Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9873

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
200.011.584-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exclusieve distributieovereenkomst; geen beëindiging met wederzijds goedvinden; eenzijdige wijziging van betalingsvoorwaarden en aanstelling van een derde als exclusief distributeur leveren tekortkomingen op en tevens een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.011.584/01

Rolnummer Rechtbank : 289129/HA ZA 07-1837

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 16 maart 2010

inzake

BANDIT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Wateringen, gemeente Westland,

appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel beroep,

hierna te noemen: Bandit Nederland,

advocaat: mr. S. van Wijk te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

BANDIT N.V.,

gevestigd te Opglabbeek (België),

geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel beroep,

hierna te noemen: Bandit België,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Verloop van het geding

Bij exploot van 16 juli 2008, met producties, is Bandit Nederland in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 april 2008. Daarbij heeft Bandit Nederland vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, welke door Bandit België bij memorie van antwoord, houdende incidenteel appel zijn bestreden. Daarbij heeft Bandit België twee grieven aangevoerd, die door Bandit Nederland bij memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie, zijn bestreden.

Op 4 februari 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Bandit België door mr. M. Velsink, advocaat te Haarlem en Bandit Nederland door mr. M.J.H. Vermeeren, advocaat te 's-Gravenhage, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het principale en het incidentele beroep

1. De rechtbank heeft in r.o. 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. In haar eerste grief bestrijdt Bandit Nederland die vaststelling, voor zover deze niet strookt met de weergave van de feiten in de toelichting op de eerste grief. In deze toelichting geeft Bandit Nederland niet aan in welk opzicht de feitenvaststelling van de rechtbank onjuist is. Wel voegt zij daaraan enkele elementen toe. Daarbij gaat het echter om stellingen die door Bandit België zijn bestreden (zoals de exclusiviteit van de overeenkomsten tussen Bandit België en Bandit Nederland, respectievelijk FR Security B.V.) en die door de rechtbank deels onder het kopje "De beoordeling" zijn besproken. Ook het hof zal de betreffende stellingen in de beoordeling van het hoger beroep meewegen. De grief faalt derhalve en het hof zal uitgaan van de feiten, zoals in de r.o. 2.1 tot en met 2.14 van het vonnis weergegeven.

2. Uitgangspunt in deze zaak is dat Bandit België begin 2005, tezamen met Tourisq Beheer B.V. (hierna: Tourisq) Bandit Nederland heeft opgericht teneinde de door Bandit België vervaardigde mistgeneratoren in Nederland te verhandelen. Tot en met medio mei 2006 heeft Bandit België overeenkomstig deze doelstelling mistgeneratoren aan Bandit Nederland geleverd, respectievelijk heeft Bandit Nederland deze producten van Bandit België afgenomen. Vervolgens is deze handelsrelatie, die niet in een schriftelijke overeenkomst is vastgelegd, geëindigd.

3. Het gaat in dit hoger beroep, evenals in eerste aanleg, om de vraag of Bandit België is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bandit Nederland, door (i) eind april 2006 in afwijking van de voorheen geldende praktijk betaling vooraf te verlangen en (ii) met ingang van 1 mei 2006 een overeenkomst tot levering van mistgeneratoren aan te gaan met FR Security B.V. (hierna: FR Security). Bandit Nederland stelt voorts dat Bandit België aldus de tussen partijen bestaande overeenkomst (die zij kwalificeert als een exclusieve distributieovereenkomst) eenzijdig heeft beëindigd en dat Bandit België, door dit met onmiddellijke ingang en zonder betaling van een redelijke vergoeding te doen, schadevergoedingsplichtig is geworden. Bandit Nederland vordert in verband daarmee een aantal verklaringen voor recht en (naar zij bij pleidooi in hoger beroep heeft verduidelijkt) schadevergoeding, op te maken bij staat.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, daartoe overwegend dat, hoewel de overeenkomst tussen partijen dient te worden gekwalificeerd als een exclusieve distributieovereenkomst, de beëindiging daarvan heeft plaatsgevonden met wederzijds goedvinden en op initiatief van Bandit Nederland, zodat van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake is. Daartegen richten zich de grieven II tot en met IV.

