschrijvingskaart ten behoeve van zichzelf geld wilde overmaken. Op een eerder moment had zij, op verzoek van [mededader], een door het slachtoffer ondertekende overschrijvingskaart meegenomen omdat [mededader] de handtekening van het slachtoffer nodig had. De verdachte heeft de lege overschrijvingskaart aan [mededader] gegeven, die vervolgens de handtekening van het slachtoffer heeft nagetekend en een bedrag van € 572,78 heeft over laten schrijven naar de rekening van de dochter van de verdachte. De verdachte, en niet haar dochter, had de beschikking over deze rekening.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [mededader] dat het handelen van de verdachte -anders dan de raadsvrouw heeft betoogd- in rechte moet worden aangemerkt als medeplegen van valsheid in geschrift.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte hooguit de diefstal van genoemde lege overschrijvingskaart kan worden verweten, verwerpt het hof gelet op het vorenoverwogene eveneens.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt, ook als dat inhoudt (voorzetting van de) behandeling bij De Waag.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met haar toenmalige partner schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals hiervoor omschreven. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de juistheid en authenticiteit van dergelijke documenten ernstig geschaad. Het hof neemt het de verdachte bovendien bijzonder kwalijk dat door haar handelwijze het hoogbejaarde en van de hulp van de verdachte afhankelijke slachtoffer financieel is benadeeld. Daarvoor kan rechtens geen enkele rechtvaardiging gelden.

Blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2010, is de verdachte eerder onder meer veroordeeld voor het plegen van een oplichting, welke zij - zoals ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan - tijdens haar werkzaamheden als bejaardenverzorgster heeft begaan. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overwegingen en het advies zoals geformuleerd in het rapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 24 februari 2010, opgemaakt en ondertekend door R. Feraaune, reclasseringswerker, en medeondertekend door M. Verburgt, leidinggevende.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof -gelet op voornoemd rapport- de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt, ook als dat inhoudt (voorzetting van de) behandeling door De Waag.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage

van 8 maart 2007 onder parketnummer 09-660056-07 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering is derhalve in principe gegrond.

Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 30 (dertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt, ook als dat inhoudt (voorzetting van de) behandeling door De Waag.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 8 maart 2007 onder parketnummer 09-660056-07 opgelegde voorwaardelijke straf af.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul, mr. I.P.A. van Engelen en mr. N.C. van Bellen, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2010.

Mr. N.C. van Bellen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.