Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9876

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
105.000.736-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht causaliteit in schadestaatprocedure. Kunnen gedragingen van de schadeveroorzaker als onderdeel van de causale keten) aan de orde komen die niet in de hoofdzaak zijn vastgesteld?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 612
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/78 met annotatie van F.A. Bosma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.000.736/01

Rolnummer (oud) : 02/1400

Rolnummer rechtbank : 95/1627

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 30 maart 2010

inzake

PERMX B.V.,

gevestigd te Wageningen,

appellante,

hierna te noemen: PermX,

procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

behandelend advocaat: mr. M.C.J. Peters te Arnhem,

tegen

1. [Naam],

2. [Naam],

3. [Naam],

4. [Naam].

gevestigd te [plaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [V] in enkelvoud,

advocaat: mr. R.S. Meijer te Den Haag.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarresten van 25 augustus 2005, 28 februari 2006 en 29 mei 2008. Na het laatste tussenarrest heeft PermX een "akte houdende uitlating na het tussenarrest d.d. 29 mei 2008" genomen. Hierna heeft het hof op verzoek van PermX bij beslissing van 28 augustus 2008 tussentijds beroep in cassatie opengesteld. Vervolgens heeft [V] een "antwoordakte m.b.t. bewijslevering door Permx"genomen. Uit deze akte begrijpt het hof dat PermX geen cassatie tegen (een van) de tussenarresten heeft ingesteld. Tenslotte is opnieuw arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze schadestaatprocedure om de schade die PermX - destijds een vermeerderingsbedrijf dat moeder- of uitgangsmateriaal vermeerdert tot teeltmateriaal (bollen) - door het toerekenbaar tekortschieten door [V] in 1991 heeft geleden.

[V] heeft in de periode 1988 -1990 uitgangsmateriaal geleverd aan PermX, welk materiaal door PermX is voorzien van de codes PM 02-242 en 02-375. Van beide partijen is door [V] aangegeven dat het ging om het lelieras Con Amore. In 1991 hebben PermX en [V], naar aanleiding van de door PermX tijdens het vermeerderingsproces waargenomen geringe verschillen tussen beide partijen, besloten ter vaststelling van de soortechtheid een electroforesetest te laten uitvoeren, waarvan [V] de uitslag heeft ontvangen. [V] heeft het resultaat van deze test vervolgens op 30 juli 1991 onjuist en/of onvolledig doorgegeven aan PermX. PermX heeft vervolgens de door haar vermeerderde bollen als Con Amore geleverd aan afnemers. Nadat bleek dat uit de bollen geen Con Amore kwam (maar een andere soort lelie, die later X-White is genoemd), hebben de afnemers in de periode juli - medio september 1992 tot een bedrag van fl. 2.831.448,-- claims ingediend.

Hierna is het krediet door de ING - toen NMB - opgezegd en is in februari 1993 surséance verleend en het bedrijf stopgezet. Permx heeft gesteld dat zij, inclusief de afnemersclaims, schade heeft geleden ten bedrage van fl. 36.222.311,--.

2. De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 januari 1995 in de hoofdprocedure overwogen:

"11.... is de rechtbank van oordeel dat [V] jegens PermX toerekenbaar is tekortgeschoten in haar informatieplicht, en derhalve jegens Permx aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade.

Vervolgens heeft de rechtbank [V] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan PermX van de door de tekortkoming als bedoeld in rechtsoverweging 11 veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat. Bij arrest van dit hof van 6 februari 1997 is het vonnis, voor zover hier van belang, bekrachtigd. Het hof heeft overwogen dat [V] ernstig in haar informatieverplichting is tekortgeschoten.

3. In deze schadestaatprocedure heeft de rechtbank [V] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 192.856,59 (fl. 425.000,--), met rente. Zij heeft daartoe overwogen dat de afnemers in januari 1993 bereid waren voor dat bedrag de afnemersclaims te schikken. De overige schade heeft zij afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen het tekortschieten van [V] en de opzegging van het krediet door de ING-bank. Permx is van dit vonnis in beroep gekomen.

4. Tijdens de op 21 april 2006 gehouden comparitie van partijen zijn partijen overeengekomen de afnemersclaims vast te stellen op een bedrag van € 192.856,59 aan hoofdsom. In het Proces-verbaal is vermeld:

"Met het vorenstaande hebben partijen beoogd een regeling te treffen voor de omvang van de afnemersclaims en alle daarmee samenhangende problemen (...)

Gevolg van het vorenstaande is dat partijen het Hof vragen enkel en alleen nog een beslissing te nemen ten aanzien van de kwestie van de causaliteit, door partijen ook wel het sneeuwbaleffect genoemd."

