Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9750

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
200.017.537-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ2073, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ2073
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Relatieve bevoegdheid hof. Geen partneralimentatie ten behoeve van de man; beperkt vermogen. Artikel 1:401 lid 4 en 401 lid 1 BW, geen terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 januari 2010

Zaaknummer : 200.017.537.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6866

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E. Grabandt te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: vrouw,

advocaat mr. E.M.T. Ruitenbeek-de Bekker te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 8 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juli 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. Zij heeft het hof op voorhand een pleitnota (met producties) doen toekomen, ingekomen bij het hof op 6 november 2009.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 oktober 2008, 16 maart 2009 en 9 november 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 november 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Mühlstaff onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van 8 juli 2008.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de door de vrouw met ingang van 1 januari 2008 te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de man wordt gesteld op nihil;

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud voor de man (hierna ook te noemen: partneralimentatie), de draagkracht van de vrouw.

2. De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en, opnieuw beschikkende, de vrouw in haar verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans een zonodige beslissing te nemen als Uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Bevoegdheid

4. De man is allereerst van mening dat de vrouw misbruik van haar recht maakt door te kiezen voor de rechtbank ’s-Gravenhage en hij stelt dat deze rechtbank zich ten onrechte bevoegd achtte om van de zaak kennis te nemen. Hij verzoekt het hof de procedure in de staat waarin deze zich bevindt te verwijzen naar het gerechtshof Leeuwarden. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

5. Het hof deelt de visie van de man dat de vrouw misbruik van haar recht heeft gemaakt niet, nu er sprake is van een door de wetgever gecreëerde bevoegdheid ten aanzien van in casu de rechtbank ’s-Gravenhage, die op grond van het bepaalde in artikel 262 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd was van het verzoek van de vrouw kennis te nemen.

6. Nu de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd was te beslissen op het verzoek van de vrouw, is dit hof ingevolge het bepaalde in art. 60 lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie bevoegd van het hoger beroep van de man kennis te nemen.

7. Het hof ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar het hof Leeuwarden. De eerste grief van de man slaagt derhalve niet.

Ontvankelijkheid

8. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de vrouw heeft ontvangen in haar verzoek, omdat zij heeft gesteld dat de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 29 november 2006 van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

9. Het hof overweegt als volgt. In de toelichting op zijn grief stelt de man dat de rechtbank eerst had moeten vaststellen of de stelling van de vrouw, inhoudende dat het gerechtshof Leeuwarden destijds van onjuiste gegevens is uitgegaan en dat er sprake is geweest van nadien opgetreden wijzigingen van omstandigheden, juist is, alvorens de vrouw kon worden ontvangen in haar verzoek.

10. Het hof stelt vast dat de vrouw in eerste aanleg als grond voor haar verzoek tot wijziging van de beschikking van het hof Leeuwarden van 29 november 2006 heeft gesteld dat die beschikking van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onjuiste gegevens is uitgegaan. De rechtbank heeft die stelling van de vrouw verworpen.

11. Voorts heeft de vrouw gesteld dat door gewijzigde omstandigheden voormelde beschikking van het hof Leeuwarden niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. In dat verband heeft zij als eerste aangevoerd dat haar vermogen is verminderd. Als tweede wijziging heeft zij aangevoerd dat zij geen schenkingen van haar tante meer kan verwachten, waaruit kosten van levensonderhoud kunnen worden voldaan. Als derde wijziging heeft zij aangevoerd dat op korte termijn een onontkoombaar vermogensverlies is te verwachten, nu haar woning in zeer slechte staat blijkt te verkeren. Als vierde wijziging heeft de vrouw aangevoerd dat de kosten van de kinderen van partijen zijn gestegen.

12. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de vrouw heeft ontvangen in haar verzoek en de behoefte van de man en de draagkracht van de vrouw opnieuw heeft beoordeeld, nu de man niet heeft betwist dat zich aan de zijde van de vrouw, als zodanig, wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan. Immers, vast is komen te staan dat de tante van de vrouw, van wie zij geregeld grote schenkingen ontving, is overleden. De grief van de man faalt derhalve.

13. De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte overwegingen heeft gewijd aan de stelling van de vrouw dat het hof Leeuwarden in zijn beschikking van 29 november 2006 van onjuiste gegevens is uitgegaan.

14. Het hof stelt vast dat de rechtbank de stelling van de vrouw dat de voormelde beschikking van het hof Leeuwarden van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, heeft verworpen. Het hof is dan ook van oordeel dat de man geen belang heeft bij deze grief, te meer nu de vrouw in hoger beroep niet is opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof gaat derhalve aan de grief van de man voorbij.

Draagkracht van de vrouw

15. De vijfde grief van de man strekt ertoe dat de vrouw volgens hem over meer vermogen kan beschikken dan het bedrag van € 586.471,-, zoals dat door de rechtbank is vastgesteld.

