Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7315

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
BK-09/00305
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2913, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO8467, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO8467
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Het schip was duurzaam aan een plaats gebonden, een en ander als is voorgeschreven in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00305

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 5 maart 2010

in het geding tussen:

de erven van [erflater] te [Z], hierna: belanghebbenden,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor 's-Gravenhage), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbenden tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2009, nummer AWB 07/9659 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Met dagtekening 24 oktober 2007 is aan [erflater], die op 9 december 2004 is overleden en laatstelijk woonachtig was te [Q] (hierna: erflater), een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 123.820.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 39.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 110.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 januari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Erflater is in het jaar 2003 eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [Q]. Voorts is hij in dat jaar eigenaar van het zeewaardige motorjacht "[het schip]" (hierna: het schip). Het schip meet 55 meter en heeft vier verdiepingen. Het schip heeft onder meer een disco, drie bars, diverse zonnedekken met een jacuzzi, een keuken en een groot aantal slaapkamers.

3.2. Het schip heeft van 12 augustus 2003 tot juli 2006 een ligplaats tussen vissersboten en grote bedrijfsboten bij [rederij A] aan de [b-straat] te [R] en ligt met trossen vast. Volgens artikel 24, eerste lid, van de Verordening Scheveningen Haven 1999 is het verboden in de haven een schip langer dan 30 dagen te doen verblijven, zonder dat het voor de vaart ter zee wordt gebruikt. Indien een schip over een vaste ligplaats beschikt, verlenen burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage ontheffing van dat verbod. Erflater beschikte niet over een ontheffing. De gemeente gedoogde de situatie.

3.3. Van begin augustus 2003 tot aan zijn overlijden op 9 december 2004 heeft erflater samen met zijn echtgenote op het schip gewoond. Vanaf 9 december 2004 tot aan haar verhuizing in juli 2006 naar [Z] heeft de weduwe van erflater alleen op het schip gewoond.

3.4. Het schip was op zijn ligplaats goed bereikbaar voor algemene diensten. Voor de watervoorziening en de verwerking van rioolafval was het aangewezen op de faciliteiten van het waterleidingbedrijf en de rioolzuiveringsinstallatie, waarop het op een voor schepen geëigende wijze was aangesloten. Door [rederij A] is elektriciteit geleverd door middel van walstroom via een af te koppelen kabel. Het schip bezit generatoren voor de opwekking van stroom. Een water- en/of rioolaansluiting met de wal ontbrak. Aan het schip is door het havenbedrijf van de gemeente 's-Gravenhage één keer een grote hoeveelheid water geleverd. Voor het schip zijn havengeld en kosten voor water en elektriciteit betaald. De woning aan de [a-straat 1] te [Q] heeft erflater gemeubileerd achtergelaten.

3.5. Op 14 augustus 2003 heeft erflater een overeenkomst met [B] B.V. gesloten waarin een verkoopopdracht ter zake van het schip is vastgelegd. In de periode van 12 augustus tot en met 31 december 2003 heeft erflater een aantal keren met het schip gevaren. Op 11 november 2003 is een proefvaart gemaakt voor [C] in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid het schip te gebruiken voor evenementen. Erflater wilde met zijn echtgenote op het schip blijven wonen totdat het zou zijn verkocht. Voorts is erflater op 15 november 2003 met het schip uitgevaren om de intocht van Sint-Nicolaas te verzorgen. Met het schip is Sint-Nicolaas over zee opgehaald. Een in juni 2003 geplande vaartocht in verband met Vlaggetjesdag is niet doorgegaan. Van 25 maart 2004 tot en met 16 juli 2004 is met het schip een vakantiereis gemaakt naar de Canarische eilanden. Op enige datum in 2005 is een proefvaart gemaakt met een potentiële koper en van 30 mei tot 11 juni 2006 is het schip van zijn plaats geweest voor inspectie in een dok door een potentiële koper.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of het schip is aan te merken als eigen woning in de zin van artikel 3:111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Meer specifiek dient de vraag te worden beantwoord of het schip duurzaam aan een plaats is gebonden in de zin van die bepaling. Mocht die vraag bevestigend worden beantwoord, dan zijn partijen het erover eens dat de aanslag moet worden verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.948.