5. Het sneeuwbaleffect ziet op de stelling van Permx dat de foutieve informatie van [V] en de daaruit voortvloeiende afnemersclaims hebben geleid tot reputatieverlies bij PermX, opdroging van de orderstroom en opzegging van het krediet door de ING-bank. Door de opzegging van het krediet werden de surséance van betaling en de stopzetting van het bedrijf onvermijdelijk, aldus PermX. [V] betwist dat de surséance van betaling en de stopzetting van het bedrijf is veroorzaakt door haar voormelde tekortkoming, althans dat deze aan haar kunnen worden toegerekend.

6. Het hof heeft in zijn laatstgenoemde tussenarrest beslist dat de bewijslast betreffende het causale verband tussen de schade en de tekortkoming van [V], rust op PermX, dat dit bewijs vooralsnog niet is geleverd en dat zij zal worden toegelaten te bewijzen dat het niet voldoen aan de informatieverplichting door [V] heeft geleid tot de surseance en beëindiging van haar bedrijf. Het hof heeft PermX verzocht de stukken betreffende de kredietverlening en -opzegging door ING in het geding te brengen. De zaak is naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van PermX, waarbij PermX tevens diende aan te geven op welke wijze zij verder nog bewijs wil leveren.

7. PermX heeft in haar akte na dit tussenarrest reeds eerder (als producties 3 A t/m K en 31 bij haar akte van 21 november 2000) overgelegde stukken betreffende de kredietverlening door de ING besproken, waarbij zij op haar bijzondere positie als, op het gebied van plantvermeerdering vernieuwend, Research en Development (R&D) bedrijf heeft gewezen. Zij heeft daarbij onder meer de volgende stukken besproken

- haar voor de kredietverlening aan de ING voorgelegde ondernemersplan;

- brieven van de ING (toen NMB) d.d. 29 april 1992 betreffende de verlening van de, deels voorwaardelijke, kredieten tot een bedrag van fl. 6.000.000,--;

- stukken betreffende subsidieverlening en borgstelling door overheidsinstanties.

Met betrekking tot de opzegging van het krediet heeft PermX geen stukken overgelegd. Zij stelt daar niet over te beschikken. Zij heeft concreet bewijs van de gang van zaken met betrekking tot de opzegging aangeboden door het doen horen van onder meer haar toentertijd bij het overleg met ING betrokken DGA […], de betrokken ING-medewerkers, […] en […] en een aantal voormalige aandeelhouders/risico-investeerders.

8. [V] heeft in zijn antwoordakte gesteld dat er geen plaats is voor (nadere) bewijslevering en de vordering (voor het na de schikking resterende deel) direct moet worden afgewezen.

Zij stelt daartoe dat

a. PermX niet aan haar stelplicht heeft voldaan, terwijl haar bewijsaanbod onvoldoende specifiek is en

b. PermX' betoog onverenigbaar is met de toegelaten bewijslevering;

9. Ad a.

[V] verwijt PermX geen documentatie te hebben overgelegd betreffende een aantal relevante gebeurtenissen, zoals met name de verzoeken aan de ING om kredietuitbreiding en verzoeken aan kapitaalverstrekkers respectievelijk investeerders in het najaar van 1992, de afwijzing daarvan en de opzegging van het krediet door de ING. Zij wijst op andere mogelijke oorzaken van de deconfiture van PermX (zie punt 12 van haar akte) en de omstandigheid dat het ING-krediet voorzag in een niet gebruikte buffer van fl.1,2 miljoen, terwijl de (bovendien op [V] verhaalbare) afnemersclaims slechts een reële "waarde" hadden van € 192.856,95/fl. 425.000,--. [V] meent, begrijpt het hof, dat het gelet op dit gemotiveerde verweer op de weg van PermX had gelegen de door haar gestelde causaliteit nader te onderbouwen en/of een meer specifiek bewijsaanbod te doen.

Het hof deelt dit oordeel niet. Nu PermX concreet bewijs door getuigen heeft aangeboden omtrent voormelde kwesties, zijn het ontbreken van documentatie en de inhoud van het verweer van [V] onvoldoende reden om reeds thans zonder getuigen te horen de gevolgschade als onvoldoende onderbouwd af te wijzen. In het kader van en na de bewijslevering kunnen de verweren van [V] aan de orde komen.

