Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1731

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
BK-09/00402
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De Inspecteur heeft op juiste gronden het teveel verrekende bedrag aan loonheffing nagevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-Gravenhage

Sector belasting

Nummer BK-09/00402

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 30 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 mei 2009, nr. AWB 07/9344 IB/PVV, betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.334 en bij beschikking een bedrag van € 120 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden, het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 februari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

3.1. Het Hof neemt de feiten over, zoals die door de rechtbank onder 3.3 tot en met 3.5 zijn vastgesteld. Voor eiseres dient gelezen te worden: belanghebbende, en voor verweerder: de Inspecteur.

3.3 Eiseres heeft over 2003 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan. In onderdeel 3a van de aangifte heeft eiseres onder "Ingehouden loonheffing" een bedrag van € 132,20 en onder "Loon" een bedrag van € 622,80 ingevuld. Bij de geautomatiseerde verwerking van de door eiseres ingediende aangifte is onder rubriek 3a per abuis een bedrag van € 622.180 als loon en een bedrag van € 132.120 als ingehouden loonheffing ingelezen.

3.4 Met dagtekening 4 juni 2004 is aan eiseres over 2003 een aanslag van € 181.779 opgelegd. Op 7 juni 2004 heeft eiseres daartegen aan de balie van het kantoor van verweerder bezwaar gemaakt. Het formulier "Bezwaar-verzoek ambtshalve vermindering" dat bij die gelegenheid door een medewerker van de belastingdienst namens eiseres is ingevuld vermeldt twee bedragen aan ingehouden loonheffing, € 1.848 en € 1.091. Bij de totaaltelling van de ingehouden loonheffing vermeldt het formulier een bedrag van € 2.131. De aanslag is op 29 juli 2004 tot nihil verminderd.

3.5 Bij de voorlopige aanslagregeling heeft verweerder vervolgens het bedrag van € 12.334 als belastbaar inkomen uit werk en woning in de belastingheffing betrokken. Bij de verrekening van de inhouden loonheffing met de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is verweerder uitgegaan van het totaal van de twee voormelde bedragen van € 1.848 en € 1.091, welke bij de verwerking automatisch zijn getotaliseerd tot € 2.939. Als gevolg hiervan heeft eiseres per saldo een bedrag van € 2.939 terugontvangen. De op 29 juli 2005 opgelegde definitieve aanslag bracht hierin geen verandering. Nadat verweerder is gebleken dat voor eiseres geen recht bestaat op uitbetaling van de heffingskortingen zodat de teruggaaf nooit meer kan bedragen dan de op de inkomsten ingehouden voorheffingen, heeft hij met dagtekening 6 juli 2007 een navorderingsaanslag opgelegd. Bij de navorderingsaanslag, die naar dezelfde grondslag is berekend als de voorlopige aanslagen en de definitieve aanslag, is de verrekening van het verschil tussen de verrekende voorheffing en de daadwerkelijk inhouden voorheffing, zijnde € 808 (€ 2.939 -/- € 2.131), teruggenomen. Dit leidde tot een door eiseres te betalen bedrag van € 808, vermeerderd met € 120 heffingsrente.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het de Inspecteur vrijstond een navorderingsaanslag op te leggen ter zake van de te veel verrekende loonheffing, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

Overwegingen omtrent het geschil

5.1. De rechtbank heeft het navolgende overwogen, waarbij voor eiseres gelezen dient te worden: belanghebbende, en voor verweerder: de Inspecteur.

3.9 Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) worden - voor zover hier van belang - de in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend met de aanslag. Ingevolge artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de AWR kan navordering mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend.

3.10 De rechtbank stelt vast dat de loonheffing is aan te merken als een voorheffing, zoals genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de AWR. De strekking van deze bepaling is dat fouten die bij verrekening van een voorheffing ten nadele van de fiscus zijn gemaakt, door navordering kunnen worden hersteld zonder dat daarvoor een nieuw feit is vereist (vergelijk HR 3 juni 1981, nr. 20 341, BNB 1981/199). Dat verweerder reeds bij het opleggen van de voorlopige aanslagen en de definitieve aanslag over de juiste loon- en loonheffingsgegevens beschikte is derhalve niet van belang voor de vraag of verweerder in de situatie van eiseres kan navorderen. Verweerder heeft dan ook op juiste gronden het teveel verrekende bedrag aan loonheffing nagevorderd. Slechts de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen aan de uitoefening van de bevoegdheid tot navordering in de weg staan (vergelijk HR 22 juni 1977, nr. 18 395, BNB 1977/284).

3.11 Voor zover in hetgeen eiseres aanvoert mede een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel besloten ligt, overweegt de rechtbank als volgt. Nu de consequenties van de bij de aanslagregeling gemaakte fouten uitputtend zijn geregeld in artikel 16 van de AWR is hier voor toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel geen plaats. Dit is niet anders indien de gemaakte fout voortkomt uit een door verweerder gekozen systeem van verwerking van aangiften waarbij het risico van niet onaanzienlijke fouten bewust wordt aanvaard (vergelijk HR 13 juli 1994, nr. 29 762, BNB 1994/278). Gelet hierop is in dit geval geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.12 Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat het motiveringsbeginsel is geschonden. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder verwijst in zijn uitspraak op bezwaar voor de motivering daarvan naar zijn brief d.d. 11 oktober 2007. In genoemde brief wordt de uitspraak op bezwaar naar behoren gemotiveerd. Voor zover in deze stelling van eiseres tevens het standpunt ligt besloten dat het primaire besluit, de navorderingsaanslag, onvoldoende gemotiveerd is, geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank door verweerder in zijn brief d.d. 19 februari 2007 eveneens voldoende is gemotiveerd.

5.2. Naar 's Hofs oordeel heeft de rechtbank met voormelde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Th. Groeneveld en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 30 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.