4.2. Belanghebbenden zijn van opvatting dat het schip aan erflater en zijn echtgenote anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan, zodat de eigenwoningregeling van toepassing is. De frequentie waarmee het schip is uitgevaren staat de toepassing van de eigenwoningregeling niet in de weg. Het schip heeft zijn ligplaats in de periode van 12 augustus 2003 tot juli 2006 slechts incidenteel verlaten. Er is geen grond het begrip "duurzaam aan een plaats gebonden" als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet anders uit te leggen dan hetzelfde begrip als bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet. Van een vaste ligplaats is in elk geval sprake, wanneer het schip ten minste een jaar met niet meer dan incidentele onderbrekingen aanwezig is. De intentie tot verkoop van het schip en beëindiging van de bewoning ervan bij verkoop, staan los van dat begrip. Evenmin komt in het kader van dat begrip betekenis toe aan het feit dat erflater niet over een vergunning of ontheffing beschikte om het schip duurzaam in de haven van [R] aan te meren, en ook niet aan het feit dat met het schip eenvoudig kon worden weggevaren.

4.3. De Inspecteur heeft aangevoerd dat het feit dat erflater voornemens is geweest het schip op termijn te verkopen, erop wijst dat de bewoning van het schip slechts tijdelijk zou zijn. Ook de intentie het schip voor evenementen te verhuren wijst daarop. Het schip was voor de watervoorziening en vuilwaterafvoer aangewezen op voorzieningen voor tijdelijk verblijvende schepen. De ligplaats in de haven van [R] behoorde toe aan [rederij A] en was niet bedoeld om als basisplaats te dienen. Erflater beschikte niet over een gemeentelijke ontheffing van het verbod om langer dan 30 dagen in de haven te verblijven en heeft alleen vanwege de goede relatie met [rederij A] de ligplaats kunnen gebruiken. Met het schip is meerdere keren binnen een jaar, waaronder voor een reis van 31/2 maand in 2004, derhalve meer dan incidenteel uitgevaren. Er is dus niet voldaan aan het begrip "duurzaam aan een plaats gebonden" als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet. De eigenwoningregeling is niet van toepassing.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbenden strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.948.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Partijen zijn het erover eens dat het schip moet worden aangemerkt als schip in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet en dat het schip aan erflater en zijn echtgenote in het jaar 2003 anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond op grond van eigendom in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet. De vraag die rest is of met betrekking tot het schip sprake is van "duurzaam aan een plaats gebonden" als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet.

6.2. Naar uit de vastgestelde feiten blijkt is het schip van 12 augustus 2003 tot juli 2006 voor woondoeleinden gebruikt en heeft het al die tijd dezelfde ligplaats gehad. Gelet op die vaststelling, daarbij het geheel van de overige rond het (gebruik van het) schip voorhanden zijnde gegevens in aanmerking nemende, is het Hof met belanghebbenden van oordeel dat sprake is van duurzaam aan een plaats gebonden in de hier bedoelde zin. De ligplaats van het schip in [R] geldt daarbij, naar het Hof afleidt uit de vastgestelde feiten, als vaste basisplaats. Gedurende een periode van bijna drie jaar is het schip slechts voor drie kortdurende vaartochten, een inspectie in een dok en een vakantiereis uitgevaren. Nu het hier gaat om een periode van bijna drie jaar, kan bezwaarlijk worden gezegd dat het schip met meer dan incidentele onderbrekingen aanwezig is geweest. Het varen met het schip voor een vakantiereis doet daaraan niet af. Dat geldt temeer, nu erflater en zijn echtgenote ook gedurende de onderbrekingen, zoals tussen partijen vaststaat, op het schip hebben gewoond. Omdat de duur van de aanwezigheid van het schip op de vaste basisplaats te dezen beslissend is, komt aan de omstandigheid dat het schip alleen door trossen en een elektriciteitskabel met de wal was verbonden, aan de omstandigheid dat erflater de bedoeling had het schip te verkopen en aan de omstandigheid dat van de ligplaats krachtens een gedoogsituatie gebruik kon worden gemaakt, geen zelfstandige betekenis toe.

6.3. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de conclusie dat het schip van 12 augustus 2003 tot juli 2006 duurzaam aan een plaats was gebonden, een en ander als is voorgeschreven in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbenden gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.173,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep {[(2,5 + 2) punten à € 322)] x 1,5}. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van € 39 respectievelijk € 110, in totaal € 149, aan belanghebbenden te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.948;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 2.173,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- gelast de Staat de voor deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep geheven griffierechten van in totaal € 149 aan belanghebbenden te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 5 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbenden als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kunnen binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH 's-Gravenhage.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.