Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9533

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200.016.730-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU4968, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU4968
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht plaatsing installatie in privé of voor rekening van vennootschap? Toerekening rechtshandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

uitspraak: 30 maart 2010

zaaknummer: 200.016.730/01

zaaknummer rechtbank: 284864

Arrest van de eerste civiele kamer

in de zaak van:

[Naam],

wonende te [plaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.Mulder te Rotterdam,

tegen:

Wesotronic B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

geïntimeerde,

hierna: Wesotronic,

advocaat: mr. K. Beumer te Rhoon.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest in deze zaak van 18 november 2008. In dit arrest heeft het hof een comparitie van partijen bevolen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. Tijdens deze comparitie zijn inlichtingen verstrekt doch is geen regeling bereikt. Hierna heeft [appellante] bij memorie van grieven (met producties) vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, die Wesotronic bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten ter zitting van 8 maart 2010 door hun raadslieden doen bepleiten. Tot slot hebben partijen het hof gevraagd aan de hand van (een kopie van) hun procesdossiers arrest te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. Het gaat in deze zaak om de vraag, kort weergegeven, of [appellante] in het voorjaar van 2006 de opdracht aan Wesotronic tot de levering en plaatsing van een brandmeldinstallatie in het pand aan de [adres] te [plaats] (het pand), voor eigen rekening heeft gegeven of in haar hoedanigheid van directeur van Het Raadhuis van Barendrecht B.V. (de vennootschap). Tussen partijen is niet in geschil dat de vennootschap (destijds) in het pand was gevestigd.

2. In het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 16 mei 2007 (het tussenvonnis) heeft de rechtbank aan Wesotronic opgedragen te bewijzen dat de overeenkomst tot het leveren en aanleggen van de brandmeldinstallatie in het pand met [appellante] in privé is gesloten.

3. In het thans door [appellante] bestreden vonnis (het eindvonnis) heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 geoordeeld, kort weergegeven:

- Uit de door de getuigen afgelegde verklaringen kan worden opgemaakt dat [appellante] de opdracht heeft gegeven en dat zij hierbij niet heeft aangegeven dat zij namens de vennootschap handelde. Dit komt overeen met en wordt ondersteund door de verklaring van [naam] ([T]) van Wesotronic ter comparitie van partijen, dat [appellante] nooit heeft gezegd dat de vennootschap de overeenkomst aanging en dat zij ook nooit heeft gevraagd een en ander op naam van de vennootschap te zetten. Hiertegen is door [appellante] geen tegenbewijs geleverd.

- In de gegeven situatie geldt dat degene die de opdracht geeft, zichzelf bindt. Het feit dat de opdracht is gegeven ter gelegenheid van een zakelijke bijeenkomst waar slechts ondernemers aanwezig zijn, kan hieraan niet in de weg staan, omdat ondernemers niet per definitie een rechtspersoon vertegenwoordigen.

4. Het hof zal de hierna vermelde bedragen op hele euro's afronden.

beoordeling van de grieven

5. De grieven zijn gericht tegen de oordelen van de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 van het eindvonnis.

In haar toelichting op de grieven heeft [appellante], samengevat, de volgende stellingen betrokken:

a. In het tussenvonnis is aan Wesotronic opgedragen te bewijzen dat de overeenkomst met [appellante] in privé is gesloten. Wesotronic is in deze bewijsopdracht niet geslaagd. Wesotronic heeft twee getuigen doen horen, […] en […]. Beiden hebben verklaard dat zij tijdens de betrokken bijeenkomst niet hebben vernomen dat [appellante] aan [T] heeft meegedeeld dat zij in privé handelde en dat zij de overeenkomst op haar eigen naam wilde aangaan. Wesotronic heeft daarom niet bewezen dat [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst heeft vermeld dat zij in privé handelde en niet als vertegenwoordiger van de vennootschap. Daarom mocht Wesotronic niet ervan uitgaan dat [appellante] in privé handelde.

b. De overeenkomst is mondeling aangegaan op een bijeenkomst van BNI (Business Network International). Wekelijks geven de aanwezige ondernemers een korte presentatie over de onderneming die zij vertegenwoordigen, zo ook [appellante]. Bij een zogenoemde 10-minuten presentatie heeft zij tevens aangegeven waarom zij voor de besloten vennootschap als ondernemingsvorm had gekozen. Dit blijkt bovendien uit het ondernemingsplan dat toen aan de orde is geweest. [T] van Wesotronic had een bestuursfunctie en was bij de presentaties aanwezig. Deze bijeenkomsten zijn slechts voor ondernemers toegankelijk met het doel zakelijke opdrachten te ontvangen en uit te besteden. De referral die partijen met betrekking tot de opdracht hebben opgesteld, staat op naam van [T] en [appellante]. Bovendien staat hierop vermeld dat de zaak van [appellante], 'Het Raadhuis van Barendrecht', een brandmeldinstallatie nodig had. [appellante] heeft de opdracht niet aan [T] privé gegeven, maar aan de onderneming die hij vertegenwoordigde, Wesotronic. Andersom heeft [appellante] de opdracht niet in privé gegeven maar namens de onderneming die zij vertegenwoordigde.

