Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8977

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
105.007.741-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Borgtocht; waarschuwingsplicht bank (geborgde) aan borg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 850
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 102
JOR 2011/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.741/01

Rolnummer rechtbank : 06-4221

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 23 maart 2010

inzake

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Heineken,

advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te 's-Gravenhage,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 17 maart 2008 heeft Heineken hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 januari 2008, gewezen tussen de bank als eiseres en Heineken als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft Heineken vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en gevorderd dat het gerechtshof het in appel aangevallen vonnis vernietigt en bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bank veroordeelt tot terugbetaling aan Heineken van al hetgeen Heineken aan de bank heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. Bij memorie van antwoord heeft de bank de grieven bestreden. Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de uitgebreide feitenweergave onder 2.1 tot en met 2.26 van het bestreden vonnis, zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang gaat het in deze zaak om het volgende.

1.2 De bank heeft in 2003 een nadien meermaals gewijzigde kredietovereenkomst gesloten met mevrouw [naam] (hierna: [L]), bestaande uit een rekening courantkrediet van (laatstelijk) € 49.250,-- en een geldlening van € 40.000,--. De geldlening diende te worden afgelost in vaste driemaandelijkse termijnen van € 2.000,--. Heineken heeft zich jegens de bank borg gesteld voor de terugbetaling van de geldlening.

1.3 [L] is jegens de bank in gebreke gebleven met de aflossing van het rekening-courantkrediet en eveneens met de nakoming van de nadien met de bank overeengekomen afbetalingsregeling. De bank heeft hierin aanleiding gezien zowel het rekening courantkrediet als de geldlening op te zeggen.

1.4 [L] heeft vanaf 6 maart 2005 de premiebetaling onder de aan de bank verpande overlijdensrisicoverzekering gestaakt. De verzekeraar heeft deze verzekering daarom per 6 maart 2005 geroyeerd.

1.5 [L] is op 4 december 2005 overleden.

1.6 In dit geding vordert de bank dat Heineken haar verplichtingen uit hoofde van de borgtocht nakomt en overgaat tot betaling van het openstaande saldo van de geldlening ad € 30.000,-- in hoofdsom vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft deze vordering in zoverre toegewezen, dat zij Heineken heeft veroordeeld tot betaling van € 30.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2006. De rechtbank heeft daartoe de verweren van Heineken (grotendeels) verworpen, waarvan een aantal in appel niet meer van belang is maar waarvan er twee ook in hoger beroep nog relevant zijn. Het eerste van deze twee verweren is dat de bank ook na de opzegging van de kredieten de driemaandelijkse aflossingen op de geldlening van € 2000,-- van de rekening-courant is blijven afschrijven. De rechtbank overwoog dat dit om administratieve redenen is gebeurd, dat aan deze afboekingen derhalve geen reële betalingen door [L] ten grondslag lagen zodat het hier gaat om een interne wijze van administreren waaraan Heineken geen rechten kan ontlenen. Het tweede verweer hield in dat de bank ten onrechte had nagelaten de brief van de verzekeraar van 24 mei 2005, waarin deze de bank ervan op de hoogte stelde dat het niet gelukt was de premie voor de overlijdensrisicoverzekering te incasseren en waarin de bank werd gevraagd of zij als pandhouder de premiebetaling wellicht zou willen overnemen, door te leiden naar Heineken, zodat Heineken had kunnen beslissen of zij de premiebetaling wilde overnemen. De rechtbank overwoog dat de bank daarmee weliswaar de belangen van Heineken als borg had veronachtzaamd, maar dat Heineken daardoor in dit geval niet was benadeeld, omdat Heineken de premiebetaling toch niet zou hebben voortgezet. De rechtbank nam daarbij in aanmerking de onduidelijke uitlatingen van de vertegenwoordiger van Heineken ter zitting, het feit dat [L] op relatief jonge leeftijd is overleden en dat gesteld noch gebleken is dat dit overlijden in mei 2005 was te voorzien en tenslotte de omstandigheid dat een overlijdensrisicoverzekering geen enkele waarde vertegenwoordigt zolang de verzekerde in leven is.

2.1 In grief I voert Heineken aan dat na 17 februari 2005 op de rekening courant van [L] nog betalingen van in totaal € 11.643,01 zijn binnengekomen. Heineken verbindt hieraan de gevolgtrekking dat niet kan worden gezegd dat aan de driemaandelijkse aflossingen geen reële betalingen ten grondslag lagen. Volgens Heineken dienen de binnengekomen betalingen pro rata te worden toegerekend aan de rekening courantschuld op moment van opzegging (€ 19.709,70) en het saldo van de geldlening (€ 30.000,--). Dit zou betekenen dat het saldo van de geldlening waarvoor [L] en dus ook Heineken kan worden aangesproken nog slechts € 22.973,45 bedraagt.

2.2 Het hof begrijpt het vonnis van de rechtbank aldus, dat zij van oordeel is dat de borgtocht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitgevoerd, meebrengt dat Heineken zich niet kan beroepen op aflossingen die weliswaar ten laste van de rekening courant zijn geboekt maar waaraan geen reële betalingen ten grondslag lagen. Dat oordeel is in hoger beroep op zichzelf niet bestreden. Heineken voert slechts aan dat de afgeboekte aflossingen voor een deel wel als reële betalingen moeten worden aangemerkt, namelijk voor het pro rata deel van de op de rekening courant ontvangen betalingen van derden.

