Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1126

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
BK-09/00315
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP4787, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De rechtbank heeft met juistheid beslist dat belanghebbende over extra inkomsten heeft beschikt en dat die inkomsten zijn aan te merken als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00315

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 19 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 februari 2009, nummer AWB 07/5741 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag.

Navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is gedagtekend 21 februari 2007 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst [P] (kantoor [Q]), bij uitspraak van 9 juli 2007 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 39.

1.4. De rechtbank heeft bij de in de aanhef vermelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 110.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende bij brief van 22 januari 2010 nadere stukken aan het Hof gezonden. Van deze stukken heeft de Inspecteur kennis kunnen nemen.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 februari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende, van beroep autospuiter, ontvangt van 1987 tot 1997 en sedert 2002 alleen een uitkering ingevolge de WAO. In het jaar 2002 bedraagt de uitkering € 28.265. Op die uitkering is € 8.179 aan loonheffing ingehouden. Over de jaren 1998 tot en met 2001 zijn geen inkomsten van belanghebbende bekend. De echtgenote van belanghebbende heeft geen inkomsten.

3.2. In het jaar 2002 schaft belanghebbende zich voor de prijs van in totaal € 45.000 een uit Duitsland afkomstige personenauto van het merk BMW, type 330 CI cabriolet (hierna: de BMW), aan. Hij betaalt de BMW contant. De ter zake van de BMW verschuldigde belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) ad € 10.663, welk bedrag is begrepen in genoemd bedrag van € 45.000, heeft hij bij aangifte van 17 juni 2002 voldaan. Van 30 maart 2002 tot 18 november 2002 staat op naam van belanghebbende een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf TDI. Op 2 januari 2003 wordt een personenauto van het merk Audi, type A3, aangeschaft. In de periode 2002 tot en met 2006 zijn 7 verschillende kentekens van personenauto's op naam van belanghebbende gesteld.

3.3. De Inspecteur heeft, nadat hij op of omstreeks 14 april 2006 op de hoogte was gebracht van deze handelingen, het bedrag van € 45.000 voor het jaar 2002 tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend en de onderwerpelijke navorderingsaanslag opgelegd met een vastgesteld belastbaar inkomen van € 73.265.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de Inspecteur terecht het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende voor het jaar 2002 heeft gecorrigeerd met € 45.000, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

"4.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in het jaar 2002 over extra inkomsten moet hebben beschikt. De rechtbank grondt haar oordeel op het navolgende. Het is aannemelijk, zoals verweerder stelt, dat eiser zijn WAO-uitkering in 2002 volledig heeft aangewend voor het levensonderhoud van zichzelf en zijn echtgenote en dat hij hiervan niet heeft kunnen sparen. Dit is voor eerdere jaren niet anders. Ook indien, zoals eiser heeft gesteld en verweerder heeft betwist, er van wordt uitgegaan dat eiser tussen 1998 en 2002 ook een WAO-uitkering heeft genoten. Vervolgens is van belang dat eiser op 2 januari 2003, naast de BMW, een tweede auto, een tweedehands Audi A3, in eigendom heeft verkregen met een geschatte aanschafprijs van € 15.000. Deze beide uitgaven wijzen op extra inkomsten. Volgens een door verweerder overgelegd overzicht van de RDW met informatie van kentekens op het sofinummer van eiser, stonden in de periode 17 juni 2002 tot en met 5 december 2006 zeven verschillende auto's op zijn naam, veelal meerdere gelijktijdig. Bovendien heeft eiser de BMW in de periode dat deze bij hem in eigendom was, een tijdje voor de motorrijtuigenbelasting geschorst. Aan deze feiten kan de conclusie worden verbonden dat sprake is van een werkzaamheid waaraan inkomsten worden ontleend, in de zin van een resultaat uit een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

