Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7356

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
BK-08-00272
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BT5842, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inrichting voor koude- en warmteopslag ten behoeve van de verwarming in een appartementencomplex is vrijgesteld van de heffing van grondwaterbelasting ondanks dat de vergunde hoeveelheid wordt overschreden. Er is geen reden aan te nemen dat, indien bij de aanvraag een grotere hoeveelheid zou zijn gevraagd, de vergunning niet was verkregen. Het grondwater wordt onttrokken en via een gesloten systeem volledig teruggevoerd naar het eerste watervoerende pakket.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 807 met annotatie van Spaermon
FutD 2010-0771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00272

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 19 januari 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] BV, gevestigd te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2008, AWB 07/1737 BELGW, betreffende na te noemen door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rivierenland, kantoor Arnhem, aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen.

Naheffingsaanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft op 26 oktober 2006 over de jaren 2001 tot en met 2004 aan belanghebbende op één aanslagbiljet verenigde naheffingsaanslagen opgelegd in de grondwaterbelasting ten bedrage van € 25.218 en gelijktijdig met het opleggen van de aanslag een verzuimboete opgelegd van € 2.521.

1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 januari 2007 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 24.399 en de boete tot € 2.439.

1.3. Belanghebbende heeft vervolgens tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft een griffierecht voldaan van € 433. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 december 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding in hoger beroep en het ter zitting verhandelde, staat in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende is houder van een inrichting voor koude- en warmteopslag in het appartementencomplex [...], [a-straat] te [Q] (hierna: het complex) waarbij ten behoeve van de verwarming van het complex gebruik gemaakt wordt van een warmtepomp die zoet grondwater aan de bodem onttrekt en via een gesloten systeem terugvoert in hetzelfde watervoerende pakket. Het grondwater wordt onttrokken door middel van een pomp met een maximale technische capaciteit van 26 m3 per uur.

3.2. Op 5 augustus 1997 heeft [B] (een rechtsvoorgangster van belanghebbende) bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland ten behoeve van het complex een aanvraag voor een vergunning ingediend voor het onttrekken van grondwater in het kader van de Grondwaterwet. Volgens de aanvraag bedraagt het maximaal te onttrekken debiet 23m3 per uur, 400 m3 per etmaal, 10.000 m3 per maand en 69.000 m3 per jaar. In de aanvraag is vermeld dat het maximale debiet per jaar is gebaseerd op het maximaal aantal jaarlijkse draaiuren van de pomp.

3.3. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben vervolgens op 25 maart 1998 voor het complex vergunning verleend voor:

- het ontrekken van maximaal 23 m3 grondwater per uur, 400 m3 per etmaal, 10.000 m3 per maand en 69.000 m3 per jaar;

- het retourneren van het onttrokken grondwater.

Aan deze vergunning zijn onder andere de volgende voorschriften verbonden:

"De grondwateronttrekking en de retournering

3a. Voor de onttrekking en retournering van grondwater dienen de volgende maximale debieten en hoeveelheden in acht te worden genomen:

- maximaal 400 m3 per etmaal, 10.000 m3 per maand en 69.000 m3 per jaar;

- ten behoeve van het eenmaal per jaar spuien van de bronnen voor mechanische regeneratie een debiet van 100 m3 per bron per spuibeurt. In totaal bedraagt het spuidebiet 200 m3 per jaar;

- indien chemische regeneratie nodig is en gemeld zoals bedoeld in voorschrift 11, mag 1.000 m3 per keer worden onttrokken.

b. Het infiltratiedebiet dient, behoudens het spuidebiet, gelijk te zijn aan het onttrekkingsdebiet.

c. De onttrekkings- en infiltratiebron dienen door middel van een gesloten circuit met elkaar te zijn verbonden, zodat tijdens het proces geen verontreinigde grondstoffen aan het grondwater kunnen worden toegevoegd."

3.4. Een toezichthouder van de afdeling Handhaving van de directie Groen, Water en Milieu van de Provincie heeft tijdens een controlebezoek bij het complex op 2 december 2005 geconstateerd dat belanghebbende sedert 2001 de maximale debieten en hoeveelheden die in de vergunning zijn genoemd heeft overschreden. Nadat de Inspecteur hiervan in januari 2006 op de hoogste is gesteld heeft laatstgenoemde bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de belastingplicht voor de grondwaterbelasting over de jaren 2001 tot en met 2005.