4. In haar incidentele beroep bestrijdt Bandit België onder meer dat sprake is geweest van een exclusieve distributieovereenkomst. Gelet op het belang daarvan voor de verdere beoordeling van het geschil, zal het hof dit verweer eerst behandelen.

5. Hoewel de desbetreffende grief in het incidenteel appel zich alleen richt tegen het oordeel dat aan Bandit Nederland exclusiviteit is verleend, wordt in het kader van het verweer tegen de eerste grief van Bandit Nederland aangevoerd dat Bandit België met klem bestrijdt dat zelfs maar een distributieovereenkomst tussen partijen is overeengekomen. In de pleitnota in appel wordt dat verweer nader uitgewerkt. Gesteld wordt dat tussen partijen geen enkele overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot import en/of distributie, dat Bandit Nederland haar producten naar eigen goeddunken voor eigen rekening en risico koopt en verkoopt en dat geen sprake is van gebruikelijke afspraken betreffende in- en verkoopprijzen, levertijden, reclame, etc. Volgens Bandit België was Bandit Nederland slechts een wederverkoper. Ter zitting heeft Bandit België nader gesteld dat wel sprake is geweest van een duurovereenkomst van enigerlei soort, maar dan één waarvan de inhoud niet nader is uitgewerkt.

6. Zoals de rechtbank heeft overwogen, kan het bestaan van een overeenkomst van een bepaalde inhoud ook uit de feitelijke gedragingen van partijen blijken. Daarbij is bepalend dat het bij de vaststelling van hetgeen tussen partijen is overeengekomen aankomt op de zin die partijen in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

7. De - niet wettelijk geregelde - distributieovereenkomst kan worden omschreven als een duurovereenkomst waarbij de ene partij, de leverancier, zich verplicht bepaalde producten of diensten te leveren aan zijn wederpartij, de distributeur, met het oog op doorlevering van die producten of diensten aan afnemers van die distributeur voor rekening en risico van de distributeur en in diens naam. De stelling dat tussen partijen een overeenkomst van deze aard is gesloten wordt ondersteund door (i) het feit dat Bandit België tezamen met Tourisq Bandit Nederland heeft opgericht met als statutaire doelomschrijving het im- en exporteren, aan- en verkopen, alsmede het installeren van actieve beveiligingsapparatuur, (ii) de vermelding op de toenmalige website van Bandit België van Bandit Nederland als "verdeler" en (iii) de omstandigheid dat Bandit België op bestelling van Bandit Nederland Bandit mistgeneratoren aan laatstgenoemde leverde, welke Bandit Nederland voor haar rekening en risico in Nederland doorverkocht. In het licht hiervan heeft Bandit België haar betwisting van de stelling dat tussen partijen een distributie-overeenkomst is gesloten onvoldoende gemotiveerd. Immers, de gehoudenheid van Bandit België om te leveren aan Bandit Nederland en de verbintenis van Bandit Nederland om de producten in Nederland voor eigen rekening en risico verder te verkopen blijkt uit de hiervoor onder (i) tot en met (iii) genoemde, niet betwiste omstandigheden en dat is voldoende om van een distributieovereenkomst te kunnen spreken, althans heeft Bandit Nederland op grond van die omstandigheden in elk geval mogen begrijpen dat een overeenkomst van dergelijke aard tussen partijen was gesloten. De omstandigheid dat tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt over prijzen, levertijden en reclame e.d. doet (indien juist) daaraan niet af.

8. Bandit België betwist eveneens dat zij Bandit Nederland exclusiviteit heeft verleend. Zij stelt terzake dat daarover geen afspraken tussen partijen zijn gemaakt en dat het vast beleid is binnen haar onderneming om pas tot het verlenen van exclusiviteit over te gaan wanneer een afnemer heeft aangetoond de gehele regio te kunnen bestrijken. De omstandigheid dat er op haar website per land slechts één wederverkoper is vermeld, heeft volgens Bandit België geen betekenis. Zij geeft daarvoor als verklaring dat er doorgaans, mede gelet op de beperkte handel in mistgeneratoren, geen behoefte is aan meer dan één wederverkoper. Van de wederverkopers in de andere landen heeft slechts een deel exclusiviteit, aldus Bandit België. De omstandigheid dat Bandit België heeft geïnvesteerd in Bandit Nederland maakt dit volgens Bandit België niet anders.

