Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1204

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
105.006.218-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandverzekering. Merkelijke schuld, artikel 294 WvK. HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 224. In dit geval bevrijdt merkelijke schuld van de ene vennoot de verzekeraar ook ten opzichte van de andere vennoot.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 952
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer 105.006.218/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 261350 / HA ZA 06-839

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 27 april 2010

inzake

KLAVERBLAD ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ U.A.,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante, tevens verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: Klaverblad,

advocaat: mr. J.F. Ubels te Den Haag,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde, tevens appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E. Grabandt te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 6 maart 2007 is Klaverblad in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 december 2006 voor zover door de rechtbank ‘s-Gravenhage gewezen tussen [geïntimeerde] en Klaverblad. Bij memorie van grieven heeft Klaverblad drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. [geïntimeerde] heeft bij memorie in voorwaardelijk incidenteel appel eveneens drie grieven opgeworpen, welke grieven Klaverblad bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De in het vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.7) vastgestelde feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. Het hof stelt voorop dat het met de rechtbank van oordeel is dat de onderhavige zaak op grond van artikel 221 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek dient te worden beoordeeld naar het voor 1 januari 2006 geldende verzekeringsrecht zoals dat destijds in het Wetboek van Koophandel was neergelegd, en niet naar de regels van de op die datum in werking getreden Titel 7.17 B.W. Het toepasselijke Wetboek van Koophandel (WvK) kende destijds twee uitsluitingen op de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van schade wegens eigen schuld van de verzekerde: een algemene, neergelegd in artikel 276, waarin elke vorm van schuld (‘eigen schuld’) van de verzekerde werd uitgesloten, en daarnaast een specifieke, neergelegd in het uitsluitend voor brandverzekeringen geldende artikel 294, waarin zogenaamde ‘merkelijke schuld’ van de verzekerde werd uitgesloten.

3. De drie grieven in principaal appel beperken zich tot de vraag of Klaverblad de merkelijke schuld als bedoeld in artikel 294 WvK aan de brand van [A] ook kan tegenwerpen aan diens medevennoot [geïntimeerde], en kunnen gezamenlijk worden behandeld. Bij de behandeling van deze grieven moet uitgangspunt zijn -in incidenteel appel bestreden- dat [A] de brand heeft aangestoken en dat hij daaraan ook merkelijke schuld heeft.

4. Tussen partijen staat vast dat zowel [geïntimeerde] als [A] als verzekerde op de inventarispolis moet worden aangemerkt. Voor het geval dat door een verzekering de belangen zijn gedekt van meerdere verzekerden geldt, aldus de Hoge Raad, niet als algemene regel dat opzet of eigen schuld, in de zin van artikel 276 WvK van één der verzekerden ook ten opzichte van de andere verzekerde(n) bevrijdt. De omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de omstandigheid dat tussen de verzekerden een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het verzekerde belang als een gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt, kunnen meebrengen dat zulks wel het geval is (Hoge Raad 19 oktober 2001, NJ 2002, 224 m.nt. MMM). Naar het oordeel van het hof is dit niet anders voor merkelijke schuld als bedoeld in artikel 294 WvK.

5. De wetgever van het huidige artikel 7:952 BW – welk artikel eerst in werking is getreden op 1 januari 2006 – heeft geen ruimte gelaten voor een uitzondering op grond van de omstandigheden van het geval die in vorenbedoeld arrest door de Hoge Raad wordt gezien. Dit nieuwe artikel luidt: ‘De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.’ Dat de wetgever deze ruimte voor een uitzondering niet heeft geboden valt af te leiden uit de Toelichting op de Nota van Wijziging op artikel 7.17.2.9 BW, waarin beoogd wordt duidelijk te maken ‘dat indien er meer verzekerden zijn, opzet of roekeloosheid van een van de verzekerden niet ook aan de anderen kan worden tegengeworpen. Dit brengt dan o.m. mee dat de andere verzekerden vergoeding kunnen vorderen voor zover hun belang bij verzekerde zaken strekt.’ (Kamerstukken II 1999/2000, 19529, nr. 5, p. 31, onder 2).