c. De brandmeldinstallatie is in het pand van de vennootschap geplaatst. De nota's van Wesotronic waren ook aan het adres van de vennootschap in het pand gericht. Nadat [appellante] was gebleken dat de nota's op haar naam stonden, heeft zij direct aan Wesotronic te kennen gegeven dat de nota's op naam van de vennootschap moesten worden gezet omdat anders niet tot de betaling ervan kon worden overgegaan.

d. [T] heeft zijn verklaring nooit onder ede herhaald, zodat zijn verklaring niet zwaarder kan wegen dan de door [appellante] tijdens de comparitie van partijen afgelegde verklaring dat zij aan Wesotronic heeft gevraagd om de nota's op naam van de vennootschap te zetten. Bovendien heeft haar echtgenoot, [naam] (de echtgenoot) aan Wesotronic gevraagd om de offerte op naam van de vennootschap te zetten, nadat [appellante] deze had ontvangen. [de echtgenoot] is bereid dit onder ede te bevestigen.

e. Om haar moverende redenen heeft [appellante] in eerste aanleg afgezien van het doen horen van zichzelf als partijgetuige en van andere getuigen. Zij biedt aan in hoger beroep alsnog als partijgetuige een verklaring af te leggen en haar echtgenoot [de echtgenoot] en mevrouw [Naam] ([J]) als getuigen te doen horen. [de echtgenoot] kan verklaren dat hij aan Wesotronic heeft gevraagd om de offerte op naam van de vennootschap te zetten, dan wel bevestigen dat [appellante] telefonisch aan Wesotronic heeft gevraagd om de nota's op naam van de vennootschap te zetten. [J] was erbij aanwezig toen [appellante] dit verzoek aan Wesotronic heeft gedaan.

6. Wesotronic heeft tegen de grieven, samengevat, het volgende verweer gevoerd:

a. Als uitgangspunt geldt dat een ieder geacht wordt voor zichzelf te handelen, tenzij degene die handelt aangeeft niet voor zichzelf maar voor een ander te handelen. Dit beginsel wordt door [appellante] erkend, doch zij beroept zich op de hierin opgenomen uitzondering. Op haar rust daarom de stelplicht en bewijslast van deze uitzondering. Tot nog toe is zij hierin met de door haar aangevoerde omstandigheden niet geslaagd. Het feit dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen ter gelegenheid van een netwerkbijeenkomst van ondernemers, ontslaat [appellante] niet van haar verplichting bij het aangaan van een overeenkomst duidelijk aan te geven dat zij niet voor zichzelf handelt maar voor een ander, als zij dit beoogt.

b. De bijeenkomsten van BNI zijn voor alle soorten ondernemers toegankelijk, eenmanszaken en vennootschappen. Ook een vereniging kan lid zijn. Het feit dat de ondernemers gedurende een presentatie over de werkzaamheden vertellen die zij ontplooien, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij bij de totstandkoming van een overeenkomst niet zichzelf maar een ander, in dit geval de vennootschap, vertegenwoordigen. Tijdens deze businessmeeting worden ook geregeld privé zaken

gedaan.

c. Wesotronic betwist dat [appellante] bij een van haar presentaties heeft vermeld dat zij de vennootschap vertegenwoordigde en dat zij het ondernemingsplan heeft gezien, doch ook al zou dit het geval zijn geweest, dan nog ontslaat dit haar niet van de verplichting om bij het aangaan van een overeenkomst duidelijk aan te geven dat zij niet voor zichzelf maar namens de vennootschap optreedt. De stelling van [appellante] dat de brandmeldinstallatie niet in de privéwoning van [appellante] is geplaatst maar in het pand waarin de vennootschap was gevestigd, kan op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] niet voor zichzelf handelde.

d. De verklaringen die de getuigen hebben afgelegd ondersteunen de stelling van Wesotronic dat zij ervan mocht uitgaan dat [appellante] voor zichzelf handelde en niet voor een ander (de vennootschap). Ook de door [appellante] overgelegde referral, op naam van [M], ondersteunt deze stelling. Wesotronic betwist dat [appellante] haar heeft gevraagd om de aan [appellante] verstuurde nota's of offerte op naam van de vennootschap te zetten. Bovendien geldt ook hiervoor dat deze omstandigheid niet meebrengt dat [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk heeft aangegeven dat zij niet voor zichzelf maar namens de vennootschap optrad.

7. Bij de beoordeling van de grieven geldt als uitgangspunt dat degene die een overeenkomst aangaat in beginsel zichzelf bindt, tenzij hij duidelijk aan de wederpartij kenbaar maakt niet voor zichzelf te handelen maar voor een ander.