9. De rechtbank heeft in r.o. 4.4 van haar vonnis overwogen dat, gelet op het grote aantal aanwijzingen dat tussen partijen wel degelijk een exclusieve relatie bestond, de betwisting daarvan door Bandit België onvoldoende gespecificeerd is. Het hof neemt dat oordeel, onder verwijzing naar de door de rechtbank in r.o. 4.4 opgesomde omstandigheden, over en voegt daar nog het volgende aan toe.

Ook hier geldt dat het bij de vaststelling van hetgeen tussen partijen is overeengekomen aankomt op de zin die partijen in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De door de rechtbank in r.o. 4.4 genoemde omstandigheden (i) dat Bandit België tezamen met Tourisq Bandit Nederland heeft opgericht met als doel het im- en exporteren, aan- en verkopen, alsmede het installeren van actieve beveiligingsapparatuur, (ii) dat Bandit België preferent aandeelhoudster is van Bandit Nederland en (iii) dat de investeringen voor het opzetten van de distributie van de producten van Bandit België door Bandit Nederland mede door Bandit België zijn gefinancierd, leiden, tezamen met de omstandigheid (iv) dat Bandit Nederland vanaf haar oprichting uitsluitend en bovendien - afgezien van het speciale arrangement met ASB - als enige in Nederland producten van Bandit België heeft verhandeld, tot de conclusie dat Bandit Nederland er - naar Bandit België moest begrijpen - redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat Bandit België haar exclusiviteit verleende voor de Nederlandse markt. Mede in dit licht bezien heeft Bandit België, tevens gelet op het overige voorhanden bewijs (de verklaring van [P] en de e-mail van [L] van 28 april 2006, producties 6 en 8 bij de akte van Bandit Nederland in eerste aanleg), ook met hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd, haar betwisting van de stelling dat partijen exclusiviteit voor Bandit Nederland zijn overeengekomen, onvoldoende gemotiveerd. Het door Bandit België gestelde "algemene beleid" om nooit direct exclusiviteit te verlenen en de stelling dat zij in andere landen met slechts enkele van haar wederverkopers exclusiviteit is overeengekomen doen immers niet af aan hetgeen Bandit Nederland op grond van de verklaringen en gedragingen van Bandit België omtrent de inhoud van de overeenkomst mocht verwachten.

10. De volgende vraag die moet worden beantwoord is of sprake is geweest van een beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden, zoals de rechtbank heeft aangenomen. Bij haar dienovereenkomstige vaststelling (r.o. 4.6) heeft de rechtbank in aanmerking genomen (i) dat partijen in hoofdzaak overeenstemming hadden bereikt over de overname van de aandelen in Bandit Nederland (het hof begrijpt: van Tourisq) door Bandit België en betaling van een bedrag van € 40.000,- door Bandit België aan Bandit Nederland en (ii) dat de heer [M] (via Tourisq indirect bestuurder van Bandit Nederland) ter comparitie heeft verklaard dat de op 21 april 2006 bereikte overeenstemming kan worden beschouwd als een beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden. In r.o. 4.7 voegt de rechtbank daaraan toe dat de omstandigheid dat partijen vervolgens onenigheid hebben gekregen over de betaling van de overeengekomen koopprijs losstaat van (het hof begrijpt) de overeenstemming als zodanig.

11. Het hof volgt de rechtbank daarin niet. Uit de stellingen van partijen en de ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken blijkt dat partijen weliswaar in beginsel overeenstemming hadden bereikt over de aandelenoverdracht (en daarmee: het eindigen van de samenwerking in de tot op dat moment bestaande vorm), maar dat Bandit België nog een onderzoek in de boeken van Bandit Nederland wenste te doen. Vervolgens bleek dat partijen verschillende gedachten hadden over de vraag of de koopprijs nu wel (Bandit België) of niet (Bandit Nederland) mede bepaald was door de, door Bandit Nederland genoemde, maar niet verstrekte, order van Securitas. Daarop is de aandelentransactie afgeketst. Uit deze gang van zaken blijkt dat de beëindiging van de overeenkomst tussen partijen, in elk geval wat Bandit Nederland betreft, afhankelijk was van het slagen van de aandelentransactie en - daarmee - de ontvangst van € 40.000,-. Dat Bandit Nederland niet onvoorwaardelijk instemde met het eindigen van de samenwerking blijkt ook uit de verklaring van de heer [M] ter comparitie bij de rechtbank. De volledige verklaring luidt immers:

