Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8583

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200.044.568
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN6397, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN6397
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing; "schuldvraag" niet relevant. Geen strijd met artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 februari 2010

Zaaknummer : 200.044.568.01

Rekestnr. Rechtbank : J2 RK 09-737

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld te Haarlem,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

advocaat mr. S. Scheimann te Rotterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 24 september 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 juni 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.

Jeugdzorg heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 20 oktober 2009 en 6 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 5 januari 2010 en 12 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 18 november 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 13 januari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, een kantoorgenoot van haar advocaat, namens Jeugdzorg: de heer D. de Vries en mevrouw I. van Golen, vertegenwoordigd door de advocaat van Jeugdzorg, en de pleegmoeder. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van Jeugdzorg onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de na te noemen minderjarige in een pleeggezin verlengd tot 5 juli 2010.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige. De minderjarige is sinds 22 april 2002 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en sinds 16 mei 2003 uit huis geplaatst. De minderjarige verblijft bij de pleegouders.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen (voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft) en dit verzoek tot verlenging af te wijzen.

3. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting het beroep van de moeder bestreden en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Uithuisplaatsing

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat gewerkt moet worden aan terugplaatsing van de minderjarige bij haar thuis. De moeder voert hiertoe vier grieven aan. In haar eerste grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de situatie niet in zijn geheel heeft bekeken en derhalve zijn beslissing onvoldoende zorgvuldig heeft gemotiveerd door de kwestie van de omgang (wel of geen uitbreiding) en het toekomstperspectief (wel of geen verderstrekkende maatregel) bij zijn beoordeling van de uithuisplaatsing buiten beschouwing te laten. In haar tweede grief stelt de moeder dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van terugplaatsing en dat de rechtbank ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het verslag van de door de moeder ingeschakelde deskundige. In haar derde grief stelt de moeder dat Jeugdzorg heeft gehandeld in strijd met de doelstellingen van artikel 1:254 en 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW), doordat zij nimmer hulpverlening hebben geboden aan de moeder, doordat zij vrij snel zijn overgegaan tot een perspectiefbiedende plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin dat bovendien een andere geloofsovertuiging heeft dan de moeder en de minderjarige en voorts doordat zij nooit gewerkt hebben aan een terugplaatsing. In haar vierde grief stelt de moeder dat de uithuisplaatsing in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) doordat naar aanleiding van alle feiten en omstandigheden in dit geval de rechtbank het beleid van Jeugdzorg kritisch had moeten beoordelen en nader onderzoek had moeten verrichten naar de vraag of scheiding van moeder en kind nog wel strikt noodzakelijk is.

5. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist en zich op het standpunt gesteld dat voor een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder geen perspectief (meer) bestaat. Jeugdzorg verwijst hiervoor naar de conclusie van het Haags Ambulatorium van 12 juni 2008 naar aanleiding van een door hen verricht onderzoek en naar het raadsrapport van 16 april 2009. Jeugdzorg stelt dat de omstandigheden van de minderjarige, te weten de ontwikkelingsproblemen die hij als gevolg van zijn hechtingsproblematiek heeft en het feit dat hij in zijn opvoeding meer dan een gemiddeld kind structuur, toezicht en begeleiding nodig heeft, alsmede het feit dat de moeder niet in staat is om de minderjarige de benodigde zorg en opvoeding te geven, omdat zij de problematiek van de minderjarige niet erkent, maken dat een terugplaatsing niet meer aan de orde is. Daarbij komt dat de minderjarige inmiddels langdurig in het pleeggezin verblijft en dat hij daar zijn plek in het gezin gevonden heeft en veiligheid ervaart.

Het hof overweegt als volgt.

6. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend/verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 BW, (nog steeds) bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke gesteldheid.

