Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8613

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
105.005.808-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht, inbreuk eigendomsrecht muur, geen schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.005.808/01

Rolnummer (oud) : 06/1597

Rolnummer rechtbank : 06-500

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 23 maart 2010

inzake

[Naam],

wonende te [plaats] (gemeente […]),

appellante,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S.A.P. van den Berg te 's-Gravenhage,

tegen

1. [Naam],

2. [Naam],

wonende te [plaats] (gemeente […]),

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te 's-Gravenhage.

Het vervolg van het geding

Het hof heeft in deze zaak laatstelijk arrest gewezen op 19 mei 2009. Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het daarnaar. De in dat arrest benoemde deskundige heeft op 23 oktober 2009 deskundigenbericht uitgebracht over de in dat arrest aan hem voorgelegde vragen. Daarna hebben partijen elk een memorie na deskundigenbericht genomen. Ten slotte hebben partijen kopiestukken overgelegd en wederom arrest gevraagd.

Beoordeling

1. In het arrest van 19 mei 2009 heeft het hof aan de deskundige de volgende vragen voorgelegd:

1. Welke in opdracht van [geïntimeerden] uitgevoerde werkzaamheden hebben er precies plaatsgevonden in of aan de muur van [appellant]?

2. In hoeverre (en voor welk bedrag) is door die werkzaamheden schade ontstaan die nog niet is hersteld?

3. In hoeverre zou als gevolg van de verrichte werkzaamheden nog schade kunnen ontstaan, wat zijn de mogelijkheden om dit risico af te wenden en welke kosten zijn daarmee gemoeid?

4. Hebt U verder nog iets op te merken dat voor de beoordeling van deze zaak van belang kan zijn?

2. De deskundige heeft op de vragen (kort samengevat) de volgende antwoorden gegeven:

Ad 1. [geïntimeerden] hebben aan de muur met het pand van [appellant] ter plaatse van de oorspronkelijke achtergevel op verdiepinghoogte een stalen draagbalk doen aanbrengen. Zij hebben voorts op begane-grondhoogte aan het tuineinde van de nieuw gebouwde serre een onderheide betonnen funderingsbalk laten aanbrengen, die zij waarschijnlijk hebben laten koppelen aan de funderingsbalk van [appellant]. De achtergevel en het dak van de serre worden door deze funderingsbalk gedragen. [geïntimeerden] hebben het buitenspouwblad van de muur van [appellant] niet verwijderd, maar daarin een opening gemaakt ter grootte van een tiental stenen voor het inbrengen van bovenbedoelde draagbalk ter plaatse van de oorspronkelijke achtergevel. Aan het buitenspouwblad van de muur van [appellant] hebben [geïntimeerden] wandtegels aangebracht en met schroeven keukenkastjes opgehangen. Ten slotte hebben [geïntimeerden] een loodslabbe ten behoeve van een waterdichte aansluiting van het dak van de serre in het buitenspouwblad van de muur van [appellant] laten aanbrengen; daartoe is een horizontale voeg in dat buitenspouwblad gefreesd.

Ad 2. Door deze werkzaamheden is geen schade ontstaan die nog niet is hersteld.

Ad 3. Voor risico van schade in de toekomst valt niet te vrezen.

Ad 4. Het heeft bij de voorbereiding van het plan van [geïntimeerden] voor de realisering van de serre en ook tijdens de bouw ontbroken aan een effectieve communicatie tussen partijen.

3. [geïntimeerden] hebben de conclusies van de deskundige onderschreven en op grond daarvan geconcludeerd dat het beroep moet worden verworpen. [appellant] heeft op het rapport commentaar geleverd en er vragen bij gesteld en geconcludeerd dat haar vorderingen alsnog moeten worden toegewezen.