"U vraagt mij of uit die e-mail (de e-mail van [M] aan [V] van 22 april 2006, hof) niet de conclusie mag worden getrokken dat er sprake was van een beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden. Dat klopt, maar dan wel een beëindiging op de daarin genoemde voorwaarden." (Onderstreping hof).

Blijkens bedoelde e-mail is onderdeel van die voorwaarden de betaling door Bandit België aan Bandit Nederland van € 40.000,-, ter inlossing van de rekening courant tussen Bandit Nederland en Tourisq.

Nu de desbetreffende transactie geen doorgang heeft gevonden is derhalve ook geen sprake van een beëindiging van de overeenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden. Om dezelfde reden gaat het betoog van Bandit België, dat de stelling van Bandit Nederland in hoger beroep dat geen sprake is geweest van wederzijds goedvinden, in het licht van de verklaring ter comparitie van de heer [M] als een gedekt verweer moet worden beschouwd, niet op.

12. De omstandigheid dat het initiatief tot het overdragen van de aandelen van Tourisq in Bandit Nederland en het beëindigen van de overeenkomst tussen Bandit Nederland en Bandit België van Tourisq, respectievelijk Bandit Nederland is uitgegaan - omdat, naar Bandit Nederland ten pleidooie heeft verklaard, de activiteiten bij nader inzien minder goed binnen het VCR-concern pasten - maakt het bovenstaande niet anders. Daaraan waren, zoals is gebleken, voorwaarden verbonden die niet in vervulling zijn gegaan. Uitgangspunt is derhalve dat Bandit Nederland de overeenkomst níet wenste te beëindigen.

13. De volgende vraag die beantwoording behoeft (en ook in de tweede grief in het incidentele appel aan het hof wordt voorgelegd) is of sprake is geweest van een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door Bandit België. Het betoog van Bandit Nederland komt erop neer dat de eenzijdige wijziging van de betalingsvoorwaarden door Bandit België - waaraan zij, Bandit Nederland, niet kon voldoen -, in samenhang met het aangaan van een exclusieve distributie-overeenkomst door Bandit België met FR Security, niet alleen elk voor zich als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst moet worden aangemerkt, maar feitelijk tevens neerkomt op een eenzijdige beëindiging van die overeenkomst. Bandit België voert als verweer aan dat noch het stellen van de voorwaarde van betaling vooraf (waarvoor zij naar eigen zeggen gegronde redenen had), noch het sluiten van een overeenkomst met FR Security meebrachten dat Bandit Nederland geen bestellingen meer bij haar kon plaatsen. Bovendien was er, aldus Bandit België, niets tussen partijen afgesproken over betalingscondities, zodat in dat opzicht ook geen sprake kan zijn van een wijziging.

14. Als gesteld en niet betwist staat vast dat Bandit Nederland voorheen bestellingen bij Bandit België kon plaatsen zonder vooruitbetaling. Evenmin is betwist dat de facturen van Bandit België door Bandit Nederland werden voldaan na ontvangst van de betalingen van haar afnemers. Anders dan Bandit België betoogt, kan ook uit het feitelijk handelen van partijen worden afgeleid dat zij bepaalde (stilzwijgende) afspraken hebben over (bij voorbeeld) het tijdstip van betaling. Nu Bandit België erkent dat zij vanaf de eerste bestelling tot aan eind april 2006 aan Bandit Nederland heeft geleverd op leverancierskrediet, moet die praktijk worden aangemerkt als de geldende betalingsvoorwaarde. Het vervolgens, zonder overleg, stellen van de eis van (aan de levering) voorafgaande betaling (danwel contant bij aflevering) is dan aan te merken als een (eenzijdige) wijziging van die voorwaarde.

