Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1621

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
200.040.712/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

arbeid; ontslag op staande voet; hoger beroep kg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.040.712/01

Rolnummer rechtbank : 858958 \ CV EXPL 09-1468

arrest van de negende civiele kamer d.d. 6 april 2010

inzake

[de werknemer],

wonende te [Woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [de werknemer],

advocaat: mr. C.T.W. van Dijk te Utrecht,

tegen

Akvina B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Akvina,

advocaat: mr. J.A. Tersteeg te Alphen aan den Rijn.

Het geding

Bij exploot van 4 augustus 2009 is [de werknemer] in hoger beroep gekomen van het kort geding vonnis van 7 juli 2009 van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn (hierna: de Voorzieningenrechter), gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven, tevens houdende akte vermindering van eis, heeft [de werknemer] één grief aangevoerd en zijn eis verminderd.

Akvina heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

Tot slot hebben partijen onder overlegging van de stukken arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De kantonrechter heeft in de eerste drie volzinnen sub 2.1 enkel feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

2.1. [de werknemer], geboren op 1 juli 1950, is sedert 10 augustus 1981 in dienst van Akvina als productiemedewerker voor een (huidig) salaris van € 1.740,= bruto per maand.

2.2. [de werknemer] is bij brief van 17 april 2009 door Akvina op staande voet ontslagen. Die brief vermeldt de volgende reden:

"Ons is ter ore gekomen dat u gisteravond (16 april rond 20:00 uur) toen de medewerkers van Akvina na het werk het pand verlieten, op het parkeerterrein een van uw collega's, de heer [collega] met een mes heeft gestoken. Volgens ooggetuigen die wij hebben gesproken kwam de aanval uit het niets en was daar (ter plaatse) geen ruzie aan voorafgegaan.

De heer S. [collega] is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. U bent, zo hebben wij begrepen, afgelopen nacht door de politie opgehaald voor verhoor. Van uw dochter vernamen wij dat u nog in hechtenis bent, reden waarom u vandaag niet op het werk bent verschenen.

Nu u uw collega de heer S. [collega] hebt mishandeld en met een mes hebt gestoken (ongeacht of daar een aanleiding voor was en zo ja wat die aanleiding was), kan van ons als werkgever niet worden verwacht uw arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Aldus zien wij ons genoodzaakt om u per vandaag op staande voet te ontslaan." .

2.3. In eerste aanleg vorderde [de werknemer] - bij wijze van voorlopige voorziening - wedertewerkstelling en doorbetaling van zijn salaris. Daartoe voerde hij aan dat het ontslag een dringende reden ontbeert, aangezien hij ten onrechte niet tevoren door Akvina is gehoord. Voorts beroept hij zich op zijn omstandigheden: zijn leeftijd (58 jaar), zijn lange, smetteloze dienstverband (28 jaar) en zijn grote gezin (hij is gehuwd en heeft acht kinderen waarvan de jongste drie nog minderjarig zijn; de jongste is zes jaar), de ernstige gevolgen van het ontslag in verband met een en ander, alsmede het feit dat hij door het slachtoffer, die familie van hem is, is getreiterd en beledigd.

2.4. De Voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.

2.5. De arbeidsovereenkomst is - voor zover bestaand - door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, met ingang van 7 juli 2009 ontbonden.

3. In hoger beroep heeft [de werknemer] zijn eis verminderd tot (uitsluitend) doorbetaling van het loon over de periode 1 mei 2009 tot 7 juli 2009, met de vakantietoeslag daarover alsmede de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

4. Het hof zal de met de grief en de toelichting daarop aan de orde gestelde vragen hieronder behandelen en overweegt daartoe als volgt.

5.1. Het betreft hier een hoger beroep van een kort gedingvonnis. Derhalve moet worden beoordeeld of in voldoende mate aannemelijk is dat de (verminderde) vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

5.2. Het hof beantwoordt voormelde vraag ontkennend, waartoe het volgende wordt overwogen.

5.3. Niet in geschil is dat het incident zich heeft afgespeeld op het (parkeer) terrein van Akvina direct na afloop van de werkzaamheden.

5.4. Evenmin is in geschil dat [de werknemer] zich aan de hem verweten gedraging - mishandeling, meer in het bijzonder het met een mes of schroevendraaier [collega] in het gezicht steken - heeft schuldig gemaakt. Een strafrechtelijke veroordeling is daartoe niet vereist. Daarbij kan in het midden blijven of de mishandeling met een mes of een schroevendraaier plaatsvond, immers, beide zijn scherpe voorwerpen.

5.5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [de werknemer] en [collega] bij Akvina elk in een andere ruimte achter een 'eigen' machine werkzaam waren. Akvina heeft verder gemotiveerd weersproken dat zij ervan op de hoogte was dat er - in de familierelationele sfeer - tussen [de werknemer] en [collega] (ernstige) spanningen waren en eveneens dat [de werknemer] het feit dat hij op het werk zou worden gepest, getreiterd en/of beledigd door [collega] bij Akvina heeft aangekaart. [de werknemer] heeft dit een en ander vervolgens niet nader onderbouwd, hoewel dat wel op zijn weg had gelegen.

5.6. Tot slot is niet in geschil dat er bij het steekincident geen sprake van noodzakelijke zelfverdediging was en ook niet dat het incident voor degenen die daarvan getuige waren geheel onverwacht kwam.

5.7. Naar het oordeel van het hof is er - de door [de werknemer] aangevoerde omstandigheden mede in aanmerking genomen - onvoldoende basis om te verwachten dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure geen stand zal houden. De aan [de werknemer] verweten gedraging is daarvoor te ernstig.

5.8. Het voorgaande geldt evenzo wanneer daarbij ook wordt betrokken dat Akvina [de werknemer] niet tevoren heeft gehoord. Dergelijk tevoren horen is op zich geen geldigheidsvereiste, maar het nalaten daarvan kan tot het oordeel leiden dat naderhand naar voren gebrachte omstandigheden er toe leiden dat er geen dringende reden aanwezig is, welk risico dan voor rekening van de werkgever blijft. Echter, zoals hiervoor is overwogen zijn de door [de werknemer] in deze procedure aangevoerde omstandigheden onvoldoende om (voorshands) tot het oordeel te komen dat geen sprake is van een dringende reden. Er is geen reden om aan te nemen dat er bij het tevoren horen door [de werknemer] andere omstandigheden zouden zijn naar voren gebracht dan hij in deze procedure heeft gedaan.

6. Het bovenstaande leidt er toe dat de grief faalt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past het om [de werknemer] te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [de werknemer] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op dit arrest aan de zijde van Akvina begroot op € 262,= aan verschotten en € 662,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, R.C. Schlingemann en C.T.M. Luijks en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2010 in aanwezigheid van de griffier.