Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8987

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
200.023.783/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats van de minderjarigen ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, sub b BW en de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 maart 2010

Zaaknummer : 200.023.783/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7808

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.C.H. Karstanje te Gouda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.A. Slappendel te Gouda.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

directie Zuid-West,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 21 januari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 oktober 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 25 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 1 december 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 10 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn waarnemend advocaat,

mr. A.J.G. Jukkema. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarige, Marange, is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de hierna te noemen minderjarigen de gewone verblijfplaats zullen hebben bij de man. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vrouw, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de man, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 704,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op [datum in] 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 1997 te [geboorteplaats], en [de minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 2000 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Voorts is in geschil de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook te noemen: kinderalimentatie). De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De minderjarigen verblijven feitelijk sinds het uiteengaan van partijen bij de man.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, (het hof leest:) het volgende te bepalen:

I. Primair, dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw is;

II. Subsidiair, dat de minderjarigen de helft van de tijd bij de vrouw en de andere helft van de tijd bij de man verblijven, in die zin dat de minderjarigen een periode van twee aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven, en dat voor wat betreft de kinderalimentatie (het hof begrijpt) de vrouw aan de man € 143,01 per maand betaalt, en de man aan de vrouw € 132,01 per maand betaalt;

III. Meer subsidiair, dat indien de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de man hebben, de vrouw aan de man een bedrag aan kinderalimentatie van € 286,02 per maand betaalt.

3. De man bestrijdt het beroep van de vrouw gemotiveerd.

Hoofdverblijfplaats

4. In haar eerste grief betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man heeft vastgesteld. Volgens de vrouw is de man niet in staat de minderjarigen te verzorgen en op te voeden, te meer nu hij niet bereid is daaromtrent met haar te communiceren.

5. De man stelt zich op het standpunt dat hij sinds het uiteengaan van partijen in juni 2007, naast een fulltime baan, de volledige zorg en opvoeding van de minderjarigen op zich heeft genomen. De vrouw heeft een jaar lang geen contact opgenomen en evenmin financieel bijgedragen, aldus de man. Gelet op het feit dat het thans goed gaat met de minderjarigen, betoogt de man dat gebleken is dat hij wel degelijk in staat is de minderjarigen te verzorgen en op te voeden. Daarbij hebben de minderjarigen de wens geuit dat zij bij hem woonachtig willen blijven, aldus de man.

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

7. Het hof is, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn. Het hof constateert dat de minderjarigen sinds het uiteengaan van partijen, inmiddels tweeënhalf jaar geleden, bij de man wonen. Niet gebleken is dat het de minderjarigen bij de man niet goed gaat of dat de man tekort schiet in hun verzorging en opvoeding. Daarbij biedt de man aan de vrouw de ruimte voor omgang, waardoor de minderjarigen thans één weekend per veertien dagen, samen met de vrouw, bij de grootouders moederszijde verblijven. Niet gebleken is dat de man het contact tussen de vrouw en de minderjarigen anderszins belemmert. Het hof acht het van belang dat de huidige regelmaat in de leefomgeving van de minderjarigen blijft bestaan. Dit zou worden doorkruist indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt gewijzigd. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof gelet op het belang van de minderjarigen geen aanleiding de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen of een co-ouderschapregeling vast te stellen. Medebepalend daarbij is dat het hof onvoldoende is gebleken dat de vrouw haar leven inmiddels op orde heeft. Zo laat de vrouw na duidelijkheid te verschaffen omtrent haar woonsituatie. Gelet op het voorgaande faalt de eerste grief van de vrouw en zal het hof haar primaire en subsidiaire verzoek, voor zover deze zien op de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, afwijzen.

Kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen

8. Nu de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats blijven houden bij de man en het hof het subsidiaire verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een co-ouderschapregeling afwijst, zal ook het daarmee samenhangende subsidiaire verzoek van de vrouw inzake de kinderalimentatie worden afgewezen. Immers, de vrouw heeft dit verzoek uitsluitend gedaan indien en voor zover haar subsidiaire verzoek in hoger beroep zou worden toegewezen. Thans ligt nog voor het meer subsidiair door de vrouw verzochte, te weten de hoogte van de door haar aan de man te betalen kinderalimentatie. Het hof zal de bedragen hierna zonodig afronden.

