Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1171

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
BK-09/00469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Vaststaat dat de echtgenoot van belanghebbende geen IB/PVV verschuldigd is. Derhalve bedraagt de gecombineerde heffingskorting van belanghebbende niet meer dan de door haar verschuldigde IB/PVV. De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00469

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 16 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende], wonende te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 juni 2009, nummer AWB 08/8841 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2006 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.091.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 2 februari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is gedurende het gehele jaar 2006 gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenoot). Bij voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2006, gedagtekend 16 januari 2006, is de gecombineerde heffingskorting vastgesteld op € 1.990 en in twaalf maandelijkse termijnen aan belanghebbende uitbetaald.

3.2. De echtgenoot heeft voor het jaar 2006 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. Met dagtekening 31 juli 2008 is aan de echtgenoot, conform de door hem ingediende aangifte, de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 opgelegd.

3.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2006 aangifte gedaan, die op 12 september 2007 door de Inspecteur is ontvangen, naar een verzamelinkomen van € 3.091.

3.4. Met dagtekening 29 juli 2008 is aan belanghebbende, conform de door haar ingediende aangifte voor het jaar 2006, de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd. Bij de bepaling van de verschuldigde IB/PVV is de gecombineerde heffingskorting nader vastgesteld op € 1.054. De definitieve aanslag heeft in een door belanghebbende te betalen bedrag van € 2.190 geresulteerd, de negatieve voorlopige aanslag van € 1.990 vermeerderd met een bedrag van € 200 aan heffingsrente.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt - naar het Hof begrijpt - tot vermindering van de aanslag tot een, conform de ingediende aangifte, negatief bedrag van € 992 (€ 1.054 enkelvoudige belasting -/- € 1.990 algemene heffingskorting -/- € 56 arbeidskorting) en vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente tot nihil.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De gecombineerde heffingskorting bedraagt in beginsel niet meer dan de verschuldigde IB/PVV. Voor zover belanghebbende daardoor de voor haar geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting, kinderkorting, combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting, ouderschapsverlofkorting en levensloopkorting niet tot het maximale bedrag van die heffingskortingen geldend zou kunnen maken, worden deze heffingskortingen verhoogd tot maximaal het bedrag dat haar echtgenoot na aftrek van zijn gecombineerde heffingskorting, aan IB/PVV verschuldigd is.

6.2 Vaststaat dat de echtgenoot van belanghebbende geen IB/PVV verschuldigd is. Derhalve bedraagt de gecombineerde heffingskorting van belanghebbende niet meer dan de door haar verschuldigde IB/PVV.

6.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, B. van Walderveen en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 16 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.