Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8604

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200.017.360/01 en 200.053.333/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling en vergoedingsrechten; partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 januari 2010

Zaaknummers : 200.017.360/01 en 200.053.333/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-8654

[appellant],

wonende te [woonplaats en woonland],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 oktober in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van 9 april 2008 en de beschikking van 3 september 2008 van de rechtbank Dordrecht.

De vrouw heeft op 27 maart 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 16 oktober 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 26 oktober 2009 en op 27 oktober 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 14 oktober 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 april 2009 is de zaak voor wat betreft het incidenteel verzoek van de vrouw tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 3 september 2008 onder zaaknummer 200.026.882/01 mondeling behandeld.

Bij beschikking van 20 mei 2009 van dit hof is voormeld verzoek van de vrouw gedeeltelijk toegewezen.

Op 6 november 2009 is de hoofdzaak met nummer 200.17.360/01 mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. D.N. van Wensen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen van 9 april 2008 en 3 september 2008.

Bij de beschikking van 9 april 2008 is - voor zover hier van belang - de zaak voor wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden verwezen naar de schriftelijke rolzitting voor familiezaken van 7 mei 2008. Voorts is bepaald:

. dat de man op deze rolzitting bewijsstukken met betrekking tot zijn investeringen in de onroerende zaak in [het buitenland], alsmede met betrekking tot de verkoopwaarde van het café en een nadere onderbouwing van zijn vordering op de vrouw dient over te leggen;

. dat partijen de hierboven genoemde stukken ruim te voren aan elkaar dienen toe te zenden, zodat zij desgewenst ter rolle van 7 mei 2008 over en weer op elkaar stukken kunnen reageren;

Voorts is iedere nadere beslissing aangehouden.

Bij de beschikking van 3 september 2008 is - voor zover hier van belang - :

. de man veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden door betaling aan de vrouw van een overbedelingsvergoeding van € 128.000,-, uiterlijk vier weken na de betekening van deze beschikking, na deze termijn te vermeerderen met de wettelijke rente tot de voldoening;

. uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van € 0,- (nul euro) per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is in de zaak met nummer 200.53.333/01 de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en het al dan niet bestaan van vergoedingsrechten dienaangaande, alsmede in de zaak met nummer 200.017.360/01 de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: partneralimentatie.

2. De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikkingen te vernietigen voor wat betreft de hiervoor (het hof begrijpt: in het beroepschrift) aangevallen overwegingen en de in de beschikking van 3 september 2008 opgenomen veroordeling van de man om aan de vrouw een bedrag van € 128.000,- te betalen en, opnieuw beschikkende de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 48.852,31, zulks binnen twee weken na de te dezen te wijzen beschikking en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2008, de datum van de vaststelling van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden casu quo verdeling van de gemeenschappelijke zaken door de rechtbank Dordrecht.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het verzoek van de man in appel af te wijzen, alsmede in incidenteel appel om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 3 september 2008 te vernietigen, en opnieuw beschikkende, bij arrest (het hof leest: beschikking), de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 150.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de beschikking van 3 september 2008 van de rechtbank Dordrecht betekend is aan de man, te weten op 12 september 2008, alsmede te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een alimentatie zal betalen van € 2.500,- bruto per maand. Voorts verzoekt zij de man te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties.

4. De man verzet zich daartegen en concludeert tot afwijzing (het hof begrijpt: verzoekt afwijzing) van het incidenteel appel.

5. Het hof overweegt als volgt. Het verweer op incidenteel appel is formeel te laat ingediend. Nu van de zijde van de vrouw desgevraagd ter terechtzitting is verklaard dat hiertegen geen bezwaar bestaat, zal het hof voormeld verweerschrift in aanmerking nemen.

Verdeling en vergoedingsrechten

Appartement in [het buitenland]

6. De man stelt in zijn eerste grief tot en met zevende grief, die alle betrekking hebben op het appartement in [het buitenland] - kort gezegd - het volgende aan de orde. De man klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw de man zijn stelling dat het appartement door een fout van de notaris - naar het hof begrijpt: bij de verkoop en levering van het appartement aan derden - op naam van beide partijen is gezet, maar dat dit nooit hun bedoeling is geweest, niet aannemelijk heeft gemaakt. De man wijst hierbij op het als productie 25 overgelegde koopcontract waarin volgens hem uitdrukkelijk is vermeld dat alleen de man als koper optreedt. Volgens de man is de overweging van de rechtbank dat de vrouw in beginsel recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst dan ook onjuist.