15. Bandit België stelt dat zij voor die wijziging gegronde redenen had, nu uit het boekenonderzoek was gebleken dat de financiële positie van Bandit Nederland zorgwekkend was. Zij stelt voorts dat zij op grond van Belgische wetgeving gehouden was zich in te dekken tegen het uitblijven van betalingen. Bandit Nederland stelt daar tegenover dat zij nimmer in gebreke is geweest met het doen van betalingen aan Bandit België en dat zij alle facturen binnen dertig dagen heeft betaald. Dit is door Bandit België niet betwist en staat dus vast. Bandit Nederland stelt voorts dat de VCD-groep (waartoe Tourisq behoort) waar nodig garant stond. Dat laatste is door Bandit België betwist. Tot slot stelt Bandit Nederland dat de gewijzigde voorwaarde per direct inging en dat Bandit België niet openstond voor onderhandelingen over alternatieven.

16. Het hof is van oordeel dat in een relatie zoals deze tussen partijen bestond, te weten: een relatie waarin de bedrijfsactiviteiten van de ene partij uitsluitend hierin bestaan dat zij op basis van exclusiviteit (uitsluitend) door de andere partij geproduceerde goederen op de Nederlandse markt afzet en er mitsdien sprake is van een grote mate van afhankelijkheid, het de partij die de goederen levert niet is toegestaan om zonder overleg met de andere partij een wezenlijke wijziging aan te brengen in de betalingsvoorwaarden. Dat kan slechts anders zijn wanneer het beroep op de geldende betalingsvoorwaarden van de betalende partij in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De door Bandit België in dat verband aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen die conclusie niet. Het mag zo zijn dat de financiële positie van Bandit Nederland niet rooskleurig was, vast staat echter dat Bandit Nederland tot aan de wijziging van de hier in het geding zijnde betalingsvoorwaarde steeds tijdig aan haar betalingsverplichtingen had voldaan. De financiële positie van een onderneming is in dat verband ook niet alles bepalend: het gaat om de liquiditeitspositie, die in het geval van Bandit Nederland mede bepaald werd door het (kennelijk onberispelijke) betalingsgedrag van de afnemers van de onderneming. Ook de bereidheid van een groepsvennootschap om waar nodig te financieren kan in dat verband van betekenis zijn. Nu gesteld noch gebleken is dat Bandit België concrete aanwijzingen had dat Bandit Nederland haar facturen anders dan voorheen niet tijdig meer zou betalen, was de eenzijdige wijziging van de betalingsvoorwaarde niet gerechtvaardigd. Bandit België heeft in dat verband evenmin aangetoond dat zij onder deze omstandigheden op grond van Belgische regelgeving gehouden was tot deze wijziging.

17. Bandit Nederland heeft onbetwist gesteld dat zij niet met onmiddellijke ingang aan die gewijzigde voorwaarde kon voldoen. De omstandigheid dat zij eenmaal (in mei 2006) een bestelling vooruit heeft betaald doet daaraan niet af, nu dat een kleine bestelling betrof in het kader van serviceverlening aan een klant.

18. Wat betreft het aangaan van een overeenkomst met FR Security door Bandit België overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat FR Security door Bandit Nederland bij Bandit België is geïntroduceerd als partij die geïnteresseerd zou kunnen zijn in de aandelen die Tourisq in Bandit Nederland hield en/of overname van de activiteiten van Bandit Nederland. Uiteindelijk echter is Bandit België, zonder dat bedoelde aandelenoverdracht werd gerealiseerd, per 1 mei 2006 een overeenkomst met FR Security aangegaan tot het leveren van mistgeneratoren aan deze ten behoeve van de Nederlandse markt. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of ook met FR Security op basis van exclusiviteit werd gecontracteerd.

19. In de hiervoor reeds genoemde e-mail van [L] aan de heer [M] van

28 april 2006 schrijft deze onder meer:

"Graag wil ik je even in herinnering brengen dat het initiatief om met de Bandit activiteiten te stoppen en FR bij Bandit NV te introduceren van jouw medewerker [P] is gekomen. Als gevolg van die contacten heb jij mij persoonlijk geïntroduceerd bij Bandit NV en [V]. Jij hebt er bij die gelegenheid mee ingestemd dat FR op exclusieve basis (behoudens de speciale uitvoering die al sinds jaren aan ASB wordt verkocht) het Bandit product in de Nederlandse markt zou vertegenwoordigen." (Onderstreping hof).