6. Blijkens zijn hiervoor aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad op deze benadering niet geanticipeerd. Tegen die achtergrond ziet ook het hof voor een anticiperende toepassing van artikel 7: 952 BW geen grond en heeft het derhalve te onderzoeken of er in het onderhavige geval sprake is van omstandigheden die ertoe nopen van de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel af te wijken. Daarbij gaat het dan primair om de vraag of er tussen de verzekerden [A] en [geïntimeerde] een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het verzekerde belang als een gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

7. [A] en [geïntimeerde] waren ten tijde van het verzekerde voorval gezamenlijk de vennoten in de vennootschap onder firma ACP en het was op naam van deze vennootschap onder firma dat beiden op 20 november 2003 de verzekering hebben afgesloten waarop [geïntimeerde] zich in deze procedure beroept. Voor de tussen de gezamenlijke vennoten ontstane gemeenschap van goed of goederen geldt dat deze tijdens het bestaan van de vennootschap een gebonden gemeenschap vormt, wat onder meer betekent dat een vennoot tijdens het rechtsgeldig bestaan van de vennootschap niet een verdeling van de gemeenschap kan vorderen en dat een vennoot niet over zijn gehele onverdeelde aandeel in de gemeenschap noch over zijn onverdeelde aandeel in bepaalde onderdelen van de gemeenschap kan beschikken. De beschikkingsbevoegdheid van de vennoot als deelgenoot in de gemeenschap is derhalve gebonden. Deze als beschikkingsgebondenheid aangeduide situatie strekt zich ook uit tot de in de vennootschappelijke goederengemeenschap vallende rechten op genot van een goed en de vorderingsrechten van de vennootschap, waaronder die onder de onderhavige verzekeringspolis: die zijn van de gezamenlijke vennoten als zodanig. Voor de onderhavige zaak geldt dat het verzekerde belang waarop die verzekeringspolis ziet, gelet op vorenbedoelde rechtsband tussen de vennoten [A] en [geïntimeerde], stellig als hun gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt. Bij die stand van zaken geldt dat merkelijke schuld als bedoeld in artikel 294 WvK van verzekerde [A] Klaverblad ook ten opzichte van verzekerde [geïntimeerde] bevrijdt.

8. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat [A] bij zijn handelen enig ander effect heeft beoogd dan zijn eigen overlijden. De brand in het bedrijfspand en de schade die daardoor is ontstaan zijn dan te beschouwen als neveneffecten van en – de brand - een middel tot de zelfmoord. Voorts is er geen reden aan te nemen dat [A] bij zijn handelen de gemeenschappelijke belangen van zichzelf en [geïntimeerde] op het oog heeft gehad of dat hij zich heeft bekommerd om verzekeringsrechtelijke aspecten van zijn gedrag. In het licht van wat het hof in rechtsoverweging 7 heeft overwogen leggen al deze omstandigheden echter onvoldoende gewicht in de schaal om op het punt van de doorwerking van de merkelijke schuld tot een ander oordeel te komen.

9. Het voorgaande betekent dat de grieven in principaal appel slagen. Daarmee is aan de voorwaarde waaronder het incidentele appel is ingesteld voldaan, zodat het hof ook dat appel heeft te behandelen.

10. Grief I in incidenteel appel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het [A] is geweest die de brand in het bedrijfspand heeft aangestoken.

11. Deze grief faalt. De rechtbank heeft onder 4.4 van haar vonnis onder verwijzing naar haar rechtsoverwegingen 2.3 t/m 2.6 betreffende de expertiserapporten van Biesboer expertise, Brand Technisch Bureau en het proces-verbaal van sporenonderzoek van de politie Flevoland ruimschoots voldoende gemotiveerd waarom als vaststaand moet worden aangenomen dat [A] de brand heeft gesticht. Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent is absolute zekerheid daartoe niet vereist. Nu [geïntimeerde] de inhoud van bedoelde stukken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist en ook overigens niets steekhoudends heeft aangedragen dat tot een ander gezichtspunt omtrent de oorzaak van de brand noopt, neemt het hof de zienswijze van de rechtbank daaromtrent over en maakt het die tot de zijne.

