Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BM0123

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
200.017.205-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man betaalt niet mee aan DNA-onderzoek en wordt als verwekker aangemerkt en vervolgens als onderhoudsplichtige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 394
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 maart 2010

Zaaknummer : 200.017.205/01

Rekestnr. rechtbank : 305876 / F1 RK 08-1086

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.L. Bos, gevestigd te Dordrecht,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N.A. de Graaf, gevestigd te Rotterdam.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 10 juni 2009 in deze zaak een beschikking gegeven waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking heeft het hof bepaald, dat een DNA-onderzoek zal worden verricht ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker van de minderjarige [naam] kan zijn en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid. Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 29 augustus 2009 pro forma.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 25 augustus 2009, 25 september 2009 en 27 oktober 2009 brieven ingekomen met het verzoek de zaak aan te houden. Op 9 november 2009 heeft de man nadere financiële gegevens overgelegd.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof in reactie op de brieven van de man op 25 augustus 2009, 28 september 2009 en 28 oktober 2009 brieven ingekomen. Bij brief, ingekomen ter griffie op 9 december 2009 heeft de vrouw, na hiertoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd op de door de man overgelegde financiële gegevens.

DE VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw stelt dat de man de verwekker is van de minderjarige en voorts dat de man direct na de geboorte van de minderjarige van dit verwekkerschap op de hoogte was. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de vrouw een geboortekaartje overgelegd waarop de naam van de man staat vermeld. Voorts heeft de vrouw gesteld, dat de man de minderjarige na de geboorte heeft gezien en heeft zij foto’s overgelegd, waarop familieleden van de man te zien zijn met de minderjarige.

2. In de hiervoor genoemde correspondentie stelt de man dat hij niet in staat is om zijn aandeel in de kosten, nodig voor het DNA-onderzoek, te voldoen. De man heeft het hof tweemaal uitstel verzocht om te trachten zijn aandeel in de kosten te lenen bij derden, welk uitstel hem is verleend. Uit de nadien door de man verstrekte gegevens blijkt niet welke pogingen hij heeft ondernomen om zijn bijdrage in de kosten te voldoen en wat het resultaat van die inspanningen is geweest. Voorts heeft de man geen enkel alternatief geopperd om te komen tot een onderzoek, zoals door het hof noodzakelijk is geoordeeld. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel, dat het niet betalen van zijn aandeel in de kosten voor zijn rekening behoort te komen en het hof zal daaraan de consequenties verbinden, die het geraden voorkomt. De man betwist de verwekker van de minderjarige te zijn en stelt hiertoe dat hij het geboortekaartje nimmer heeft gezien en dat het geboortekaartje bovendien niet tot bewijs van het verwekkerschap kan strekken.

3. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw aan de hand van de door haar overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, haar stelling, dat de man de verwekker van de minderjarige is, voldoende onderbouwd. De man daarentegen heeft de stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist en bovendien niet meegewerkt aan het door het hof noodzakelijke geoordeelde DNA-onderzoek. Het hof zal op grond van deze feiten en omstandigheden de man aanmerken als verwekker van de minderjarige.

KINDERALIMENTATIE

4. Als verwekker van de minderjarige is de man op grond van artikelen 1:394 en 1:392 van het Burgerlijk Wetboek gehouden tot het verstrekken van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

BEHOEFTE

5. Door de rechtbank is in de bestreden beschikking de behoefte van de minderjarige niet vastgesteld. Nu partijen geen financiële gegevens uit 1995, het geboortejaar van de minderjarige, hebben overgelegd en zij nimmer hebben samengewoond, zal het hof de behoefte vaststellen aan de hand van de huidige aan het hof verstrekte inkomensgegevens op grond waarvan de behoefte in redelijkheid zal worden vastgesteld op € 250,- per maand.

DRAAGKRACHT

Inkomen

6. Uit de door de man overgelegde jaaropgave 2008 blijkt dat het inkomen van de man over 2008 € 41.889,- bruto per jaar bedraagt. Het inkomen van de man in 2009 is gedaald. Uit de stroken over de periode van maart tot november 2009 kan een jaarloon worden afgeleid van € 34.112,- bruto inclusief vakantietoeslag.

Lasten

7. Ten aanzien van de door de man opgevoerde lasten overweegt het hof als volgt.

Ziektekostenverzekering

8. Het hof zal rekening houden met de niet, dan wel onvoldoende bestreden, maandelijkse premie ziektekostenverzekering van € 108,- te vermeerderen met de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage en een eigen risico van € 13,-, verminderd met de gemiddelde nominale premie, welk deel wordt geacht te zijn inbegrepen in de voor de man toepasselijke bijstandsnorm.

Woonlasten

9. Uit de door de man overgelegde financiële bescheiden, welke als productie 1 bij het beroepschrift is overgelegd, blijkt dat de man een eigen woning heeft aan de [adres] te [woonplaats]. De man heeft in de door hem overgelegde draagkrachtberekening rentelasten ten behoeve van een hypothecaire lening opgevoerd van € 744,- per maand alsmede een premie levensverzekering van € 152,- per maand. Tevens heeft de man een eigenwoningforfait van € 990,- opgevoerd, alsmede een forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand. De man heeft ter zitting gesteld dat hij overwoog met zijn nieuwe partner te gaan samenwonen. In zijn brief van 9 november 2009 stelt de man dat hij niet samenwoont met een partner.

