Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7329

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
BK-09-00308
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN9679, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding dan het door de Inspecteur toegekende bedrag van € 161.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00308

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 9 maart 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 april 2009, nr. AWB 07/5978 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar, verzoek en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar is de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden, hierna: de Inspecteur, aan belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag tegemoetgekomen. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur tevens een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase toegekend.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft afgezien van de mogelijkheid een conclusie van dupliek in te dienen.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 januari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. De Inspecteur heeft op 9 maart 2004 belanghebbendes aangifte in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 ontvangen. Bij brief van 11 mei 2006 heeft de Inspecteur zijn voornemen om af te wijken van de aangifte bekendgemaakt.

3.2. Met dagtekening 27 juni 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Bij brief met dagtekening 6 juli 2006, bij de Inspecteur ingekomen op 12 juli 2006, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Hij heeft daarbij tevens verzocht om vergoeding van de kosten ad € 483 die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

3.3. Bij brief van 4 juli 2007 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat aan zijn bezwaar wordt tegemoetgekomen en hij in aanmerking komt voor een forfaitaire kostenvergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift van € 161. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 18 juli 2007.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding dan het door de Inspecteur toegekende bedrag van € 161, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Belanghebbende stelt primair dat voor het indienen van twee bezwaarschriften en voor de reiskosten die daarmee samenhangen een vergoeding dient te worden toegekend.

Subsidiair stelt belanghebbende dat kosten voor het indienen van een bezwaarschrift, reiskosten (koerierskosten) en verletkosten voor vergoeding in aanmerking komen, eventueel op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij voor "eiser" dient te worden gelezen: belanghebbende en voor "verweerder" dient te worden gelezen: de Inspecteur.

"2.5. Door verweerder is aan eiser een vergoeding voor de kosten van de bezwaarprocedure toegekend van € 161 ten aanzien van één punt als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit en onderdeel B 2. onder 1. van de bij het Besluit behorende bijlage. In dit oordeel ligt besloten dat verweerder heeft beslist dat voor een vergoeding van meer procespunten en/of uitgaven geen reden is. Anders dan waar eiser vanuit gaat is derhalve hierover door verweerder wel een beslissing genomen.

2.6. Eiser is in de bezwaarfase evenals in de beroepsfase vertegenwoordigd door een gemachtigde. Deze gemachtigde is aan te merken als een derde beroepsmatig rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit zodat ingevolge artikel 2 van het Besluit de bijlage van toepassing is. In deze bijlage wordt aan met name genoemde proceshandelingen punten toegekend waaronder voor de bezwaarfase in onderdeel A 4. voor een bezwaarschrift 1 punt. Er worden in dit onderdeel geen punten toegekend aan het indienen van brieven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht aan de door gemachtigde bij verweerder ingediende brief waarin is verzocht om uitstel van betaling geen procespunt heeft toegekend. De rechtbank is van oordeel dat ook terecht geen reiskosten voor het bezorgen van het bezwaarschrift op het adres van verweerder zijn vergoed. Dergelijke kosten kunnen niet worden aangemerkt als kosten die in redelijkheid gemaakt zijn. Gekozen had ook kunnen worden voor verzending met ontvangstbevestiging. Dergelijke kosten komen ingevolge artikel 1, van het Besluit, niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover eiser zelf deze kosten heeft gemaakt niet omdat deze niet zijn opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 1, onderdeel e, van het Besluit en voor zover de gemachtigde die kosten heeft gemaakt niet omdat zij geacht worden te zijn opgenomen in het forfaitaire bedrag ingevolge artikel 1, onderdeel a, van het Besluit. Gelet hierop kan in het midden blijven of deze reiskosten ook inderdaad gemaakt zijn. De gemachtigde van eiser heeft nog aangevoerd dat zijn ervaring dat per post verstuurde stukken zoekraakt bij verweerder voor hem aanleiding is om gebruik te maken van een koerier. Aangezien verzending met ontvangstbevestiging aan de afzender ook informatie verstrekt over het aanreiken van stukken bestaat voor het verzenden per koerier geen aanleiding.

Voor het vergoeden van verletkosten van het kantoor van gemachtigde bestaat eveneens geen reden. Dergelijke kosten worden ook geacht te zijn begrepen in het forfait van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit. Mitsdien heeft verweerder terecht hiervoor geen vergoeding toegekend. Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder terecht de vergoeding voor de kosten van bezwaar bepaald op € 161. (...) "

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Op grond van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Indien echter in de bezwaarfase in meer dan één geschrift bezwaar wordt gemaakt tegen één aanslag, is slechts sprake van één bezwaarschrift, eventueel met aanvulling(en). Een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling van een aanslag kan worden aangemerkt als een (pro forma) bezwaarschrift. Daar is aanleiding voor als tegen een aanslag geen bezwaarschrift in eigenlijke zin is ingediend. In het onderhavige geval doet die aanleiding zich echter niet voor. De Inspecteur is voor de berekening, op basis van het Besluit, van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken terecht uitgegaan van één bezwaarschrift. De Inspecteur heeft in overeenstemming met het in de bijlage bij het Besluit geregelde, hiervoor één punt toegekend.

6.2. Belanghebbende stelt, naar het Hof begrijpt, dat hij dan wel zijn gemachtigde reis- en verletkosten heeft gemaakt voor het indienen van het bezwaarschrift. Een veroordeling in de reis- en verletkosten ziet in de regel op de kosten die een partij - en derhalve niet zijn beroepsmatig rechtsbijstandverlenende gemachtigde - heeft gemaakt om een zitting te kunnen bijwonen. De door belanghebbende gemaakte kosten voor zijn reis naar het kantoor van de Inspecteur om het bezwaarschrift c.q. het verzoek om uitstel van betaling tegen ontvangstbewijs in te dienen zijn geen kosten om een zitting te kunnen bijwonen. Voorts is het Hof met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende die reiskosten redelijkerwijs niet heeft hoeven maken. Belanghebbendes reiskosten terzake komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. De stelling van belanghebbende dat per post verzonden stukken "plegen te verdwijnen bij de fiscus" komt het Hof in zijn algemeenheid als ongeloofwaardig over.

6.3. De koerierskosten die zouden zijn gemaakt voor de bezorging van het bezwaarschrift, zijn geen kosten als genoemd in artikel 1 van het Besluit en komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.

6.4. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, die afwijking van de forfaitaire regeling voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand rechtvaardigen, is in hoger beroep niet gebleken.

6.5. Voor zover belanghebbende verzoekt om vergoeding van geleden schade, als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, bestaande uit kosten die hij in verband met het bezwaar heeft moeten maken, wordt dit verzoek afgewezen, aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling voor dergelijke kosten kent.

6.6. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Th. Groeneveld en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 9 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.