4. Voor zover het commentaar van [appellant] tekstkritiek op het rapport inhoudt, doet het, ook voor zover die juist is, aan de conclusies van de deskundige niet af. Voor zover het commentaar een technisch karakter heeft, overweegt het hof als volgt. Met betrekking tot de klacht dat de deskundige er geen blijk van heeft gegeven dat hij rekening heeft gehouden met de mogelijke extra belasting die gevel en dak van de serre op de fundering van het pand van [appellant] zou kunnen hebben, merkt het hof op dat [appellant] dat bij haar commentaar op het concept-rapport aan de orde had kunnen stellen. Zij heeft dat niet gedaan. Het hof gaat ervan uit dat de deskundige in zijn conclusie de extra belasting ten gevolge van deze bouwelementen heeft willen gelijkstellen met die van de achtergevel ("een beperkte extra belasting" is niet onmogelijk), en dat die eventuele extra belasting is inbegrepen in de conclusie van de deskundige dat [appellant] daardoor geen enkele schade ondervindt. Feiten of omstandigheden waaruit het hof moet afleiden dat het laatste anders is heeft [appellant] niet aangedragen. De klacht dat de deskundige heeft miskend dat het dak als terras in gebruik zou kunnen worden genomen en dat de deskundige de reeds bestaande klachten van [appellant] over toegenomen geluidhinder heeft miskend, berust naar het oordeel van het hof op een verkeerde lezing van het rapport. De deskundige heeft de bestaande klachten in beschouwing genomen en geconcludeerd dat die niet door de aanbouw zijn ontstaan. Daarnaast acht hij het mogelijk dat bij gebruik van het dak van de aanbouw de constructie zou kunnen leiden tot extra geluidsoverlast, maar hij constateert dat zodanig gebruik niet plaatsvindt. Het ligt niet op de weg van de deskundige om zich uit te laten of zodanig gebruik van het dak rechtens is of zou moeten worden toegelaten. Met betrekking tot de klacht van [appellant] dat de deskundige is voorbijgegaan aan de door haar partijdeskundige Tuit begrote schade overweegt het hof dat de conclusie van de deskundige dat [appellant] geen schade heeft, inhoudt dat de deskundige het rapport van partijdeskundige Tuit in zijn beschouwing heeft betrokken en dat hij diens schadebegroting op grond van zijn waarnemingen, kennis en ervaring niet deelt. Het hof acht dat voldoende. Het hof maakt de conclusies van de deskundige tot de zijne.

5. Op grond van het boven overwogene komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerden] weliswaar bij de bouw van de serre inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [appellant], maar dat zij daardoor geen schade heeft geleden. Haar vordering tot schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Bij gebreke van schade zouden [geïntimeerden] door toewijzing van de vordering tot afbraak van hetgeen zij boven, onder of in de eigendommen van [appellant] hebben aangebracht, onevenredig in hun belang worden benadeeld. [appellant] zal die inbreuken dienen te gedogen. Die inbreuken hebben naar het oordeel van het hof een zodanig beperkte betekenis dat het hof geen grond ziet om met het oog op de handhaving van die inbreuken [geïntimeerden] te bevelen mee te werken aan de vestiging van een erfdienstbaarheid.

6. Met betrekking tot de door de deskundige mogelijk geachte toekomstige geluidhinder bij gebruik van het dak van de serre als dakterras overweegt het hof dat de vordering van [appellant] het hof niet de mogelijkheid biedt daaromtrent een voorziening te treffen. Een verbod tot zodanig gebruik wordt immers niet gevorderd en een erfdienstbaarheid zou, anders dan die waartoe de vordering strekt, ten laste van het erf van [geïntimeerden] en ten gunste van dat van [appellant] moeten komen. Het hof laat in het midden of zodanig gebruik van het dak van de serre als daardoor werkelijk geluidhinder voor [appellant] wordt veroorzaakt, als onrechtmatig moet worden bestempeld, gelet op de wijze van aanleg van de serre.

7. Het boven overwogene neemt niet weg dat door het deskundigenonderzoek is komen vast te staan dat [geïntimeerden] inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [appellant]. Door dat te doen zonder toestemming van [appellant] hebben zij onrechtmatig jegens haar gehandeld. Het gevolg van dat onrechtmatig handelen is geweest, dat [appellant] een deskundige in de arm heeft moeten nemen om haar mogelijke schade te bepalen. De kosten daarvan zullen [geïntimeerden] op de voet van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW moeten dragen; zo ook de (door [geïntimeerden] niet bestreden) kosten tot invordering buiten rechte. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vorderingen van [appellant] in zoverre toewijzen. De omstandigheid dat beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, leidt ertoe dat elke partij in beide instanties zijn eigen kosten zal moeten dragen, met dien verstande dat de kosten van de door het hof noodzakelijk geachte deskundige door partijen gelijkelijk moeten worden gedeeld.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juni 2006;

en, opnieuw rechtdoende,

- veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om aan [appellant] te betalen:

- € 1.532,-, vermeerderde met de wettelijke rente vanaf 10 december 2005;

- € 535,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2006;

- € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden,

met dien verstande dat, de een betalende, de ander zal zijn gekweten;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- bepaalt dat partijen elk hun eigen kosten dragen, zowel van de eerste aanleg als van het hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2010 in aanwezigheid van de griffier.