10. Wat de waarde van de afnemersclaims betreft merkt het hof nog op dat de desbetreffende vordering ter comparitie is geschikt op een bedrag van € 192.856,59, hetgeen aanzienlijk lager is dan het door PermX in dat verband gevorderde bedrag van bijna drie miljoen gulden. In het laatste tussenarrest is beslist dat het schikkingsbedrag als "waarde" van de claims als uitgangspunt bij de bepaling van de causaliteit heeft te gelden. Het bovenstaande doet er echter niet aan af dat de omstandigheid dat PermX werd geconfronteerd met een - naar vaststaat niet realistisch - bedrag aan claims van bijna drie miljoen gulden, een omstandigheid is waarmee rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de causaliteit, indien en voor zover dat toerekenbaar is aan [V] in het kader van de schending van haar informatieplicht. Overigens heeft PermX gesteld dat de beslissing van de ING, gelet op het verloren vertrouwen, niet anders zou zijn geweest indien op dat moment een regeling van de afnemersclaims voor een bedrag van fl. 425.000,- mogelijk zou zijn geweest.

11. Ad b.

[V] stelt dat de eigen stellingen van PermX inzake de tot haar deconfiture leidende "sneeuwbal"-schakels zonder meer in de weg staan aan toewijzing van haar vordering, omdat PermX stelt dat het reputatieverlies en het wegvallen van orders (en dus de surséance en de stopzetting van het bedrijf) mede het gevolg waren van handelingen van [V] na de onderhavige schending van de informatieplicht op 30 juli 1991, welke handelingen buiten het in de hoofdzaak vastgestelde kader van deze schadestaatprocedure vallen.

Het hof heeft in zijn eerste en derde tussenarrest overwogen dat, nu in het hoofdgeding (enkel) is vastgesteld dat sprake is van het (ernstig) toerekenbaar tekortschieten door [V] in haar bovenomschreven informatieplicht, het slechts gaat om de vaststelling van de daardoor veroorzaakte schade. Gelet daarop is het beroep van PermX op handelingen van [V] na diens schending van de informatieplicht (zoals de brief van [V] aan afnemers van PermX van 28 juli 1992 waarin [V] zich zelf vrijpleit en de opzegging van het vermeerderingscontract in september 1992) in zoverre gepasseerd dat niet moet worden beoordeeld of deze (vermeende) handelingen op zichzelf (los van het antwoord op de vraag of er tussen schending van de informatieplicht en deze handelingen een causaal verband bestaat) een tekortkoming of onrechtmatig handelen opleveren, waardoor de schade (mede) is veroorzaakt. Deze handelingen - indien en voor zover zij komen vast te staan - kunnen echter wel relevant zijn indien er een causaal verband kan worden aangenomen tussen de schending van de informatieplicht en deze handelingen en zij dus onderdeel zijn van de causale keten. Wat dat betreft zijn deze handelingen op één lijn te stellen met andere gebeurtenissen die na schending van de informatieplicht hebben plaatsgevonden. Dat deze handelingen (deels) zijn betwist is ook geen reden om ze buiten beschouwing te laten. Ook dat geldt voor andere vermeende gebeurtenissen, die mogelijk onderdeel uitmaken van de causale keten tussen de schending van de informatieplicht en de surséance en stopzetting van het bedrijf. Voor zover [V]s stellingen op dit punt aldus zouden moeten worden opgevat dat deze handelingen volledig weggedacht moeten worden, kan het hof [V] dan ook niet volgen. Het gaat er om of tussen de schending van de informatieplicht en deze handelingen en de surséance en de stopzetting van het bedrijf van PermX een conditio sine qua non verband is en of zij aan [V] als degene die in de nakoming van haar informatieverplichting (ernstig ) is tekortgeschoten toerekenbaar zijn.

Het bovenstaande brengt mee dat de stelling van [V] dat het betoog van PermX onverenigbaar is met het toelaten van bewijslevering niet kan slagen.

12. Het hof zal PermX derhalve toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat er causaal verband bestaat tussen de schending van [V] van haar informatieplicht en de surséance en de stopzetting van het bedrijf van PermX.

Het hof beschikt reeds over een kopie van het procesdossier, zodat geen extra kopie hoeft te worden overgelegd. Voor het (eerste) getuigenverhoor heeft het hof maximaal vier uur beschikbaar.

13. Het hof zal, gelet op het hiervoor omschreven standpunt van [V], bepalen dat van dit tussenarrest tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.

14. Op de overige stellingen en weren van partijen zal het hof zo nodig in een later stadium ingaan.

Beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen

laat PermX toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat er causaal verband bestaat tussen de schending van [V] van haar informatieplicht en de surseance en de stopzetting van het bedrijf van PermX;

bepaalt dat het (eerste) getuigenverhoor zal plaatsvinden voor de ten deze benoemde raadsheer-commissaris mr. A.D. Kiers-Becking in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag op dinsdag 1 juni 2010 om 9.30 uur;

bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juni, september en oktober 2010, opgeeft op de bepaalde datum verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat tegen dit tussenarrest beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat het eindarrest is gewezen.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, A.D. Kiers-Becking en M.Y Bonneur; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2010 in aanwezigheid van de griffier.