De man klaagt voorts dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door hem bewijs op te dragen van zijn - volgens de man niet dan wel onvoldoende door de vrouw weersproken - stelling dat hij in totaal € 127.326,37 heeft geïnvesteerd in het appartement in [het buitenland]. Volgens de man heeft hij voormelde investeringen in eerste aanleg voldoende onderbouwd met stukken. In hoger beroep legt de man wederom stukken over waaruit naar zijn mening blijkt dat hij een bedrag van € 131.157,06 aan privégelden heeft geïnvesteerd in het voormelde appartement. Volgens de man heeft de vrouw, ook in haar latere stukken, nooit betwist dat de man het appartement heeft betaald en heeft zij op geen enkele wijze aangetoond dat zij betalingen in dezen heeft verricht. Naar de mening van de man heeft de vrouw derhalve geen recht op een bedrag van € 80.000,- inzake de verkoopopbrengst van het appartement, zoals de rechtbank heeft berekend, maar op een bedrag van (naar het hof begrijpt) € 160.000,- - € 131.157,06 = € 28.842,94 : 2 = € 14.421,47 .

7. De vrouw betwist dat het appartement door een fout van de notaris op beider naam is gezet. Volgens de vrouw is de notariële akte correct en conform de bedoeling van partijen opgemaakt, zoals met de notaris in de Engelse taal is besproken.

De vrouw stelt voorts dat de rechtbank inzake de investeringen in het appartement juist heeft geoordeeld. Zij betwist dat uit de door de man in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat hij het appartement met privégelden heeft gefinancierd. Volgens de vrouw is de koopprijs van het appartement destijds voldaan uit gezamenlijke inkomsten van partijen. Ter terechtzitting is zijdens de vrouw nog betoogd dat mocht er sprake zijn van financiering met privégelden door de man, de man hiermee aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw heeft voldaan. Eventuele vergoedingsrechten van de man zijn hierdoor volgens de vrouw vervallen.

De vrouw stelt dat, gelet op het vorenstaande, haar inzake de verkoop en levering van het appartement in [het buitenland] een bedrag van € 80.000 toekomt.

8. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat partijen - die buiten iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd - het appartement in [het buitenland] gezamenlijk in gewone of eenvoudige gemeenschap hebben verkregen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De man stelt dat de vermelding in de overgelegde [buitenlandse] notariële akte van (volgens de vertaling) ‘koop en verkoop en wederzijdse hypotheek’ van 5 maart 2007 dat partijen gezamenlijk als verkopers optreden en de koopsom ontvangen, op een fout van de notaris berust, maar verbindt daaraan geen consequenties. Conform de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de vrouw derhalve in beginsel recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van € 160.000,-.

9. De vraag die voorts nog aan het hof voorligt, is of de man jegens de vrouw recht heeft op vergoeding van de beweerde door hem in het appartement geïnvesteerde privégelden. Naar het oordeel van het hof heeft de man in hoger beroep genoegzaam aangetoond en heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd betwist dat de man het appartement in [het buitenland] met privégelden heeft gefinancierd voor een bedrag van € 131.157,06.

De vrouw heeft subsidiair gesteld dat de man door te investeren in de door partijen gezamenlijk verkregen onroerende zaak in [het buitenland] heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens haar. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Een natuurlijke verbintenis bestaat onder meer wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. In het huwelijksvermogensrecht kan hiervan sprake zijn indien de echtelijke woning is gefinancierd door de ene echtgenoot, terwijl de woning wordt geleverd aan de andere echtgenoot of aan de echtgenoten tezamen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in casu echter niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld of aangetoond dat de investeringen van de man in het appartement in [het buitenland] naar maatschappelijke opvattingen zijn aan te merken als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. De enkele door de man weersproken stelling van de vrouw dat zij jarenlang onbetaalde arbeid voor de zaak heeft verricht, is daartoe ontoereikend.

10. Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw conform de desbetreffende berekening van de man recht op een bedrag ad € 14.421,47 inzake de verkoopopbrengst van het gemeenschappelijke appartement van partijen.

