Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1432

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
BK-09/00676
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4442, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbele belasting. De rechtbank heeft een juiste uitleg gegeven aan het begrip “kalenderjaar” zoals vermeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het Verdrag en op grond van de vaststaande feiten met juistheid geoordeeld dat belanghebbende in het kalenderjaar 2005 minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00676

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 23 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 juli 2009, nummer AWB 08/7647 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.151, zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 februari 2010, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is ter zitting verschenen. De gemachtigde van belanghebbende is, met bericht, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende, geboren op [dag en maand] 1947, is gehuwd met mevrouw [Y]. Hij is als directeur in dienstbetrekking bij [A] BV. Het aandelenkapitaal van de vennootschap wordt gehouden door belanghebbende. In de periode 1 januari 2005 tot 28 januari 2006 heeft belanghebbende in het kader van zijn dienstbetrekking gedurende diverse perioden werkzaamheden verricht in de volksrepubliek China.

3.2. In de aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende een bedrag van € 52.589 aangegeven als loon, verkregen van [A] B.V. Hij heeft daarbij verzocht om een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting naar een bedrag van € 35.509 aan loon. In een bijlage bij de aangifte heeft belanghebbende de verblijfdagen vermeld gedurende welke hij in de periode 27 februari 2005 tot en met 28 december 2005 en in de periode 2 januari 2006 tot en met 27 februari 2006 in China verbleef. Het gaat om 158 dagen in de eerste en 27 dagen in de tweede periode.

3.3. Bij vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aftrek geweigerd.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of aan belanghebbende een aftrek dient te worden verleend ter voorkoming van dubbele belasting naar een bedrag van € 35.509 aan loon, hetgeen belanghebbende stelt, doch de Inspecteur betwist.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.151 met toepassing van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting berekend over een bedrag van € 35.509.

4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij voor "eiseres" dient te worden gelezen: belanghebbende en voor "verweerder" dient te worden gelezen: de Inspecteur:

3.1. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of eiser voor de toepassing van artikel 15 van de overeenkomst van 13 mei 1987 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb.1987, 93; hierna: het Verdrag) in het desbetreffende kalenderjaar meer of minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

3.2. De uitdrukking 'kalenderjaar' is in het Verdrag niet omschreven. Dat brengt ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Verdrag mee dat voor de toepassing van het Verdrag door een van de verdragsluitende Staten de uitdrukking 'kalenderjaar', tenzij de context anders vereist, de betekenis heeft welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

3.3.1. Anders dan eiser meent, brengt artikel 3, tweede lid, van het Verdrag mee dat de betekenis van de uitdrukking 'kalenderjaar' niet moet worden beoordeeld volgens de Chinese wetgeving, maar volgens de Nederlandse wetgeving. Het gaat in casu immers om de toepassing van het Verdrag door Nederland met betrekking tot de Nederlandse inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de context van het Verdrag vereist niet een andere betekenis.

3.3.2. Voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft de uitdrukking 'kalenderjaar' voor het onderhavige geval de betekenis van de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. Vaststaat dat eiser in die periode minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

3.4. Nog afgezien van het vorenstaande stelt verweerder terecht dat ook voor de toepassing van de Chinese (belasting)wetgeving de uitdrukking 'kalenderjaar' de betekenis heeft van de periode van 1 januari tot en met 31 december en dat daarbij niet wordt uitgegaan van het kalenderjaar volgens de traditionele Chinese kalender, welk kalenderjaar in dit geval loopt van 9 februari 2005 tot en met 28 januari 2006.

3.5. Tot slot heeft verweerder gemotiveerd betwist dat eiser in de periode van 9 februari 2005 tot en met 28 januari 2006 meer dan 183 dagen in China heeft verbleven. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

(...)

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de overeenkomst van 13 mei 1987 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb.1987, 93; hierna: het Verdrag) is de beloning verkregen door een inwoner van een Overeenkomstsluitende Staat (in casu: Nederland) ter zake van een in de andere Overeenkomstsluitende Staat (in casu: China) uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het desbetreffende kalenderjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan; en

b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is; en

c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.

6.2. De rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof een juiste uitleg gegeven aan het begrip "kalenderjaar" zoals vermeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het Verdrag en op grond van de vaststaande feiten met juistheid geoordeeld dat belanghebbende in het kalenderjaar 2005 minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

6.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende in het kalenderjaar 2005 meer dan 183 dagen in China heeft verbleven. Ook in hoger beroep moet er derhalve van worden uitgegaan dat belanghebbende in het kalenderjaar 2005 minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

6.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep voor het eerst in deze procedure gesteld dat - naar het Hof begrijpt - het op de werkzaamheden in China betrekking hebbende deel van de beloning ten laste is gekomen van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat zijn werkgever, [A] BV, in China heeft. Belanghebbende heeft het gelaten bij een blote stelling zonder enige onderbouwing daarvan, terwijl een onderbouwing van die stelling - gelet op de betwisting ervan door de Inspecteur - wel op zijn weg had gelegen. Het Hof gaat daarom aan die stelling voorbij.

6.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 23 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. J.J.J. Engel.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.