7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de minderjarige een inmiddels achtjarig jongetje is dat een zeer ingrijpend en voor hem belastend eerste levensjaar heeft gehad en daardoor beschadigd is geraakt. Voorts is het hof gebleken dat de minderjarige als gevolg van deze beschadiging te kampen heeft met ontwikkelingsproblemen die ertoe leiden dat hij specifieke zorg en begeleiding, alsmede een stabiel en veilig opvoedingsklimaat nodig heeft. Het hof heeft voorts geconstateerd dat de minderjarige inmiddels ruim zes-en-een-half jaar in het pleeggezin verblijft en dat hij, hetgeen ook niet tussen partijen ter discussie staat, gehecht is aan de pleegmoeder. Het hof acht het derhalve gezien het voorgaande in groot belang van de minderjarige dat zijn huidige opvoedingssituatie wordt gecontinueerd. Hem weghalen uit deze stabiele, veilige en voor hem vertrouwde omgeving, alsmede op zijn gedragsproblematiek afgestemde, specifieke opvoedingssituatie zou zijn kwetsbare ontwikkeling schaden. Nog daargelaten of de thuissituatie van de moeder thans ook geschikt is voor de minderjarige, is verandering zeker niet in het belang van deze minderjarige.

8. Het hof merkt verder op dat de door de moeder aangevoerde grieven vooral zien op de handelswijze van Jeugdzorg en de (haars inziens onjuiste) totstandkoming van de huidige situatie. De moeder miskent daarbij dat bij maatregelen betreffende kinderen de "schuldvraag" geen rol speelt: of het aan Jeugdzorg te wijten is dat het inmiddels in het belang van de minderjarige is dat hij kan blijven in het pleeggezin waar hij thans verblijft, doet niet ter zake, bepalend is wat het belang van het kind eist. In de onderhavige procedure gaat het om de vraag of de uithuisplaatsing van de minderjarige thans nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Artikel 1:261 BW biedt daarvoor het toetsingskader in samenhang met de huidige feiten en omstandigheden. De moeder heeft op dat punt slechts gesteld dat haar omstandigheden in positieve zin zijn gewijzigd, zodat zij thans wel in staat is om de zorg en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen. Daarmee gaat zij voorbij aan de situatie van de minderjarige. Het enkele feit dat zij inmiddels haar leven op orde heeft, is, hoe prijzenswaardig ook, onvoldoende om de jeugdbeschermingsmaatregelen te doen beëindigen. Dat de hulpverlening aan haar, naar de mening van de moeder, niet optimaal tot stand is gekomen, is in dit verband evenmin van belang. De problematiek van de minderjarige, zijn leeftijd en het feit dat hij inmiddels langdurig in het pleeggezin verblijft, maken dat hij belang heeft bij stabiliteit met betrekking tot zijn verblijf. Uitgangspunt in dit soort gevallen is het belang van het kind en met name het ontwikkelingsbelang van het kind. Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van het hof het recht van de moeder om de minderjarige zelf op te voeden te wijken voor het recht van de minderjarige bij een ongestoorde opvoedingssituatie in een vertrouwd pleeggezin.

9. Naar aanleiding van de verwijzing van de moeder naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) merkt het hof op dat het EHRM in verschillende uitspraken bevestigd heeft dat het in zaken als de onderhavige aankomt op een belangenafweging en dat in die belangenafweging het belang van het kind het zwaarst dient te wegen. Het Europese Hof erkent voorts dat naarmate een kind langer in een pleeggezin verblijft, het meer in diens belang zal zijn om daar te blijven omdat ingrijpende wijzigingen nu eenmaal schadelijk zijn voor de ontwikkeling van (jonge) kinderen. Het hof passeert dan ook de stelling van de moeder dat de uithuisplaatsing van de minderjarige inbreuk maakt op het familie- en gezinsleven dat wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM. Hier doet zich een geval voor van gerechtvaardigde inmenging als bedoeld in het tweede lid, namelijk van inmenging als bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de gezondheid en voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van de minderjarige in casu zwaarder dan het recht van de moeder op family life met hem.

10. Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de omstandigheden van de minderjarige maken dat de uithuisplaatsing van de minderjarige in het pleeggezin nog immer noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Daarmee wordt nog altijd voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van den Wildenberg en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2010.