12. Met grief II in incidenteel appel bestrijdt [geïntimeerde] dat er bij [A] sprake is geweest van merkelijke schuld. De toelichting op deze grief valt in twee onderdelen uiteen. Allereerst meent [geïntimeerde] dat merkelijke schuld niet kan worden aangenomen omdat uit de rapporten van de experts en van de politie niet ‘onomstotelijk’ vaststaat dat [A] de brand heeft gesticht. De grief faalt in zoverre: dat de oorzaak van de brand niet ‘onomstotelijk’ is komen vast te staan, staat er niet aan in de weg om het bewijs door de verzekeraar van merkelijke schuld geleverd te achten.

13. Met het tweede onderdeel van de toelichting op grief II klaagt [geïntimeerde] erover dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat het er, gezien het feit dat [A] zelfmoord heeft gepleegd en gelet op de wijze waarop hij dat heeft gedaan, voor moet worden gehouden dat [A] ten tijde van de brandstichting leed aan een stoornis van de geestvermogens en dat hem gelet daarop, anders dan artikel 294 WvK als eis stelt, van de brandstichting geen verwijt valt te maken.

14. Op zichzelf is juist dat van merkelijke schuld in de zin van artikel 294 WvK niet kan worden gesproken indien aan de verzekerde op grond van het feit dat hij ten tijde van de gedraging die het verzekerde voorval (in casu de brand) heeft doen intreden leed aan een stoornis van zijn geestvermogens geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van de brand. Op grond van de in rechtsoverweging 11 genoemde stukken neemt het hof als vaststaand aan dat [A] de brand heeft gesticht. Het moet er dan voorshands voor worden gehouden dat er sprake is van merkelijke schuld aan de zijde van [A]. Dit betekent dat het aan [geïntimeerde] is om te stellen en bij tegenspraak te bewijzen dat [A] van de brandstichting in verband met een stoornis van zijn geestvermogens geen verwijt kan worden gemaakt. [geïntimeerde] heeft evenwel – zakelijk - niet meer naar voren gebracht dan dat in zijn algemeenheid geldt dat personen die zichzelf van het leven beroven op dat moment lijden aan een stoornis van hun geestvermogens en dat dit a fortiori geldt voor personen die dit doen door zichzelf in brand te steken. Het feit dat iemand ten tijde van het stichten van een brand lijdt aan een stoornis van zijn geestvermogens betekent op zichzelf – zonder toelichting, die ontbreekt - nog niet dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. [geïntimeerde] heeft zijn, in de onderhavige grief vervatte stelling derhalve onvoldoende toegelicht, zodat het hof aan bewijslevering op dit punt niet toekomt. Dit betekent dat ook grief II faalt.

15. Gelet op hetgeen het hof met betrekking tot de overige grieven heeft overwogen, behoeft grief III in voorwaardelijk incidenteel appel geen behandeling meer.

Conclusie

16. De grieven in principaal appel slagen en de grieven in voorwaardelijk incidenteel appel falen. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog integraal worden afgewezen. [geïntimeerde] zal in de kosten van beide instanties worden veroordeeld, van het hoger beroep zowel in de kosten van het principaal appel als in die van het voorwaardelijk incidenteel appel. Nu het onderwerp van de incidentele grieven I en II ook aan de orde zou zijn gekomen op grond van de devolutieve werking van het appel en incidentele grief III Klaverblad niet heeft genoopt tot het voeren van afzonderlijk verweer, zullen de kosten in het voorwaardelijk incidenteel appel aan de zijde van Klaverblad worden gesteld op nihil.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover tussen Klaverblad en [geïntimeerde] gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan het vonnis van

6 december 2006 aan de zijde van Klaverblad begroot op € 1.380,= voor verschotten en

€ 1.788,= (2 punten tarief IV) voor salaris voor de toenmalige procureur;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Klaverblad begroot op € 84,31 voor dagvaarding in hoger beroep, € 1.885,= voor vast recht en € 1.631,= (1 punt tarief IV) voor salaris voor de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Klaverblad begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, H.A. Groen en A.R. van de Veen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2010 in aanwezigheid van de griffier.