Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM0252

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
200.017.073.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen omgang; artikel 1:377a leden 1 en 3 BW; zwaarwegende belangen kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 januari 2010

Zaaknummer : 200.017.073.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6784

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Frissen te ’s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 2 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 juli 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 12 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

De raad voor de kinderbescherming, directie Zuid-West, vestiging Den Haag (hierna: de raad), heeft het hof bij brief van 16 juni 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 10 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de verzoeken van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de nader te noemen minderjarige te bepalen, dan wel, indien een raadsonderzoek geïndiceerd is, te bepalen dat gedurende het raadsonderzoek alsmede gedurende de wachtperiode omgang zal plaatsvinden via een omgangshuis, alsmede de vader mede te belasten met het gezag over voornoemde minderjarige afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [naam kind], geboren [in 2005] te [geboorteplaats], hierna: [kind]. De vader heeft [kind] erkend. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [kind] belast.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling betreft) en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: alsnog een omgangsregeling te bepalen inhoudende:

-gedurende de eerste drie maanden na de te wijzen beschikking wekelijks omgang op zaterdag van 14:00 tot 18:00 uur en op maandag van 17:00 – 21:00 uur;

-vanaf de vierde maand na de te wijzen beschikking een omgang (het hof leest: een omgangsregeling) van één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 20:00 tot zondagavond 20:00 uur alsmede in de weken dat er geen omgang in het weekend plaatsvindt: op maandagavond van 17:00 uur tot 20:00 uur;

-vanaf het moment dat [kind] schoolgaand is naast de alsdan bestaande omgangsregeling: gedurende de helft van de schoolvakanties, de Christelijke feestdagen, alsmede Oud en nieuw;

subsidiair: de moeder te gelasten mee te werken aan mediation met als doel de communicatie tussen de vader en de moeder te herstellen en de onderhavige procedure pro forma voor de duur van drie maanden aan te houden in afwachting van het resultaat van die mediation.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep ongegrond te verklaren en, zonodig onder verbetering van gronden, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader stelt dat de rechtbank hem feitelijk voor onbepaalde tijd de omgang ontzegt en zich bij haar beslissing te veel heeft laten leiden door onbewezen stellingen van de moeder die naar zijn mening in hoge mate een bepaalde sfeer rondom hem hebben gecreëerd.

Voorts is de vader van mening dat de rechtbank met haar uitspraak ten onrechte afwijkt van de lijn die de rechtbank in haar uitspraken aanhoudt, namelijk dat in gevallen als deze mediation geïndiceerd is om de communicatie te herstellen en om van daaruit te bezien of er afspraken gemaakt kunnen worden over een omgang. Het is in het belang van [kind] dat er binnen afzienbare tijd weer een herstel in het contact met hem plaatsvindt, volgens de vader.

5. De moeder stelt dat de rechtbank het thans terecht niet in het belang van [kind] heeft geacht om omgang met de vader te hebben. De moeder stelt dat zij, gelet op het verleden, nog immer bang is voor de vader en dat de communicatie tussen partijen zodanig is verstoord dat het niet in het belang van [kind] is om haar aan deze onrustige situatie bloot te stellen. Voorts stelt zij, gelet op eerder opgedane ervaringen met mediation, haar ervaringen met de vader en het feit dat hij zijn beloftes niet nakomt, niet bereid en niet in staat te zijn om een mediationtraject in te zetten. De moeder is van oordeel dat onbelast contact met de vader voor [kind] niet mogelijk is. De vaststelling van een omgangsregeling is volgens de moeder in strijd met zwaarwegende belangen van [kind].

6. Het hof stelt voorop dat op 1 maart 2009 in werking is getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, heeft de wet onmiddellijke werking. Uit het bij voorgenoemde wet gewijzigde artikel 1: 377a, eerste lid, BW volgt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind heeft. Het recht op omgang kan slechts worden ontzegd indien zich een van de in het derde lid van voornoemd artikel genoemde ontzeggingsgronden voordoet.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen hun voormalige relatie en de beëindiging daarvan wezenlijk verschillend beleefd hebben. Tevens is gebleken dat de vader, anders dan ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, inmiddels door de strafrechter is veroordeeld wegens bedreiging van de moeder. De moeder heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat de vader haar desondanks nog immer belaagt en voorbij gaat aan haar gezagsverhouding ten aanzien van [kind] door het, tegen de wens van de moeder in, plaatsen van foto’s van [kind] op het internet, hetgeen grote onrust en spanningen bij de moeder teweegbrengt. Ter terechtzitting is gebleken dat de vader zich tot nog toe onvoldoende heeft kunnen inleven in de belangen van andere betrokkenen, waaronder de moeder en [kind], en er ook bij confrontatie daarmee onvoldoende blijk van geeft een en ander alsnog te begrijpen en de consequenties van zijn gedragingen in te zien. Onder deze omstandigheden, waarin de vader in zijn houding jegens [kind] en de moeder niet de beheerstheid vertoont die van hem kan worden gevergd bij de uitoefening van het recht op omgang met [kind], acht het hof omgang tussen de vader en [kind] op dit moment in strijd met zwaarwegende belangen van [kind]. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aanmerkelijke onrust en spanningen die het gedrag van de vader bij de moeder teweegbrengt, ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor [kind]’s ontwikkeling.

Op zichzelf acht het hof positief dat de vader ter zitting uiteindelijk heeft toegezegd de foto’s van [kind] van internet te verwijderen. Eveneens is positief dat de vader deelneemt aan begeleiding door de reclassering en nadenkt over zijn instelling tegenover de moeder. Dit alles vormt op dit moment echter nog onvoldoende waarborg voor de belangen van [kind]. Voor een last tot mediation zijdens het hof is geen plaats, hoezeer het hof het ook van belang acht dat zich in de relatie tussen partijen als ouders van [kind] weer een wederzijds respect ontwikkelt, al dan niet met behulp van een met instemming van beide partijen gevolgd mediationtraject. Zolang de wens daartoe niet bij beide partijen bestaat, is er geen aanleiding om een eindbeslissing aan te houden.

8. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Bouritius en Bos, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010.