Vennootschap onder firma [naam]

11. De man stelt in zijn achtste en negende grief dat de rechtbank ten aanzien van de vennootschap onder firma [naam], hierna: de VOF, ten onrechte overweegt zoals zij doet, met name ten aanzien van de jaarstukken, alsmede dat de rechtbank daar ten onrechte tot het oordeel komt dat de man zijn stelling dat hij een vordering op de vrouw heeft onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat hij aan de vrouw de helft van de verkoopopbrengst van het café, ofwel € 45.000,-, alsnog dient te betalen. Volgens de man heeft de vrouw de jaarstukken onvoldoende betwist, hetgeen eveneens geldt voor de periode toen partijen samen deelnamen aan de VOF. Tevens heeft de vrouw volgens de man nooit bezwaar gemaakt tegen de aangiften Inkomstenbelasting die namens haar zijn gedaan. De man stelt dat de jaarstukken correct zijn, zodat de man inzake de VOF een vordering van € 66.273,78 op de vrouw heeft.

12. De vrouw stelt dat de accountant die de jaarstukken voor de man heeft opgesteld een goede vriend is van de man en dat deze accountant onbetrouwbaar is. De vrouw betwist voorts dat zij de jaarstukken en de aangiften Inkomstenbelasting ooit onder ogen heeft gehad en heeft goedgekeurd. De jaarstukken kloppen volgens de vrouw niet. Zij betwist met name de privé-opnamen die zij volgens die stukken zou hebben gedaan. De vrouw is van mening dat nu haar aandeel in de winst 75% blijkt te bedragen zij inzake de verkoop van het café recht heeft op een bedrag van € 67.500,-.

13. Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat de man zijn stelling dat hij inzake de VOF een vordering heeft op de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat de vrouw de jaarstukken niet heeft ingezien of goedgekeurd. Bovendien heeft de man niet weersproken dat de vrouw nimmer privéopnamen ten laste van de VOF heeft gedaan. Een en ander vindt bevestiging in de brief van 18 september 2008 van de accountant (productie 30). Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de man zijn vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Nu geen der partijen bezwaar heeft gemaakt tegen de door de rechtbank bepaalde verkoopopbrengst van het café van € 90.000,-, gaat het hof eveneens van dit bedrag uit. Tussen partijen is in hoger beroep voorts in confesso dat het aandeel van de man in de winst en verliezen van de VOF 25% en dat van de vrouw 75% bedraagt. Het vorenstaande brengt mee dat de vrouw - conform het door haar in incidenteel appel hieromtrent gestelde - inzake de verkoopopbrengst van het café recht heeft op een bedrag van € 90.000,- x 75% = € 67.500,-.

Overbedelingsvordering

14. Dit alles leidt tot de conclusie dat de man ter zake van de verkoopopbrengst van het gemeenschappelijke appartement van partijen in [het buitenland] een bedrag van € 14.421,47 en ter zake van de verkoopopbrengst van het café een bedrag van € 67.500,-, derhalve in totaal een bedrag van € 81.921,47 aan de vrouw dient te voldoen. De bestreden beschikking van 3 september 2008 dient in zoverre te worden vernietigd.

Partneralimentatie

15. De vrouw maakt in haar incidenteel appel bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op nihil te stellen. Volgens de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om een partneralimentatie conform haar behoefte en derhalve overeenkomend met een bedrag van € 1.500,- netto per maand, oftewel circa € 2.500,- bruto per maand te voldoen. De man stelt geen draagkracht te hebben om partneralimentatie te betalen.

Behoefte en behoeftigheid

16. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting bij pleitnoties verklaard dat de behoefte aan partneralimentatie zoals aangegeven door de rechtbank - € 1.500,- netto per maand - voor de vrouw acceptabel is. De man heeft voormelde behoefte betwist.

17. De vrouw heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat zij met ingang van 1 juni 2009 voor het eerst salaris heeft ontvangen uit haar dienstverband met een zorghotel. Blijkens de door de vrouw overgelegde loonstroken bedraagt dit salaris € 891,- netto per maand. De man heeft door middel van zijn pleitnotities nog gesteld dat de vrouw ongeloofwaardig is omdat zij ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2009 inzake de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft verklaard geen inkomen te hebben, terwijl in de onderhavige zaak blijkt dat zij op 24 april 2009 een arbeidsovereenkomst met het zorghotel heeft gesloten. De man wijst tevens op geruchten dat de vrouw van december 2007 tot het voorjaar van 2009 zwart heeft gewerkt in cafés.