2.3 De grief is gegrond. Niet valt in te zien waarom, in het kader van de vraag of - in het licht van de bij het uitvoeren van de borgtocht in acht te nemen redelijkheid en billijkheid - aan de aflossingen op de geldlening 'reële betalingen' ten grondslag lagen, de op de rekening courant ontvangen en in mindering op het saldo daarvan strekkende betalingen van derden niet tevens pro rata parte zouden moeten worden toegerekend aan de daarop afgeboekte aflossingen van de geldlening. Heineken betoogt terecht dat in zoverre immers niet kan worden gezegd dat daaraan geen 'reële betalingen' ten grondslag liggen. Dat het daarbij gaat om betalingen van derden op de rekening courant doet daaraan niet af. Nu de bank de berekening van Heineken niet heeft weersproken betekent dit dat, behalve indien grief II slaagt, Heineken aan de bank slechts een bedrag in hoofdsom van € 22.973,45 behoeft te betalen.

3.1 In grief II komt Heineken op tegen de overweging van de rechtbank dat, hoewel de bank onmiskenbaar tekort is geschoten in de door haar in acht te nemen zorg ten aanzien van de belangen van Heineken als borg (door de brief van de verzekeraar van 24 mei 2005 niet aan Heineken door te leiden), dit niet leidt tot een verplichting van de bank om dit nadeel aan Heineken te vergoeden. Heineken betoogt daartoe allereerst dat op de bank de verplichting rustte om zelf de premiebetaling onder de overlijdensrisicoverzekering over te nemen toen zij ervan op de hoogte raakte dat [L] deze premies niet meer voldeed.

3.2 De grief is in zoverre ongegrond. Het oordeel van de rechtbank dat [L] op relatief jonge leeftijd is overleden en dat gesteld noch gebleken is dat dit overlijden in mei 2005 was te voorzien, is door Heineken niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden. Tegen deze achtergrond bestond in redelijkheid voor de bank geen aanleiding om met het oog op de belangen van Heineken de premiebetaling voor eigen rekening te continueren, aangezien de bank er geen rekening mee hoefde te houden dat [L] binnen afzienbare termijn zou komen te overlijden of dat daarop een grotere dan normale kans aanwezig was.

3.3 De grief houdt vervolgens in dat de bank toerekenbaar tekort is geschoten door de brief van 24 mei 2005 niet aan Heineken door te leiden zodat Heineken de premiebetaling zou kunnen overnemen. De bank is gehouden de schade die Heineken daardoor heeft geleden te vergoeden. Heineken zou de premiebetaling hebben overgenomen indien zij daartoe tijdig door de bank in de gelegenheid zou zijn gesteld, aldus Heineken.

3.4 Ook dit onderdeel van de grief faalt. De rechtbank heeft kennelijk en terecht geoordeeld dat hoewel de bank jegens Heineken tekort is geschoten, het causaal verband met het door Heineken als gevolg daarvan geleden nadeel ontbreekt omdat Heineken de premiebetaling niet zou hebben overgenomen, ook indien zij daartoe tijdig in de gelegenheid zou zijn gesteld. Het is aan Heineken om aannemelijk te maken dat zij de premiebetaling in dat geval zou hebben overgenomen. Daarin is Heineken niet geslaagd. Weliswaar bestrijdt Heineken dat het overlijden van [L] in mei 2005 niet voorzienbaar was, maar deze bestrijding is geheel ongemotiveerd gebleven. Tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat [L] op relatief jonge leeftijd is overleden, ligt voortzetting van premiebetaling niet voor de hand. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vertegenwoordigde (verpanding van) de overlijdensrisicoverzekering geen waarde zolang [L] in leven was. In een geval waarin geen vooruitzicht bestaat op het overlijden van [L] binnen afzienbare termijn of op zijn minst op een verhoogde kans daarop - van het één noch het ander is in dit geval gebleken - zou voortzetting van premiebetaling meer kosten hebben opgeleverd tegen een (zeer) geringe kans dat de polis tot uitkering komt. Een commerciële instelling als Heineken zal daartoe naar het oordeel van het hof als regel niet besluiten. Bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden hebben gemaakt zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

4.1 De grieven III, IV en V hebben geen zelfstandige betekenis en delen het lot van de voorgaande grieven.

4.2 Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende, Heineken veroordelen aan de bank een bedrag van € 22.973,45 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2006. Overeenkomstig de in zoverre niet bestreden vordering van Heineken zal de bank worden veroordeeld aan Heineken terug te betalen al hetgeen Heineken ter uitvoering van het rechtbankvonnis aan de bank heeft voldaan, voor zover dat te boven gaat hetgeen waartoe Heineken bij dit arrest is veroordeeld.

4.3 Nu Heineken de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is zal het hof de proceskostenveroordeling van de rechtbank in stand laten en Heineken veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover Heineken daarbij is veroordeeld tot betaling van € 30.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2006 tot de algehele voldoening, en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Heineken aan de bank te betalen een bedrag van € 22.973,45, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2006 tot de algehele voldoening;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt de bank om aan Heineken terug te betalen al hetgeen Heineken ter uitvoering van het rechtbankvonnis aan de bank heeft voldaan, voor zover dat te boven gaat hetgeen waartoe Heineken bij dit arrest achter het tweede liggende streepje is veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt Heineken in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de bank begroot op € 975,-- voor verschotten en € 1.158,-- voor salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, S.A. Boele en J. Kramer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2010 in aanwezigheid van de griffier.