3.5. Volgens het rapport van 2 oktober 2006 dat van dit onderzoek is opgesteld heeft belanghebbende in de jaren 2001 tot en met 2004 ten behoeve van de verwarming van het complex de volgende hoeveelheden zoet grondwater onttrokken aan de bodem, hebben de volgende overschrijdingen plaatsgevonden en werd aangekondigd dat de Inspecteur als volgt zal naheffen:

Jaar Onttrekking m3 Vergunning m3 Overschrijding Tarief Naheffing

2001 118.924 69.000 49.924 fl. 0,3594 fl. 17.942 (€ 8.141)

2002 96.877 69.000 27.877 € 0,1682 € 4.688

2003 96.997 69.000 27.997 € 0,1743 € 4.879

2004 111.076 69.000 42.076 € 0,1785 € 7.510

Totaal € 25.218

In het rapport is tevens aangekondigd dat de Inspecteur op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan belanghebbende een verzuimboete zal opleggen van € 2.521 omdat de verschuldigde belasting niet is aangegeven en afgedragen.

3.6. De installatie in het complex is in 2005 aangepast en in 2006 opnieuw in gebruik genomen. Na de aanpassingen is per jaar niet meer ontrokken dan de hoeveelheden genoemd in de vergunning.

3.7. De naheffingsaanslagen en de boete zijn op 26 oktober 2006 overeenkomstig het controlerapport opgelegd.

3.8. In de bezwaarfase is gebleken dat de vergunning de mogelijkheid biedt jaarlijks 1.200 m3 grondwater te ontrekken voor het "spuien" van de inrichting en dat belanghebbende elk jaar van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen als volgt verminderd:

Jaar Onttrekking m3 Vergunning m3 Overschrijding Tarief Naheffing

2001 118.924 70.200 48.724 fl. 0,3594 fl. 17.942 (€ 7.946)

2002 96.877 70.200 26.677 € 0,1682 € 4.487

2003 96.997 70.200 26.797 € 0,1743 € 4.670

2004 111.076 70.200 40.876 € 0,1785 € 7.296

Totaal € 24.399

De boete werd dienovereenkomstig verminderd tot € 2.439.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de Inspecteur de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Primair wordt een beroep op de vrijstelling voor koude- en warmteopslag als bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel g, van de Wet belastingen op milieugrondslag (in de tot 1 januari 2008 geldende tekst; hierna: Wbm) gedaan. Belanghebbende beschikt over een vergunning voor het onttrekken en terugvoeren van grondwater in de bodem via een gesloten systeem. De aan de vergunning verbonden voorwaarden in de zin van genoemd artikelonderdeel kunnen slechts betrekking hebben op het terugvoeren van water in de bodem. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wbm blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest grondwaterbelasting te heffen over het verschil tussen de hoeveelheid onttrokken en de hoeveelheid geïnfiltreerd grondwater. In het onderhavige geval zijn die hoeveelheden met elkaar in overeenstemming zodat er geen grond voor naheffing bestaat. Deze uitleg wordt ontleend aan de memorie van toelichting, opgenomen bij de infiltratiekorting als bedoeld in artikel 6, lid 2, van de Wbm (tekst tot 1 januari 2008), Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 21. Gelet op de formulering van de vrijstelling van artikel 8, aanhef en onderdeel g, Wbm dat vrijwel op dezelfde wijze is geformuleerd als de vrijstelling opgenomen in artikel 6, lid 2, van de Wbm dient eerstgenoemde bepaling op dezelfde wijze te worden uitgelegd en ziet het woordje "daartoe" slechts op de voorschriften die zien op infiltratie en niet op de hoeveelheid.

Bepalend voor de berekening van de belasting is slechts of verschil bestaat tussen de hoeveelheid onttrokken en de hoeveelheid teruggevoerd water. De opbouw en de wijze van vraagstelling in het aangifteformulier bevestigt deze uitleg.

Ter zitting heeft belanghebbende subsidiair een beroep gedaan op de toepassing van de infiltratiekorting als bedoeld in artikel 6, lid 2, Wbm.

