Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1622

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
200.029.132-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderbijdrage - draagkracht man en zijn vermogen. Wegens bijzondere omstandigheden wordt vermogen volledig meegenomen en is het aanvaardbaar dat de man daarop inteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 januari 2010

Zaaknummer : 200.029.132/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7599

[appellant],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam] te [plaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. Th. Meijer te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.P.J.M. van Ruijven te Naaldwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 23 maart 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 december 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 3 november 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 29 april 2009 en 16 september 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 11 december 2009 een faxbrief ingekomen waarin is medegedeeld dat zij de mondelinge behandeling niet zal bijwonen.

Op 18 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de advocaat van de vrouw. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de man, tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen met terugwerkende kracht tot

1 januari 2008, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren in 1995 te [geboorteplaats];

- [de minderjarige 2], geboren in 2003 te [geboorteplaats];

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De man verzoekt in principaal appel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bij beschikking van 29 juni 2007 door de rechtbank ’s-Gravenhage vastgestelde bijdrage ten laste van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2008 op nihil te stellen, subsidiair te verlagen tot een zodanig bedrag als de draagkracht van de man toelaat, rekening houdend met het steeds lager worden van zijn inkomen uit vermogen, waarbij tevens de jaarlijkse wettelijke indexering van de kinderalimentatie wordt uitgesloten.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt om het appel van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans de alimentatie vast te stellen op een bedrag als het hof juist acht, hoger dan nihil. In het voorwaardelijk incidenteel appel verzoekt de vrouw, voor het geval het hof de alimentatie vermindert, om de ingangsdatum van de vermindering te bepalen op de eerste van de maand volgend op de beschikking van het hof, dan wel te bepalen, dat de vrouw geen reeds ontvangen alimentatiebedragen zal behoeven terug te betalen.

Behoefte minderjarigen

4. De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, zodat die behoefte vaststaat. Hoewel de man ter terechtzitting heeft aangevoerd dat de vrouw thans ook inkomen genereert en inmiddels is gehuwd, heeft zijn advocaat expliciet verklaard daaraan geen consequenties ten aanzien van het aandeel van ieder van de ouders in de kosten van de minderjarigen te verbinden. Het hof zal dan ook deze stelling van de man passeren.

Draagkracht

5. Door de man is gesteld dat het niet redelijk is om rekening te houden met zijn rendement uit vermogen, aangezien hij in hoger beroep is gegaan van zijn strafrechtelijke veroordeling.

6. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de ouders van de vrouw door een handelen van de man om het leven zijn gekomen. Ongeacht de vraag, in hoeverre dit handelen niet volledig aan de man zou zijn toe te rekenen is het hof van oordeel, dat de minderjarigen daarvan in financieel opzicht in beginsel niet de dupe van behoren te worden. Onder deze omstandigheden acht het hof het derhalve redelijk rekening te houden met zijn vermogen.

7. Voorts heeft de man gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten die hij zelf heeft en met het feit dat hij aldus hoe dan ook inteert op zijn vermogen. Daarnaast stelt de man dat de rechtbank niet heeft bedoeld dat hij zou moeten interen op het vermogen. Tevens stelt de man dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de inflatie. De vrouw heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist.

8. Het hof is van oordeel dat de man heeft nagelaten om met verificatoire bescheiden zijn vermogenspositie te onderbouwen, zoals met de aangifte Inkomstenbelasting 2008, de bedragen die hij dient uit te keren aan de slachtoffers en met loonstroken van de inkomsten die hij verkrijgt voor zijn arbeid in de penitentiaire inrichting. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om aan te tonen dat hij de kinderalimentatie niet kan voldoen.

Hoewel in hoger beroep nog niet is beslist omtrent de verdeling van de huwelijks-goederengemeenschap van partijen, staat tussen partijen vast dat de man uit deze verdeling in ieder geval een bedrag van € 125.000,- zal verkrijgen en dit bedrag reeds onder zich heeft. De minderjarigen zijn thans veertien respectievelijk zes jaar oud. Gelet op deze leeftijd en de te betalen bijdragen is het totale bedrag van de door de man te betalen kinderalimentatie, totdat de minderjarigen de éénentwintigjarige leeftijd hebben bereikt, gezien dit vermogen, relatief laag. De man houdt dan nog altijd een aanzienlijk bedrag aan vermogen over. Het hof acht het in de onderhavige situatie aanvaardbaar dat voor zover het rendement uit vermogen niet toereikend is, hij zal interen op zijn vermogen.

9. Het hof acht geen gronden aanwezig om de wettelijk indexering over de door de man te betalen bijdragen uit te sluiten en wijst dit verzoek van de man af.

10. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Mink en Breederveld, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010.