10. De vrouw bestrijdt de woonlasten van de man niet, doch stelt dat de man een gedeelte van zijn woning verhuurt, hetgeen blijkt uit het door de vrouw overgelegde GBA-uittreksel waarop staat vermeld dat met ingang van 2 januari 2009 [de heer X en mevrouw Y ] woonachtig zijn aan de [adres] te [woonplaats]. Ter zitting heeft de vrouw betwist dat de man samenwoont dan wel voornemens is te gaan samenwonen met zijn nieuwe partner. In haar brief van 7 december 2009 stelt de vrouw daarentegen dat de man feitelijk samenwoont met zijn nieuwe partner.

11. Niet is komen vaststaan dat de man met zijn nieuwe partner samenwoont. Wel stelt het hof vast dat op het adres van de man nog twee anderen ingeschreven staan. Nu de man zijn woning dan wel een gedeelte van zijn woning in gebruik afstaat, moet hij worden geacht met ingang van 1 januari 2009 zijn woonlasten te kunnen delen, zodat het hof met ingang van voornoemde datum rekening zal houden met de helft van de door de man opgevoerde woonlasten.

Schulden

12. De man stelt dat hij diverse schulden heeft. Er is sprake van een schuld aan de werkgever van € 57.317,- (stand 1 oktober 2009) waarvoor maandelijks door de werkgever een bedrag van € 250,- wordt ingehouden. Voornoemde schuld is aangegaan in verband met de verbouwing van de woning van de man. Tevens is sprake van een schuld van € 500,- (stand 1 januari 2009) welke is gemaakt in verband met autokosten. Deze schuld wordt eveneens door tussenkomst van de werkgever afgelost. Tot slot stelt de man dat sprake is van diverse huishoudelijke schulden, doch deze worden niet gespecificeerd.

13. De vrouw stelt dat met de aflossing van deze schulden geen rekening dient te worden gehouden. Met name de schuld ten behoeve van de autokosten kan volgens de vrouw geen prioriteit hebben boven de kinderalimentatie.

14. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde ‘verklaring schuldpositie’ van 17 september 2008 blijkt dat sprake is van de twee voornoemde schulden aan de werkgever. Uit de loonstroken van de man blijkt voorts dat hij ter zake van de schuld van € 57.317,- € 250,- per maand aflost. Uit het door de man overgelegde overzicht ‘schuldstand SST 31-12-2008’ blijkt dat de man ter zake van de schuld van € 500,- (beginstand: € 960,-) € 50,- per maand aflost. Ondanks de stelling van de vrouw dat voornoemde schuld geen prioriteit mag hebben boven de te betalen kinderalimentatie, stelt het hof vast dat feitelijk sprake is van deze schulden en dat de man hier ook op aflost op grond waarvan het hof rekening zal houden met een schuldaflossing van € 300,- per maand. Met een aflossing van € 50,- per maand wordt de man met ingang van 1 november 2009 geacht de schuld van € 500,- te hebben afgelost, zodat het hof met ingang van 1 november 2009 rekening zal houden met een aflossing van € 250,- per maand. Het hof zal geen rekening houden met de door de man gestelde huishoudelijke schulden, nu hij deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

15. Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening houden met de WWB-norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Met ingang van 1 maart 2009 houdt het hof rekening een draagkrachtpercentage van 70 en zal het hof bij de verdeling van de draagkracht van de man rekening houden met de – door de vrouw niet dan wel onvoldoende bestreden – onderhoudsverplichting van de man jegens zijn twee minderjarige kinderen een latere relatie.

16. Uit het bovenstaande volgt dat de man over de periode van 6 maart 2008 tot 1 januari 2009, rekening houdend met het fiscale voordeel, een beschikbare draagkrachtruimte heeft van € 348,- per maand. Over de periode van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 heeft de man, rekening houdend met het fiscale voordeel, een beschikbare draagkrachtruimte van € 382,- per maand. Over de periode van 1 maart 2009 tot 1 november 2009 heeft de man, rekening houdend met het fiscale voordeel, een beschikbare draagkrachtruimte van € 434,- per maand. Met ingang van 1 november 2009 heeft de man, rekening houdend met het fiscale voordeel, een beschikbare draagkrachtruimte van € 469,- per maand.

17. Uit het bovenstaande volgt dat de draagkracht van de man hem - rekeninghoudend met de onderhoudsverplichting jegens de twee andere minderjarige kinderen van de man - in staat stelt aan de vrouw een kinderalimentatie te betalen:

- over de periode van 6 maart 2008 tot 1 januari 2009: € 116,- per maand;

- over de periode ingaande 1 maart 2000 tot 1 maart 2009: € 127,- per maand;

- over de periode ingaande 1 maart 2009 tot 1 november 2009: € 145,- per maand;

- met ingang van 1 november 2009: € 156,- per maand.

Beschikbare draagkrachtruimte

18. Uit het bovenstaande volgt dat de draagkracht van de man hem niet in staat stelt in de volledige behoefte van de minderjarige te voorzien. Het hof komt derhalve, mede gezien de door de vrouw verstrekte inkomensgegevens, niet toe aan een verdeling van de draagkracht over beide partijen.

INGANGSDATUM

19. Door de rechtbank is de ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op 6 maart 2008. Nu door partijen hiertegen niet is gegriefd, zal het hof van die datum uitgaan.

20. Het vorenoverwogene brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- over de periode van 6 maart 2008 tot 1 januari 2009: € 116,- per maand;

- over de periode ingaande 1 maart 2000 tot 1 maart 2009: € 127,- per maand;

- over de periode ingaande 1 maart 2009 tot 1 november 2009: € 145,- per maand;

- met ingang van 1 november 2009: € 156,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Husson en Van der Burght, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2010.