Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7149

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
200.050.482-01 en 200.050.578-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pleegouders verzetten zich tegen onderzoek waarbij de minderjarige tijdelijk voor onderzoek in het RMPI dient te worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 februari 2010

Zaaknummer : 200.050.482/01 en 200.050.578/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-819

[appellanten],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat mr. M. Kramer te Amsterdam,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te [woonplaats],

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.P.M. Castelein te Dordrecht.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Dordrecht,

verder: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De pleegouders zijn op 3 december 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

25 november 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht (hierna: de bestreden beschikking).

Jeugdzorg heeft op 29 december 2009 een verweerschrift ingediend.

De moeder heeft op 23 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de pleegouders zijn bij het hof op 14 december 2009, 8 januari 2010 en

13 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder is op 15 januari 2010 een brief ingekomen.

Op 21 januari 2010 is de zaak (tezamen met de voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 200.044.585/01) mondeling behandeld. Verschenen zijn: de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat, en Jeugdzorg. Voorts is verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, Jeugdzorg en de advocaat van de pleegouders onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. Aan de pleitnotitie van de advocaat van de pleegouders zijn drie verklaringen van psychiaters gehecht.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is aan Jeugdzorg een machtiging verleend onder meer de hierna te noemen minderjarige met ingang van 25 november 2009 voor de duur van zes maanden, dat wil zeggen tot 25 mei 2010, uit huis te plaatsen, ter effectuering van het aan die beschikking aangehechte indicatiebesluit. Tevens is bepaald dat de beschikking van 19 augustus 2009 van de rechtbank Dordrecht met zaaknummer 82222/JE RK 09-545 zijn rechtskracht verliest op het moment dat de beschikking wordt geëffectueerd. Voorts is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de ter voorbereiding op het geven van de bestreden beschikking gevolgde procedure, de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige strekkende tot verblijf in het RMPI, de verhouding van deze machtiging tot de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegouders alsmede de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking.

2. In de brief van 8 januari 2010 is van de zijde van de pleegouders bericht dat de kinder- en jeugdpsychiater, [kinder- en jeugdpsychiater], bereid is om ter zitting over de vraag of de minderjarige ambulant kan worden onderzocht of dat zij voor onderzoek moet worden opgenomen in een psychiatrische setting informatie te verschaffen.

3. Bij de brief ingekomen op 15 januari 2010 is van de zijde van de moeder medegedeeld dat bezwaar bestaat tegen het inschakelen van [kinder- en jeugdpsychiater] als deskundige.

4. Het hof acht het niet noodzakelijk om [kinder- en jeugdpsychiater] te horen, nu onvoldoende is onderbouwd dat haar verklaring voor de beoordeling van het beroep van betekenis kan zijn.

5. Jeugdzorg en de moeder hebben ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen de indiening van de verklaringen van de psychiaters door de pleegouders. Zij stellen dat deze stukken te laat zijn ingediend.

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht aannemelijk dat een deel van deze verklaringen eerder had kunnen worden overgelegd. Nu partijen tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in staat zijn gesteld om de stukken door te nemen en de stukken kort zijn en eenvoudig zijn te doorgronden, zal het hof deze wel bij zijn beoordeling betrekken.

De procedure

7. De eerste grief is een klacht over de door de kinderrechter gevolgde procedure. De pleegouders stellen –zakelijk weergegeven- dat zij door de kinderrechter onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om tegen het inleidend verzoek van Jeugdzorg verweer te voeren. Zij stellen dat het verzoek van Jeugdzorg twee dagen na indiening ter zitting is behandeld, dat zij eerst ter terechtzitting met dit verzoek werden geconfronteerd en dat hun advocaat op geen enkele wijze in het verzoek werd gekend. Verscheidene belangen van de minderjarige zijn aldus niet in de beslissing van de kinderrechter betrokken.

8. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de pleegouders tijdig en voldoende van haar verzoek op de hoogte waren gesteld om ter zitting in eerste aanleg verweer te kunnen voeren. De moeder sluit zich wat dit betreft bij Jeugdzorg aan.