Als productie 7 bij genoemde akte is (onder meer) overgelegd een foto van een affiche waarmee, naar Bandit Nederland onweersproken heeft gesteld, Bandit België en FR Security laatstgenoemde op de Security and Safety Beurs hebben geïntroduceerd, met de volgende inhoud:

"Bandit

(...)

Exclusieve distributie

in Nederland via

FR Security

(...)"

Voorts is als productie 13 bij genoemde akte overgelegd een kopie van een faxbericht van Bandit België aan Bandit Nederland van 11 mei 2006, waarin (met betrekking tot de in r.o. 17 genoemde order) namens Bandit België onder meer wordt geschreven:

"Enerzijds wensen we met de behandeling van deze order geen precedent te creëren alsof er niets gebeurd is en anderzijds wensen we jullie eindklanten niet te onthouden van enige service."(Onderstreping hof).

20. De hiervoor weergegeven stukken bevatten sterke aanwijzingen dat Bandit België met FR Security heeft gecontracteerd op basis van exclusiviteit, respectievelijk dat Bandit België eigenlijk niet meer aan Bandit Nederland wenste te leveren. In het licht daarvan heeft Bandit België haar betwisting van de stelling van Bandit Nederland dat Bandit België (ook) aan FR Security exclusiviteit heeft verleend, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat bedoelde exclusiviteit vaststaat.

21. Bij pleidooi heeft Bandit België te bewijzen aangeboden dat de overeenkomst met FR Security na het afketsen van de aandelentransactie is aangegaan met medeweten en zonder protest van Bandit Nederland. Voor zover Bandit België daarmee zou willen betogen dat de overeenkomst is gesloten met goedkeuring van Bandit Nederland heeft Bandit België niet aan haar stelplicht voldaan, nu zij verzuimt aan te geven uit welke feiten en omstandigheden die goedkeuring zou blijken. Het achterwege laten van protest is daartoe zonder nadere omstandigheden, die niet zijn gesteld, onvoldoende. Indien Bandit België meent dat Bandit Nederland, door (aanvankelijk) niet te protesteren, haar recht heeft verwerkt om rechtsgevolgen te verbinden aan het aangaan van de bedoelde overeenkomst, is het bewijsaanbod niet terzake doende, nu enkel stilzitten niet voldoende is voor het aannemen van rechtsverwerking.

22. Het door Bandit België eenzijdig wijzigen van de betalingsvoorwaarde en aangaan van een (exclusieve) distributieovereenkomst met FR Security leveren elk voor zich een toerekenbare tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst met Bandit Nederland; het laatste omdat Bandit België immers reeds aan Bandit Nederland exclusieve rechten had verleend. Voorts leveren deze gedragingen tezamen feitelijk een eenzijdige beïndiging van de overeenkomst met Bandit Nederland op en wel met onmiddellijke ingang. Immers, Bandit België heeft de nieuwe betalingsvoorwaarde eind april 2006 per direct doen ingaan en is de overeenkomst met FR Security slechts enkele dagen daarna aangegaan. De stelling van Bandit België dat zij bereid bleef aan Bandit Nederland te leveren doet daaraan niet af, omdat deze (gestelde) bereidheid onverlet laat dat Bandit België de overeenkomst zoals die tussen partijen tot stand was gekomen (dus: met exclusiviteit voor Bandit Nederland en met betaling achteraf) niet meer wenste na te komen.