18. Het hof overweegt als volgt. Gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling zijdens de vrouw naar voren is gebracht omtrent het steeds weer verschuiven van de openingsdatum van het zorghotel, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw ondanks het eerder ondertekenen van de arbeidsovereenkomst eerst vanaf juni inkomsten uit het zorghotel heeft genoten. Het hof houdt voorts geen rekening met niet onderbouwde geruchten aangaande zwartwerken, mede gelet op de omstandigheid dat de man hieraan verder geen concrete consequenties verbindt. Dit laatste geldt eveneens voor de opmerking van de man dat de vraag kan worden gesteld waarom de vrouw niet fulltime werkt.

In acht genomen het vorenstaande bepaalt het hof de behoefte van de vrouw voor de periode vanaf de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking, ofwel 20 februari 2008, tot de datum waarop de vrouw inkomsten uit het zorghotel is gaan genieten, ofwel 1 juni 2009, op € 1.500,- netto per maand, conform de rechtbank. Voor de periode vanaf 1 juni 2009 bepaalt het hof de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man op € 1.500,- minus € 891,- = € 609,- netto per maand.

Draagkracht

Inkomen

19. Bij het bepalen van het jaarinkomen van de man houdt het hof conform de jaaropgave 2007 rekening met een bedrag van € 13.052,- aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, nu uit de door de man overgelegde brief van het UWV gedateerd 21 april 2009 blijkt dat - na beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid - de hoogte en uitbetaling van de uitkering over de periode 1 januari 2007 tot 1 januari 2009 niet verandert. Het hof houdt, evenals de rechtbank, tevens rekening met een bedrag van € 5.626,- aan uitkering lijfrente, nu geen der partijen hiertegen in hoger beroep bezwaar tegen heeft gemaakt. Betreffende de gestelde inkomsten uit de onderneming van de man in [het buitenland] is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat hiervan sprake is. Uit het door de man bij brief van 26 oktober 2009 overgelegde voorlopige resultaat van de horecaonderneming blijkt dat het resultaat in respectievelijk 2007, 2008 en 2009 tot en met september negatief is geweest. De vrouw stelt dat de door de man overgelegde cijfers niet kloppen, maar onderbouwt dit niet, zodat het hof hieraan voorbij gaat. De vrouw stelt tevens dat de stukken niet door een onpartijdige persoon zijn opgesteld. Het hof gaat hieraan eveneens voorbij nu het op de weg van de vrouw had gelegen zelf een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Het hof houdt evenals de rechtbank rekening met inkomsten uit vermogen, nu beide partijen in hoger beroep hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt.

20. Het hof houdt rekening met de toepasselijke algemene heffingskorting. De man heeft geen recht op arbeidskorting nu hij een Waz-uitkering geniet. Het hof houdt geen rekening meer met de alleenstaande ouderkorting nu tussen partijen in confesso is dat de dochter van partijen niet meer bij de man woont. Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande met het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60.

Lasten

21. Het hof houdt voorts rekening met de volgende in hoger beroep onweersproken lasten: woonlasten van € 750,- per maand en premie ziektekosten van € 208,- per maand, met dien verstande dat op de ziektekosten nog in mindering wordt gebracht het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie Zorgverzekeringswet van € 54,-.

Conclusie

22. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man geen partneralimentatie voor de vrouw toelaat, zodat de bestreden beschikking van 3 september 2008 in zoverre moet worden bekrachtigd.

Kostenveroordeling

23. Het hof ziet geen aanleiding de man te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties zoals de vrouw heeft verzocht en zal het verzoek daartoe afwijzen.

24. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van 3 september 2008 voor zover de man daarin is veroordeeld ter zake van overbedeling aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 128.000,-, en in zoverre nieuw beschikkende:

bepaalt dat de man ter zake van overbedeling aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 81.921,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 september 2008;

bekrachtigt de bestreden beschikking van 3 september 2008 voor zover daarin is bepaald dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 20 februari 2008 op nihil wordt gesteld;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Van Dijk en Ydema, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010 .