Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7908

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
BK-09-00009
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag. Er is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00009

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 februari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 november 2008, nummer AWB 07/719 IB/PVV, betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, heeft aan belanghebbende over het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.097 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.249.

1.2. Nadien heeft de Inspecteur de onderwerpelijke navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 308.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.249.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

1.4. Op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee heeft de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

6 januari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende vast:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1952 en is gehuwd. Belanghebbende is anaesthesist. Hij heeft onder de naam "[A]" in maatschapverband een onderneming gedreven in [Z]. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende zijn onderneming gestaakt en heeft hij een dienstbetrekking aanvaard bij het [B].

3.2. Op 10 maart 2005 heeft het [C] (hierna: het [C]) namens belanghebbende voor het jaar 2003 aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan door een print in te sturen vanuit een elektronisch aangifteprogramma. Omdat deze print wat betreft indeling en inhoud afweek van het originele aangiftebiljet van de Belastingdienst en daardoor niet automatisch verwerkt kon worden door de Inspecteur, heeft deze bij brief van 6 april 2005 aan belanghebbende bericht dat de ingezonden print niet als aangifte kan worden aangemerkt en heeft hij aan belanghebbende verzocht alsnog aangifte te doen op het uitgereikte aangiftebiljet dan wel gebruik te maken van de aangiftediskette 2003 óf het aangifteprogramma van de Belastingdienst óf een commerciële belastingdiskette die geschikt is om elektronisch aangifte te doen

3.3. Op 8 april 2005 heeft het [C] namens belanghebbende op de voorgeschreven elektronische wijze voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.097 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.249. In de aangifte is een bedrag van € 9.853 als winst uit onderneming vermeld en een bedrag van € 11.875 als ondernemersaftrek. Met dagtekening 25 april 2006 heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 vastgesteld. Op de voorzijde van het aanslagbiljet staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: "Te betalen € 0. Bij het vaststellen van deze definitieve aanslag is de Belastingdienst afgeweken van uw aangifte over 2003." De afwijking betreft een bij de handmatige voorcontrole aangebrachte wijziging van de rubriek "overdrachtsprijs privé-onttrekking natura/goederen" met een bedrag van € 9.326 (autokostenforfait). Deze correctie heeft geen invloed gehad op de hoogte van het aangegeven en tevens vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning. Blijkens de achterzijde van het aanslagbiljet zijn het belastbare inkomen uit werk en woning en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld conform de aangifte.

3.4.1. Bij brief van 12 juni 2006 heeft het [C] namens belanghebbende aan de Inspecteur bericht dat de primitieve aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. De brief luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"(. . .)

3 Bij controle van deze aanslagen is mij gebleken dat het belastbaar inkomen box 1 € 174.185 te laag is vastgesteld. De aanslag is derhalve € 90.576 te laag opgelegd.

4 Waardoor het verschil is ontstaan ontgaat mij in het geheel. Ter completering van het dossier doe ik U nogmaals de door mij ingediende aangifte 2003 toekomen.

Gezien het bovenstaande verzoek ik u vriendelijk om de aanslagregeling 2003 nogmaals ter hand te nemen en alsnog een correcte aanslag op te leggen. (. . .)"

3.4.2. Het bij de brief gevoegde "Overzicht IB2003" (hierna: het Overzicht) vermeldt een commerciële winst van € 170.874. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- winstaandeel maatschap [A], verhoogd met de stakingswinst ad € 136.665;

- opbrengst participaties in de C.V. [D] € 10.000 negatief;

- opbrengst participaties in de C.V. [E] € 2.076 negatief,

en een zelfstandigenaftrek van € 3.119. Deze laatste post in plaats van een bedrag van

€ 6.430. Het verschil bedraagt per saldo € 174.185 meer belastbaar inkomen uit werk en woning.