4.2 Een en ander natuurlijk tenzij sprake is van door eiser aangewend vermogen voor de BMW, zoals door hem is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op de weg van eiser ligt om het hebben van vermogen aannemelijk te maken nu verweerder gemotiveerd heeft betwist dat eiser voornoemde auto-aankopen hiermee heeft kunnen betalen.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Ter zitting heeft eiser zijn, voor het eerst in zijn beroepschrift ingenomen, stelling herhaald dat hij contanten heeft verkregen door de verkoop van achtereenvolgens twee auto's van het merk Mercedes, namelijk in 2000 en 2001. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is geslaagd aannemelijk te maken dat deze auto's zijn eigendom waren nu uit het door verweerder overgelegde kentekenoverzicht niet blijkt dat deze twee autokentekens op zijn naam waren gesteld en dat eiser motorrijtuigenbelasting voor die auto's heeft betaald. Eiser heeft dit laatste, dat hij geen motorrijtuigenbelasting heeft betaald voor die auto's in 2000 en 2001, wel betwist maar zijn standpunt niet nader onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de twee auto's van het merk Mercedes wel op zijn naam waren verzekerd maakt dit niet anders nu het niet ongebruikelijk is, zoals verweerder heeft aangevoerd en de rechtbank aannemelijk acht, dat een auto wordt verzekerd op de naam van een persoon die niet de eigendom heeft van de auto om aldus bijvoorbeeld een premievoordeel te genieten. Ook de omstandigheid dat eiser een vrijwaringsbewijs heeft overgelegd voor de volgens hem in 2001 verkochte Mercedes maakt dat niet anders nu dit bewijs niet op naam is gesteld. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser de aankoop van de BMW heeft gefinancierd met eerder door hem aan zijn zoon uitgeleend geld dat hij weer had terugontvangen. Uit de overgelegde stukken blijkt alleen dat op 30 juni 1997 op een balans van een onderneming van de zoon van eiser een lening stond ten bedrage van f 32.500. Uit niets blijkt dat het een vordering van eiser betrof of dat het bedrag in 2000 of later aan eiser is (terug)betaald. Ook uit de overgelegde kopie van een bankboekje blijkt niet dat eiser in 2002 over vermogen beschikte nu dit alleen de periode 1983 tot en met 24 juni 1991 betreft, bovendien op de naam van de zoon van eiser is gesteld en uiteindelijk in 1991 slechts een saldo van f 450,- vermeld. Verder heeft eiser nog gesteld dat hij een lening is aangegaan ter financiering van de BMW. Echter de rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser de gelden van deze lening voor de aanschaf van de BMW heeft aangewend nu het enige dat hiervan is overgelegd een saldo betreft van f 13.948 op 31 december in het jaar 1993. Dit is al te lang geleden.

4.4 Nu eiser zijn stelling over aangewend vermogen niet aannemelijk heeft gemaakt blijft staan dat verweerder wel aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in 2002 over extra inkomsten uit een werkzaamheid heeft beschikt. Nu hij naast een bedrag van € 45.000 in 2002 voor de BMW heeft betaald en op 2 januari 2003 weer een bedrag van ongeveer € 15.000 heeft besteed aan de Audi acht de rechtbank aannemelijk dat de navorderingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Derhalve is de navorderingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep ongegrond.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

6.2. Gelet op het geheel van de rond de aanschaf van de BMW voorhanden zijnde gegevens, waaronder die betreffende de financiële toestand waarin belanghebbende destijds verkeerde, heeft de rechtbank naar 's Hofs oordeel met juistheid beslist, zoals ook de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep overtuigend heeft beargumenteerd, dat belanghebbende over extra inkomsten heeft beschikt en dat die inkomsten zijn aan te merken als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende heeft met hetgeen hij in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken ingebracht, geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door de Inspecteur, op grond waarvan in redelijkheid over de in geding zijnde correctie een andere conclusie is te trekken. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de door belanghebbende over de herkomst van het voor de aanschaf van de BMW benodigde geld gegeven verklaringen niet geloofwaardig zijn en dat reeds daarom de conclusie is gerechtvaardigd dat het bedrag van € 45.000 is terug te voeren op door belanghebbende genoten en voor de belastingdienst verzwegen inkomsten uit verrichte werkzaamheden.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 19 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.