16. Het hof is van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw over meer vermogen kan beschikken dan het bedrag van € 586.471,-. Daartoe neemt het hof in aanmerking de door de vrouw overgelegde financiële stukken en haar toelichting daarop ter zitting.

17. De vrouw heeft haar aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2008 overgelegd, vergezeld van de definitieve aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2006 en de voorlopige aanslagen over 2007 en 2008. Daarnaast heeft zij de aangifte inkomstenbelasting 2007 en 2008 van haar partner overgelegd, alsmede de op zijn inkomen betrekking hebbende definitieve aanslagen over de jaren 2004 tot en met 2006 en de voorlopige aanslag 2007.

18. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2008 van de vrouw blijkt dat haar vermogen én dat van haar huidige partner op 31 december 2008 totaal € 855.946,- bedroeg. In productie 8 bij haar brief, ingekomen op 6 november 2009, heeft de vrouw nader uitgewerkt welk deel van dit vermogen van haar is. Dit vermogensoverzicht heeft de man niet betwist. Daaruit volgt dat het vermogen van de vrouw in 2008 totaal € 292.839,- bedroeg. In dit vermogen is evenwel inbegrepen het vermogen van de minderjarige kinderen van partijen, terwijl daarnaast een deel van het vermogen van de vrouw niet tot haar vrije beschikking stond. Het gaat om een bedrag van totaal € 132.673,-. Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de vrouw in 2008 kon beschikken over een vermogen van totaal € 160.166,- (€ 292.839,- - € 132.673,-), hetgeen minder is dan de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld.

19. Voorts volgt uit het vermogensoverzicht van de vrouw (productie 8 bij haar brief van 6 november 2009) dat haar vermogen in 2009 € 468.081,- bedroeg. Ook in dit bedrag is inbegrepen het vermogen van de minderjarige kinderen van partijen en een deel dat niet ter vrije beschikking van de vrouw stond. Voor het jaar 2009 gaat het om een bedrag van totaal € 169.152,-. Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de vrouw in 2009 kon beschikken over een vermogen van totaal € 298.929,- (€ 468.081,- - € 169.152,-).

20. De man stelt dat de vrouw over meer vermogen beschikt dan zij opgeeft. Naar het oordeel van het hof baseert hij deze stelling op basis van gegevens uit het verleden toen partijen nog met elkaar samenleefde. De man heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan thans kan worden geoordeeld dat de vrouw thans over een groter vermogen beschikt dan volgt uit haar huidige fiscale aangiftes. Voor de omvang van het vermogen gaat het hof uit van de gegevens zoals vermeld in de door de vrouw overgelegde aangiftes inkomstenbelasting. Het hof zal de man derhalve niet toelaten tot het leveren van bewijs inzake de omvang van het vermogen van de vrouw.

21. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende inzicht heeft gegeven in haar vermogen. Er is derhalve geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige voor de bepaling van de omvang van het vermogen van de vrouw.

22. De man stelt in grief 7 dat de vrouw een arbeidsinkomen kan verwerven van € 35.000,- per jaar. Door de vrouw wordt dit gemotiveerd bestreden.

23. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft tijdens het huwelijk voor het gezin gezorgd. Er was sprake van een klassieke rolverdeling tussen de man en de vrouw. Ook thans heeft zij nog de zorg voor de kinderen van partijen. De jongste dochter is gehandicapt. Ook de andere kinderen van partijen behoeven veel zorg. Aan alle drie de kinderen is een persoonsgebonden budget toegekend. Ondanks deze zorgtaken spant de vrouw zich in om enige inkomsten te verwerven als ondernemer. Het hof acht voldoende aangetoond dat de activiteiten van de vrouw nog niet tot enig resultaat hebben geleid.

24. Gezien het beperkte vermogen van de vrouw en het feit dat zij geen winst uit onderneming geniet, is het hof van oordeel dat de vrouw geen enkele draagkracht heeft om aan de man een onderhoudsbijdrage te voldoen. Het hof zal de grieven 6, 8 en 9 niet bespreken aangezien deze grieven niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

25. Het hof zal de grieven 10, 11 en 12 van de man eveneens niet bespreken aangezien deze grieven voor de onderhavige beslissing niet van belang zijn. De rechtsvraag die aan de orde is, is onder meer de draagkracht van de vrouw en in dat kader is niet relevant het feit of de man kosten maakt in het kader van de omgang met de kinderen.

Terugbetaling

26. In grief 13 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de herziening heeft vastgesteld op 1 januari 2008, nu hij niet tot enige terugbetaling van de reeds betaalde partneralimentatie in staat is.

27. Het hof is van oordeel dat, gelet op het consumptief karakter van de alimentatie, van de man niet gevergd kan worden dat hij een bedrag aan de vrouw zou moeten terugbetalen, zodat grief 13 in zoverre slaagt. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

28. Nu geen van de grieven van de man ter zake van de draagkracht van de vrouw slagen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

29. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

30. Mitsdien zal als volgt worden beslist

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat de man de door de vrouw teveel betaalde bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud niet behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van de Poll en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2010.