3.5. De Inspecteur heeft vervolgens naar aanleiding van het Overzicht IB 2003 op 3 augustus 2006 de onderwerpelijke navorderingsaanslag opgelegd.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt, welke de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De door hem op 10 maart 2005, 8 april 2005 en 12 juni 2006 ingediende aangiften zijn correct en er is geen sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Op verzoek van de Inspecteur is de elektronische aangifte van 8 april 2005 ingediend, nadat eerder op 10 maart 2005 een versie op papier was ingediend. Hij wijst erop dat het over het belastingjaar 2003 niet verplicht was om elektronisch aangifte te doen. Voorts voert hij aan dat de omstandigheid dat de papieren aangifte niet door de Inspecteur kon worden verwerkt voortvloeit uit een bepaalde werkwijze waarvoor de Belastingdienst heeft gekozen en dat zulks aan navordering in de weg staat. In dit verband verwijst belanghebbende onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006, nr. 40 958, BNB 2006/315c. Ook voert hij aan dat de tot de gedingstukken behorende uitdraai uit het systeem van de Inspecteur van de op 8 april 2005 ingediende aangifte, welke uitdraai zowel door hem als de Inspecteur is overgelegd, niet aansluit bij de door belanghebbende opgestelde en ingediende aangifte, gelet op de lay-out die anders is dan die door het [C] is gebruikt. Tevens voert hij aan dat de Inspecteur ten onrechte voorbijgaat aan de op het aanslagbiljet van 25 april 2006 geplaatste mededeling dat is afgeweken van de aangifte. Dat deze afwijking eigenlijk geen afwijking is heeft belanghebbende niet begrepen. Minst genomen is sprake van onzorgvuldig handelen van de Inspecteur. De overwegingen in de onderdelen 4.2 en 4.3 van de uitspraak van de rechtbank zijn met elkaar in strijd op het punt van de aan- dan wel afwezigheid van een print van de aangifte van 8 april 2005. Dit bescheid is door belanghebbende niet in het geding gebracht, zodat de rechtbank daarvan geen kennis heeft kunnen nemen. Belanghebbende wijst in dit verband op een uitspraak van Hof Arnhem van 23 juli 2008, nr.07/00303, LJN: BD9741. Indien de toelichting op de langs elektronische weg gedane aangifte correct is, had de Inspecteur een fout in de aangifte moeten onderkennen zodat een nieuw feit dat navordering mogelijk maakt ontbreekt. In het geval van belanghebbende heeft de Inspecteur belanghebbende uitdrukkelijk verzocht om langs elektronische weg aangifte te doen. De gevolgen daarvan dienen voor zijn rekening te komen.

4.3. De Inspecteur heeft - eveneens zakelijk weergegeven - de stellingen van belanghebbende dat een nieuw feit ontbreekt gemotiveerd weersproken. Hij voert daartoe aan dat belanghebbende met het indienen van de aangifte van 10 maart 2005 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zoals ook door hem aan belanghebbende is medegedeeld in de brief van 6 april 2005. Daarbij is aan belanghebbende uitdrukkelijk de keuze gelaten op papier of langs elektronische weg alsnog aangifte te doen (vergelijk bijalge 1 bij het verweerschrift bij de rechtbank). Met het indienen van de aangifte van 8 april 2005 heeft belanghebbende wél de vereiste aangifte gedaan. Omdat bij binnenkomst van deze aangifte door een administratief ambtenaar van de Belastingdienst bij een zogenoemde handmatige voorcontrole een correctie is aangebracht, is op het aanslagbiljet van 25 april 2006 de opmerking geplaatst dat de Belastingdienst is afgeweken van de aangifte. Deze correctie is echter niet van invloed geweest op de hoogte van het belastbare inkomen uit werk en woning en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De aanslag is dan ook conform de aangifte van 8 april 2005 vastgesteld. De omstandigheid dat de Belastingdienst zich intern bedient van een lay-out van de aangifte die afwijkt van die van de aangifte die door het [C] was ingediend is niet relevant; de andere lay-out heeft geen invloed gehad op de gegevensverwerking. Eerst door de brief van belanghebbende van 12 juni 2006 is de Inspecteur bekend geworden dat de aanslag te laag was vastgesteld. Blijkens de bedragen ter zake van winst uit onderneming en ondernemersaftrek die staan vermeld in de bij die brief gevoegde uitdraai heeft het [C] bij het invullen van de kapitaalsvergelijking en de ondernemersaftrek in de aangifte van 8 april 2005 een fout gemaakt. Er is geen sprake van een fout welke is aan te merken als een fout van de Inspecteur en mitsdien is geen sprake van een ambtelijk verzuim. De brief van belanghebbende van 12 juni 2006 in samenhang met de uitdraai vormt het nieuwe feit dat navordering rechtvaardigt. De Inspecteur is van mening dat het [C] een fout heeft gemaakt bij het invullen van de kapitaalsvergelijking en de ondernemersaftrek in de aangifte van 8 april 2005.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag. Tevens verzoekt hij om vergoeding van de proceskosten en het in twee instanties betaalde griffierecht.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover thans nog van belang - het volgende overwogen. Daarbij dient onder "eiser" te worden verstaan: belanghebbende, en onder "verweerder" de Inspecteur:

"4.1 Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bevat de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2 Mede gelet op de uitdraai uit het automatiseringssysteem van verweerder acht de rechtbank de stelling van eiser dat reeds in de aangiften van 10 maart 2005 en 8 april 2005 de juiste - van de uitdraai afwijkende - gegevens stonden ongeloofwaardig, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiser zelf geen print van de aangifte van 10 maart 2005 en die van 8 april 2005 in het geding heeft gebracht. Hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank volgt derhalve verweerder in zijn stelling dat eerst door eisers brief van 12 juni 2006 bij hem bekend is geworden dat de aanslag van 25 april 2006 te laag was vastgesteld. Er is derhalve sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de AWR.