Behoefte

9. De tweede grief van de vrouw strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding van € 704,- per maand, als niet weersproken vaststaat. De vrouw betoogt dat bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen rekening gehouden dient te worden met een bedrag aan kinderbijslag van € 231,- per kind per kwartaal, waarmee de behoefte van de minderjarigen uitkomt op een totaalbedrag van € 550,-.

10. De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de minderjarigen € 704,- per maand bedraagt, waarbij, conform de Tremanormen, geen rekening is gehouden met de kinderbijslag.

11. De rechtbank heeft de behoefte van de minderjarigen vastgesteld op € 704,- per maand. Zoals de vader terecht betoogt, wordt bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen geen rekening gehouden met de kinderbijslag. De tweede grief van de moeder faalt en het hof stelt de behoefte van de minderjarigen vast op € 704,- per maand, hetgeen partijen reeds ter terechtzitting is medegedeeld.

Beschikbare draagkrachtruimte man

13. De vrouw stelt in haar vierde grief dat de man, gelet op de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting, voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 704,- te voldoen. Voorts betoogt de vrouw in de derde grief dat bij het berekenen van de draagkracht van de man, ten onrechte rekening is gehouden met de door hem opgevoerde woonlasten van € 495,- per maand.

14. De man bestrijdt hetgeen de vrouw heeft gesteld en brengt een draagkrachtberekening in het geding.

15. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de draagkracht van de man beoordelen aan de hand van de door hem overgelegde draagkrachtberekening (productie 1 verweerschrift in appel), met inachtneming van het navolgende.

Woonlasten

16. Tussen partijen is in geschil de woonlasten van de man. Het hof overweegt dat conform de Tremanormen de werkelijke woonlasten bij een huurwoning zijn te stellen op het bedrag van de kale huur, verminderd met huurtoeslag, doch vermeerderd met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik van de lift en in het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten. Gelet hierop zal het hof rekening houden met een bedrag aan woonlasten van € 495,- per maand. Blijkens een brief van de Belastingdienst van 12 januari 2009 (productie 5 verweerschrift in appel) ontvangt de man in 2009 € 178,- per maand aan huurtoeslag. Met genoemd huurbedrag evenals met de huurtoeslag, heeft de man in zijn draagkrachtberekening rekening gehouden.

Conclusie

17. Nu de vrouw haar stelling dat de man in staat en bereid moet zijn om een bijdrage groot € 264,- per maand te voldoen, voorts in het geheel niet heeft onderbouwd door het overleggen van stukken, zal het hof haar stelling passeren en uitgaan van de gegevens die wel in het geding zijn gebracht. Uit voornoemde draagkrachtberekening blijkt dat de man een bijdrage van € 85,- kan leveren in de kosten van de minderjarigen. Dit is door de advocaat van de man ter terechtzitting bevestigd. Gelet hierop zal het hof de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarigen verminderen met € 85,- per maand.

Beschikbare draagkrachtruimte vrouw

18. In haar vijfde grief betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij de volledige behoefte van de minderjarigen voor haar rekening moet nemen.

19. Voorzover de moeder met haar betoog een beroep doet op het gebrek aan draagkracht aan haar zijde, overweegt het hof als volgt. De moeder heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen stukken in het geding gebracht waaruit haar huidige draagkracht kan worden berekend. Het betoog van de moeder dat zij thans geen inkomsten heeft, is derhalve niet onderbouwd. Nu evenmin is gebleken dat de vrouw haar baan bij de belastingdienst heeft beëindigd, gelijk de vrouw stelt, heeft de vrouw onvoldoende weersproken dat zij niet in staat is de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te dragen. De vijfde grief faalt.

Conclusie

20. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vernietigen en deze bijdrage met ingang van[datum in] 2008, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 619,- per maand stellen. Gelet op het consumptieve karakter van de bijdrage, het feit dat de man thans, naast een fulltime baan, de zorg draagt voor de verzorging van de minderjarigen en voorts doende is de tijdens het huwelijk van partijen ontstane schulden terug te betalen, acht het hof het redelijk dat de man eventueel nadien teveel ontvangen alimentatie niet hoeft terug te betalen.

BESLISSING OP HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie met ingang van [datum in] 2008 op € 619,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mos-Verstraten en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2010.