23. Tenslotte dient dan de vraag te worden beantwoord of Bandit België de overeenkomst met Bandit Nederland mocht beëindigen met onmiddellijke ingang en zonder financiële tegemoetkoming. Het hof stelt voorop dat de vraag of een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden opgezegd en zo ja, onder welke voorwaarden, bij gebreke van een wettelijke of contractuele regeling daaromtrent moet worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de aard en inhoud van de overeenkomst en in verband met de omstandigheden van het geval. Onbetwist is dat hier sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Deze mag in beginsel door één van partijen worden opgezegd. Onder welke voorwaarden dat mag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van belang is in dat verband dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat Bandit Nederland investeringen heeft gedaan ten behoeve van de verkoop van de mistgeneratoren van Bandit België; zij verschillen slechts van mening over de hoogte van die investeringen. Niet, althans onvoldoende betwist is dat Bandit Nederland eind april 2006 nog niet in staat was gebleken deze investeringen terug te verdienen. Van belang is verder dat de enige bedrijfsactiviteit van Bandit Nederland bestond uit het verkopen van mistgeneratoren van Bandit België, zodat zij daarvan afhankelijk was. Onder die omstandigheden verzetten de eisen van redelijkheid en billijkheid zich tegen een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst met onmiddellijke ingang en zonder financiële tegemoetkoming. Die eisen brengen mee dat Bandit België Bandit Nederland een redelijke termijn had moeten gunnen om zich in te stellen op het eindigen van de overeenkomst en/of aan Bandit Nederland een financiële vergoeding had moeten aanbieden voor de gevolgen van bedoeld eindigen. De concrete invulling van deze, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting dient plaats te vinden in de schadestaatprocedure, nu het debat over de precieze schade van Bandit Nederland door het onverhoeds eindigen van de overeenkomst in de onderhavige procedure onvoldoende is uitgekristalliseerd.

24. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Gelet op hetgeen in r.o. 23 is overwogen, is aan die voorwaarde voldaan.

25. Voor zover Bandit België bewijsaanbiedingen heeft gedaan die in het voorgaande nog niet besproken zijn, worden zij gepasseerd omdat daarin geen feiten te bewijzen worden aangeboden die tot een ander oordeel kunnen leiden.

26. Het voorgaande brengt mee dat de grieven II tot en met IV in het principale beroep slagen en de grieven in het incidentele beroep falen. De vorderingen van Bandit Nederland zullen worden toegewezen, met dien verstande dat zowel de verklaring voor recht van de tekortkoming, als de veroordeling tot schadevergoeding zal worden beperkt tot de beëindiging van de overeenkomst. De reden daarvoor is dat niet is gesteld of gebleken dat uit de tekortkomingen die bestaan uit het wijzigen van de betalingsvoorwaarde en het aangaan van een overeenkomst met FR Security Bandit los van de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst tussen Bandit België en Bandit Nederland die daarvan het gevolg was, tot schade heeft geleid. Bij afzonderlijke verklaringen voor recht aangaande deze tekortkomingen heeft Bandit Nederland dan geen belang.

27. België zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld. De gevorderde betaling van nakosten zal worden afgewezen, nu de wet daarvoor geen grond biedt.

Beslissing

Het hof:

in het principale en het incidentele beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw recht doende:

verklaart voor recht:

- dat tussen Bandit Nederland en Bandit België een distributieovereenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd, uit hoofde waarvan aan Bandit Nederland het exclusieve recht is toegekend tot distributie van de Bandit mistgeneratoren in Nederland;

- dat Bandit België toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de genoemde distributieovereenkomst door deze eenzijdig, zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder betaling van een redelijke vergoeding te beëindigen;

veroordeelt Bandit België tot vergoeding van de door Bandit Nederland als gevolg van voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Bandit België in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Bandit Nederland begroot op € 321,85 aan verschotten (€ 251,- griffierecht en € 70,85 dagvaardingskosten) en € 904,- aan salaris advocaat (2 punten à € 452,- in tarief II);

in het principale beroep:

veroordeelt Bandit België in de kosten van het geding in het principale beroep, aan de zijde van Bandit Nederlanden tot op heden begroot op € 374,80 aan verschotten (€ 303,- griffierecht en € 71,80 dagvaardingskosten) en € 2.682,- aan salaris advocaat (3 punten à

€ 894,- in tarief II);

in het incidentele beroep:

veroordeelt Bandit België in de kosten van het geding in het incidentele beroep, aan de zijde van Bandit Nederlanden tot op heden begroot op € 1.341,- aan salaris advocaat (3 punten in à € 894,- in tarief II x 1/2);

in het principale en het incidentele beroep:

bepaalt dat de in het kader van de proceskostenveroordelingen door Bandit België verschuldigde bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.J. van Lierop, T.H. Tanja-van den Broek en H.C. Grootveld, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2010 in aanwezigheid van de griffier.