Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9986

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
200.028.476
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korte periode van samenwonen. inkomens ouders. Kosten kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 januari 2010

Zaaknummer : 200.028.476.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-7696

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Reichmann te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 18 maart 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 januari 2009.

De moeder heeft op 7 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 november 2009 en 8 december 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 9 december 2009 een brief ingekomen.

Op 10 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

De moeder heeft op 30 september 2008 de rechtbank ‘s-Gravenhage verzocht te bepalen dat de vader vanaf 1 juli 2008 een bijdrage zal voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige van € 730,- per maand.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend en is in eerste aanleg niet verschenen.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2008 een bijdrage aan de moeder dient te betalen van € 730,- per maand, ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige: [naam], geboren [in] 2008, hierna te noemen: de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook te noemen: kinderalimentatie) van de minderjarige, de behoefte van de minderjarige. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend. De draagkracht van de vader en de ingangsdatum van de kinderalimentatie zijn niet in geschil.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen in het geval mocht blijken dat de erkenning wordt vernietigd. Subsidiair verzoekt de vader voor het geval hij de biologische alsmede de juridische vader is van de minderjarige te bepalen dat hij voor de minderjarige maximaal een bijdrage dient te voldoen van € 345,- per maand, met ingang van 1 juli 2008.

3. De moeder bestrijdt het beroep van de vader.

4. De vader stelt zich op het volgende standpunt. Indien in het kader van de procedure bij de rechtbank tot vernietiging van de erkenning door de vader vast komt te staan dat hij de biologische vader van de minderjarige is, dient in het kader van zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige uitgegaan te worden van een behoefte van de minderjarige van € 345,- per maand. De vader is bereid deze bijdrage aan de moeder te betalen.

5. De moeder stelt dat uitgegaan moet worden van een behoefte van de minderjarige van € 730,- per maand en is van mening dat de vader in staat is deze bijdrage aan haar te betalen.

6. Het hof stelt vast dat in hoger beroep kennelijk niet langer in geschil is dat de vader naast de juridische ook de biologische vader van de minderjarige is. Hij is derhalve ingevolge artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud.

7. Ten aanzien van de relatie van partijen stelt het hof het volgende vast. Volgens de moeder hebben partijen een relatie met elkaar gehad van 2006 tot medio juni 2008. Zij stelt dat zij zijn gaan samenwonen in april 2007. De vader stelt dat de relatie is begonnen in april 2007 en dat zij zijn gaan samenwonen in oktober 2007, in de woning van de moeder. Tussen partijen staat vast dat de vader de woning van de moeder heeft verlaten, omdat de relatie al enige tijd slecht liep en naar zijn eigen woning is teruggekeerd, op het moment dat de moeder hoogzwanger was van de minderjarige. Het hof begrijpt dat het samenwonen in die periode gedurende een aantal weken onderbroken is geweest. Na de geboorte van de minderjarige is de vader korte tijd bij de moeder teruggekeerd. Zij hebben toen gedurende 2,5 à 3 weken met elkaar samengewoond in de woning van de moeder. Volgens de vader is dit geweest om de moeder te ondersteunen bij de verzorging van de minderjarige. Bij het vertrek van de vader is de relatie tussen partijen definitief geëindigd.

8. Het hof is van oordeel dat de periode dat de minderjarige in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd (te weten: gedurende 2,5 à 3 weken) zodanig kort is geweest dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij, met een zekere mate van bestendigheid, in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd. De stellingen van de moeder dat de komst van de minderjarige gepland was en dat zij samen een huis hadden gekocht om daar met het gezin te gaan wonen, wat daar verder ook van zij, leiden niet tot een ander oordeel.

9. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige aansluiting zoeken bij de situatie van twee gescheiden huishoudens. Tussen partijen staat vast dat het netto inkomen van de vader ten tijde van het uiteengaan van partijen € 3.500,- netto per maand bedroeg. Het inkomen van de moeder bedroeg toen € 1.178,- per maand. Het hof acht het redelijk en billijk, met inachtneming van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, het resultaat van beide situaties te middelen. Dat leidt tot een behoefte van de minderjarige van € 345,- per maand. De moeder heeft niet aangetoond dat de werkelijke behoefte van de minderjarige hoger is.

10. Nu de draagkracht van de vader niet in geschil is, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de kinderalimentatie ten laste van de vader met ingang van 1 juli 2008 vaststellen op € 345,- per maand.

11. Het hof is van oordeel dat van de moeder verlangd kan worden dat zij de teveel ontvangen alimentatiebedragen aan de vader terugbetaalt. De moeder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij, mede in aanmerking genomen de nog zeer jonge leeftijd van de minderjarige, de kinderalimentatie volledig heeft besteed en dat zij niet in staat is tot terugbetaling van de teveel betaalde kinderalimentatie. Bovendien had zij redelijkerwijs rekening kunnen houden met een terugbetalingsverplichting en daartoe eventueel gelden kunnen reserveren. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat de moeder eveneens onvoldoende inzage heeft gegeven in de mate waarin zij gerechtigd was tot de overwaarde van de woning die zij tezamen met haar ouders in eigendom had en die onlangs is verkocht.

12. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat evenmin tot een ander oordeel kan leiden.

13. Mitsdien zal als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2008 op € 345,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Van Dijk en Van de Poll, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2010.