4.3 Volgens vaste jurisprudentie (onder andere Hoge Raad 7 december 2007 nr. 43.489 VN 2007/58.14) mag verweerder bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die eiser in zijn aangifte heeft verstrekt. Gelet op het feit dat eiser zijn aangifte heeft laten verzorgen door een professionele gemachtigde en de aangifte van 8 april 2005 een verzorgde indruk maakte, oordeelt de rechtbank dat verweerder bij de primitieve aanslagregeling mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte.

4.4 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Daartoe overweegt het Hof, onder aanvulling van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, nog het volgende.

6.2.1. Het Hof is van oordeel dat de aangifte zoals deze langs elektronische weg op 8 april 2005 is gedaan de aangifte is als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De papieren inkomensopgave van 25 maart 2005, welke belanghebbende overigens als meest gerede partij niet in het geding heeft gebracht, kan niet als de aangifte in voormelde zin worden aanvaard.

6.2.2. De Inspecteur, op wiens weg zulks ligt, nu belanghebbende gemotiveerd heeft betwist dat een navordering rechtvaardigend nieuw feit ontbreekt, heeft aannemelijk gemaakt, dat te dezen sprake is van een nieuw feit dat het opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslag rechtvaardigt. Zulks blijkt op overtuigende wijze uit een vergelijking van de inkomensopstelling in de print van de elektronische aangifte van 8 april 2005 (bijlage 2 bij het verweerschrift bij de rechtbank), in het bijzonder de kolommen "Aangegeven" en "Voorvastgesteld", en de inkomensopstelling zoals deze bij de brief van 12 juni 2006 aan de Inspecteur is overgelegd. De Inspecteur heeft gesteld, en het Hof acht dat aannemelijk, dat de rubriek "Aangegeven" door de Belastingdienst niet is gewijzigd ten opzichte van hetgeen belanghebbende aan inkomensgegevens, in het bijzonder het bedrag inzake de genoten winst uit onderneming, heeft aangeleverd. Dat de Inspecteur door het aanvankelijk tot een te laag bedrag op aanslag inkomstenbelasting te heffen, een ambtelijk verzuim heeft begaan voortvloeiend uit de door hem gekozen administratieve verwerking met behulp van geautomatiseerde systemen van de aangifte, is niet aannemelijk geworden. Het tegendeel komt uit de vergelijking van de hiervoor vermelde informatiedragers onomstotelijk naar voren. Eerst bij de brief van 12 juni 2006 met bijlage, van het [C] heeft de Inspecteur de juiste inkomensgegevens ontvangen.

6.2.3. Het Hof merkt nog op dat door het inzenden van de aangifte van 8 april 2005, welke een correcte en verzorgde indruk maakte, de eerder aangeleverde inkomensopstelling zijn belang heeft verloren. De Inspecteur is niet gehouden bij het opleggen van de primitieve aanslag daarop acht te slaan en heeft daarmee niet onzorgvuldig gehandeld.

6.2.4. Voorts heeft de Inspecteur met juistheid gesteld dat hij belanghebbende uitdrukkelijk de keuze heeft gelaten een papieren aangifte te doen dan wel langs elektronische weg. Daarbij wijst het Hof erop dat voor het onderhavige jaar op belanghebbende nog niet de wettelijke verplichting rustte om langs elektronische weg aangifte doen. Dit is een eigen keuze geweest waarvan hij dan zelf de gevolgen dient te dragen. De verwijzing naar onder meer HR 14 april 2006, nr. 40.958, LJN: AT7225, BNB 2006/315, mist derhalve doel. De Inspecteur mocht dan ook afgaan op de juistheid van de aangifte van 8 april 2005, waarin een te laag bedrag aan winst uit onderneming is vermeld (vergelijk HR 7 december 2007, nr. 43.489, LJN: BB 3465, BNB 2008/281).

6.3. Hetgeen belanghebbende nog overigens of anderszins heeft aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet tot een andere conclusie leiden.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en J. Schuurman, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op

17 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.