8. [appellante] heeft dit beginsel ook erkend, doch zij heeft zich op de hierin vervatte uitzondering beroepen en ter comparitie van partijen (en in hoger beroep) hiervan bewijs aangeboden. [appellante] heeft echter geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat zij bij het aangaan van de overeenkomst aan Wesotronic duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij hierbij namens de vennootschap optrad. Bij dit oordeel neemt het hof het volgende in aanmerking:

a) [appellante] heeft niet de verklaring van [T] ter comparitie van partijen in eerste aanleg betwist dat [appellante] hem bij een bijeenkomst van BNI heeft gevraagd of hij bereid en in staat was bij haar op korte termijn een brandmeldinstallatie te plaatsen, dat de offerte hiervoor op een latere bijeenkomst van BNI aan haar is overhandigd en dat zij toen heeft gezegd dat zij hiermee akkoord was. Hiermee is de overeenkomst een feit.

b) Ter comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellante] verklaard dat zij de offerte op een bijeenkomst van BNI heeft ontvangen, maar dat zij er toen niet inhoudelijk naar heeft gekeken. Tussen partijen is niet in geschil dat de offerte en de facturen op naam van [appellante] zijn gesteld.

c) Ook als ervan wordt uitgegaan dat [appellante] of [de echtgenoot] op een later moment aan Wesotronic heeft gevraagd om de facturen of de offerte op naam van de vennootschap te zetten, dan nog rechtvaardigt dit niet de conclusie dat [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk aan Wesotronic kenbaar heeft gemaakt dat zij hierbij niet voor zichzelf maar namens de vennootschap optrad.

d) Uit de weergave in de memorie van grieven (onder 43) van de korte presentatie die [appellante] in de periode januari tot en met maart 2006 tijdens de wekelijkse bijeenkomsten van BNI heeft gehouden, blijkt dat zij hierbij naar voren heeft gebracht dat zij samen met haar compagnon [Naam] een woonwinkel in het 'Het Raadhuis van Barendrecht' ging starten. Van de vennootschap wordt in deze presentatie echter niet gerept. De vermelding van de naam 'Het Raadhuis van Barendrecht' alleen is onvoldoende om hieruit de conclusie te kunnen trekken dat de onderneming voor rekening van een besloten vennootschap wordt gedreven. Het is niet ongebruikelijk dat een eenmanszaak onder een andere handelsnaam wordt gedreven dan de naam van de eigenaar of eigenaren. In dit geval was de onderneming van [appellante] kennelijk in het oude pand gevestigd waarin in het verleden het raadhuis van Barendrecht was gevestigd.

e) Als ervan wordt uitgegaan dat [appellante] tijdens een zogenoemde 10-minuten presentatie naar voren heeft gebracht dat zij voor de besloten vennootschap als ondernemingsvorm had gekozen, dan nog is dit niet van beslissende betekenis voor de vraag of de overeenkomst op naam en voor rekening van de vennootschap is aangegaan.

f) Er kunnen vele redenen zijn om bepaalde uitgaven (voorlopig) voor rekening van de ondernemer zelf te laten komen die (nog) niet voor rekening van de (eigen) vennootschap kunnen worden gebracht. Dit geldt in het bijzonder in een situatie als deze waarin op korte termijn de brandmeldinstallatie moest worden aangebracht zodat de winkel op de beoogde datum kon worden geopend. In de periode voorafgaande aan de start van een onderneming dienen er veelal verplichtingen te worden aangegaan die (nog) niet voor rekening van een vennootschap kunnen worden gebracht en moeten er investeringen en andere uitgaven worden gedaan die (nog) niet uit de inkomsten van de onderneming kunnen worden bekostigd.

9. Gelet op dit een en ander is de rechtbank terecht in 2.4 tot het oordeel gekomen dat uit de door de getuigen afgelegde verklaringen kan worden opgemaakt dat [appellante] de opdracht heeft gegeven en dat zij hierbij niet heeft aangegeven dat zij namens de vennootschap handelde. Ook heeft de rechtbank bij dit oordeel terecht in aanmerking genomen dat het feit dat de opdracht is gegeven ter gelegenheid van een zakelijke bijeenkomst waar slechts ondernemers aanwezig zijn, hieraan niet in de weg staat, omdat ondernemers niet per definitie een rechtspersoon vertegenwoordigen.

10. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante]. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen hiervoor onder 8 (aanhef) is overwogen. De door [appellante] te bewijzen aangeboden feiten kunnen niet tot een andere beoordeling van en beslissing in het geschil tussen partijen leiden.

slotsom

11. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen vloeit voort dat het hiervoor onder 6 weergegeven verweer van Wesotronic gegrond is en dat geen van de grieven tot een vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden, zodat het hof dit vonnis zal bekrachtigen.

12. [appellante] zal de kosten van het hoger beroep hebben te dragen nu zij in deze procedure in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Wesotronic vastgesteld op € 2.302;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Kramer, M.L. Vierhout en D.A.C. Slump, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2010 in het bijzijn van de griffier.