Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9971

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
200.032.416-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging tot het doen van een schenking aan de bewindvoerder uit het vermogen van de rechthebbende ten bedrage van € 50.000,-; art. 1:441 lid 2 onder a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 192
FJR 2010, 99 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 maart 2010

Zaaknummer : 200.032.416/01

Zaaknummer rechtbank : 817650 EJ VERZ 09-80071

[de bewindvoerder],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. K.G.W. van Oven te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende;

2. [zoon I],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de zoon I];

3. [zoon II],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de zoon II].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De bewindvoerder is zowel in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de rechthebbende als uit eigen hoofde op 29 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 februari 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage (verder: de bestreden beschikking).

Op 4 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat, de rechthebbende, [de zoon I] en [de zoon II]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de bewindvoerder om te worden gemachtigd om aan zichzelf uit het vermogen van de rechthebbende een bedrag van € 50.000,- te schenken, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek inzake de machtiging tot het doen van een schenking aan de bewindvoerder uit het vermogen van de rechthebbende, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Zij is de moeder van de bewindvoerder en de overige belanghebbenden.

2. De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt:) het inleidend verzoek toe te wijzen in die zin, dat hij wordt gemachtigd een bedrag van € 50.000,- uit het vermogen van de rechthebbende aan zichzelf te schenken.

3. De bewindvoerder voert in zijn eerste grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist dat aan de door de rechthebbende getekende goedkeuring ten aanzien van de verzochte schenking slechts zeer geringe betekenis kan worden toegekend. In zijn tweede grief voert de bewindvoerder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist dat niet is gebleken van enige schenkingstraditie. Hij licht deze grieven als volgt toe. De rechthebbende heeft alle drie haar zonen steeds genereus van de nodige financiële middelen voorzien en zij heeft de bewindvoerder financieel gesteund bij de aankoop van zijn nieuwe woning. Het is daarom evident dat zij de bewindvoerder, die door het uitblijven van de verkoop van zijn oude woning in financiële problemen is geraakt, opnieuw zou willen steunen en ook zou hebben gesteund als er geen sprake was geweest van bewind. Dat er aan de door haar getekende goedkeuring slechts zeer geringe betekenis kan worden toegekend is dan ook onjuist. Daarnaast is er wel degelijk sprake van een schenkingstraditie: [de zoon II] heeft een huis ten geschenke gekregen, de bewindvoerder heeft schenkingen tot een totaalbedrag van € 184.000,- ontvangen voor de aanschaf van zijn huidige woning en jaarlijks ontvingen de zonen voor hun verjaardag bedragen in contanten van enkele duizenden euro’s.

Ter terechtzitting heeft de bewindvoerder verklaard dat de rechthebbende op een zeker moment haar financiële positie niet overzag en dat zij dientengevolge door derden gemakkelijk beïnvloed kon worden. Hij voelde zich verantwoordelijk en heeft derhalve, met instemming van de rechthebbende, de kantonrechter verzocht om haar onder bewind te stellen. Indien hij misbruik had willen maken van zijn bevoegdheid had hij dat reeds eerder kunnen doen, aangezien hij bij akte op [datum] voor notaris [naam] te [plaats] gemachtigd was om in haar plaats op te treden, aldus de bewindvoerder.

4. De rechthebbende, [de zoon I] en [de zoon II] hebben ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat zij met de schenking uit het vermogen van de rechthebbende aan de bewindvoerder ten bedrage van € 50.000,- instemmen.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek behoeft de bewindvoerder voor het doen van een beschikkingsdaad, zoals de onderhavige schenking, toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is, machtiging van de kantonrechter.

6. Bij beschikking van 23 oktober 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken van een patroon van op zijn minst vergelijkbare bevoordelingshandelingen van de rechthebbende jegens haar zoons voorafgaand aan de instelling van het bewind, zodat sprake is van een schenkingstraditie. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de rechthebbende over een vermogen van circa € 830.000,- beschikt en zij [de zoon I] en [de zoon II] jaarlijks enkele duizenden euro’s in contanten heeft gegeven voor hun verjaardagen. Daarnaast heeft de rechthebbende [de zoon II] in 1999 een perceel grond geschonken en heeft zij de bewindvoerder in de periode van 13 december 2007 tot en met 17 oktober 2009 financieel gesteund tot een totaalbedrag van € 184.000,-. Ter terechtzitting is gebleken dat deze schenkingen destijds in overleg binnen de familie zijn uitgevoerd. Naast de vaststelling door het hof dat sprake is van een schenkingstraditie neemt het hof nog het volgende in aanmerking. Zowel uit de hierboven geciteerde wetsbepaling als uit de wettelijke grond van onderbewindstelling blijkt dat de rechthebbende van onderbewindgestelde goederen niet zonder meer ten volle buiten staat moet worden geacht zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De rechthebbende heeft ter terechtzitting verklaard dat en om welke reden zij wenst dat de verzochte machtiging wordt verleend en daarbij het gestelde in haar aan het hof gerichte schriftelijke verklaring van 17 april 2009 bevestigd. Daarnaast hebben [de zoon I] en [de zoon II] ter terechtzitting nadrukkelijk verklaard in te stemmen met een schenking uit het vermogen van de rechthebbende ten bedrage van € 50.000,- aan de bewindvoerder.

7. Nu daarnaast niet te verwachten is dat de schenking van € 50.000,- de financiële positie van de rechthebbende in het kader van haar toekomstige verzorging in gevaar brengt, leent het verzoek van de bewindvoerder zich naar het oordeel van het hof voor toewijzing. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen en de bewindvoerder machtiging verlenen tot het doen van een schenking ten bedrage van € 50.000,- uit het vermogen van de rechthebbende aan zichzelf.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

verleent de bewindvoerder machtiging tot het doen van een schenking ten bedrage van € 50.000,- uit het vermogen van de rechthebbende aan zichzelf;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Kamminga en Bouritius, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2010 en geminuteerd op 17 maart 2010.