4.3. De Inspecteur houdt in hoger beroep staande dat terecht is nageheven.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslagen.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge de artikelen 4 en 6 van de Wbm wordt onder de naam grondwaterbelasting een belasting geheven ter zake van het onttrekken van grondwater en wordt de belasting berekend over de hoeveelheid onttrokken grondwater.

6.2. Op grond van artikel 8, aanhef en onderdeel g, van de Wbm zijn onttrekkingen door middel van een inrichting ten behoeve van koude- en warmteopslag vrijgesteld indien het grondwater wordt onttrokken en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is ontrokken, als dit in overeenstemming geschiedt met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken en terugvoeren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet.

6.3. De vrijstelling voor koude- en warmteopslag is in de Wbm opgenomen bij Nota van Wijziging (Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 10). In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag (nr. 9, blz. 33/34) is het volgende ter toelichting van deze vrijstelling opgenomen:

"In geval van zogenoemde koude-warmte-opslag is per saldo geen sprake van blijvend onttrekken van grondwater. Al het onttrokken grondwater wordt in een gesloten kringloop direct in dezelfde watervoerende laag weer geïnfiltreerd. De toepassing van deze cyclus is onder andere de opslag van koude of warmte in de ondergrond. Thermische energie wordt tijdelijk in de bodem opgeslagen om te worden benut als daar vraag naar is. Er is sprake van een seizoensmatig cyclisch proces. Grondwater wordt enkel gebruikt als medium. De voordelen van deze wijze van energie-opslag zijn:

- Het leidt tot energiebesparing, waardoor onnodige CO2-emissie kan worden voorkomen. Het alternatief voor koelingsdoeleinden is veelal mechanische koelinstallatie, waarbij sprake is van een hoog energieverbruik meestal in de vorm van elektriciteit. Bij de opslag van warmte wordt eveneens bespaard op fossiel brandstofgebruik;

- Bij koude-opslag worden koelmachines overbodig, hetgeen leidt tot een vermindering van gebruik van stoffen die op de een of andere wijze milieubelastend zijn;

- Het ondersteunt het provinciaal beleid met betrekking tot het terugdringen van grondwaterverbruik ten behoeve van de beperking van verdroging en verzilting. In een aantal gevallen is het alternatief het eenmalig gebruik van grondwater voor koeldoeleinden. Bij een cyclisch gebruik hiervan wordt verdroging of verzilting tegengegaan.

(...)"

6.4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende houder is van een inrichting voor koude- en warmteopslag en dat belanghebbende in de jaren waarop de naheffingsaanslagen zien met de onderhavige inrichting grondwater heeft onttrokken aan het eerste watervoerende pakket en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig heeft teruggevoerd in datzelfde watervoerende pakket. Derhalve is geen sprake is geweest van een blijvende onttrekking van het grondwater.

6.5. Ingevolge de aan haar verleende vergunning was het belanghebbende toegestaan een onttrekking en terugvoering uit te voeren tot een hoeveelheid van 69.000 m3 water per jaar, overeenkomstig de geschatte hoeveelheid die zij in de aanvraag voor de vergunning had opgenomen. Onder de omstandigheid dat belanghebbende, met uitzondering van de hoeveelheid onttrokken water, volledig voldoet aan de in de vergunning gestelde voorwaarden, dat geen sprake is van een blijvende onttrekking van het grondwater alsmede dat, naar belanghebbende - onvoldoende weersproken - heeft gesteld, er geen reden is aan te nemen dat indien zij direct een vergunning had aangevraagd voor een onttrekking van 120.000 m3 deze niet zou zijn verleend, brengt een redelijke toepassing van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onderdeel g, van de Wbm mee dat, aangezien belanghebbende met de inrichting geheel beantwoordt aan het hiervoor onder 6.3 vermelde doel dat de wetgever zich heeft gesteld met het invoeren van de vrijstelling voor koude- en warmteopslag, zij ter zake van de onderhavige onttrekkingen en terugvoeringen recht kan doen gelden op de vrijstelling.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene behoeft het subsidiaire standpunt van belanghebbende geen bespreking. Het gelijk is aan belanghebbende en de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking kunnen niet in stand blijven.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof {(2 + 2) punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)}.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 285, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 432 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de naheffingsaanslagen,

- vernietigt de boetebeschikking,

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932, en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 717 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en J. Schuurman, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 19 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.