9. Nu de pleegouders in hoger beroep ten volle in de gelegenheid zijn geweest om verweer te voeren kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven en faalt de eerste grief.

De machtiging

10. Met de tweede en derde grief keren de pleegouders zich tegen het oordeel van de kinderrechter dat de verleende machtiging in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is. De pleegouders bestrijden niet dat uit het ambulante onderzoek van de minderjarige bij het NIFP voortvloeit dat zij nader moet worden onderzocht. Wel spreken zij tegen dat dit nader onderzoek niet ambulant en met behoud van plaatsing van de minderjarige bij de pleegouders kan plaatsvinden. Zij stellen zich op het standpunt dat Jeugdzorg onvoldoende onderzoek naar de mogelijkheden van een dergelijk ambulant onderzoek heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat een of meer ambulant werkende instellingen door Jeugdzorg vergeefs zijn benaderd is onvoldoende voor de conclusie dat het noodzakelijke onderzoek ambulant niet mogelijk is. Dat de pleegouders ter zitting van de kinderrechter zelf geen alternatieven in het ambulante kader hebben aangedragen kan hun, gelet zowel op het ontbreken van de gelegenheid tot voorbereiding als op het feit dat het hun niet is toegestaan onderzoekers te benaderen, niet worden tegengeworpen.

11. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat het noodzakelijke nadere onderzoek van de minderjarige niet anders dan door opname in een onderzoeksinstelling kan geschieden. Zij stelt daartoe dat bij haar inventarisatie van de mogelijkheden tot ambulant nader onderzoek van de minderjarige geen van de hetzij op eigen initiatief hetzij op voorstel van de pleegouders benaderde instellingen in staat bleek om het volgens het NIFP-advies noodzakelijke onderzoek met neuropsychologische en psychiatrische expertise ambulant te verrichten. De benaderde instellingen achtten de problematiek van de minderjarige daarvoor te complex.

12. De moeder onderschrijft het standpunt van Jeugdzorg.

13. Het hof stelt voorop dat de problematiek van de minderjarige wenselijk maakt dat zij aan zo min mogelijk wijzigingen in haar situatie wordt blootgesteld. In zijn door de pleegouders ingeroepen beschikking van 1 juli 2009 heeft het hof overwogen dat de minderjarige het beeld oproept van een meisje dat dermate kwetsbaar is dat het niet verantwoord lijkt om haar in het kader van een noodzakelijke psychiatrische observatie weg te plaatsen bij de ouders. Mede in overweging nemende dat aan het hof onvoldoende duidelijk was waarom een observatieplaatsing noodzakelijk is, kwam het hof tot het oordeel dat verblijf van de minderjarige bij de pleegouders prevaleert boven de belangen van intramuraal onderzoek.

14. Thans is genoegzaam gebleken dat het neuropsychologisch en psychiatrisch onderzoek dat volgens het NIFP-advies noodzakelijk is, bij de door Jeugdzorg benaderde instellingen ambulant niet mogelijk is. Ook uit hetgeen de pleegouders naar voren hebben gebracht blijkt niet dat het voor de minderjarige noodzakelijke onderzoek ambulant zou kunnen plaatsvinden. De pleegouders hebben ter terechtzitting weliswaar een drietal verklaringen overgelegd van door hun advocaat benaderde psychiaters, waarin dezen stellen tot respectievelijk “het ambulante kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek” c.q. “het onderzoek” van de minderjarige in staat te zijn, maar desgevraagd ter zitting heeft de advocaat van de pleegouders verklaard dat deze psychiaters bij hun verklaring geen kennis hadden van de inhoud van het NIFP-rapport. Daarbij moet wel in aanmerking worden genomen dat de pleegouders zich niet vrij achtten zonder toestemming van de gezagsdraagster aan derden inzage van de rapportage te geven. Ook anderszins zijn de benaderde psychiaters echter niet op de hoogte gesteld van de aard van het noodzakelijke nader onderzoek. Zo heeft de advocaat van de pleegouders ter zitting desgevraagd verklaard dat bij de vraagstelling aan de psychiaters niet is gespecificeerd dat het NIFP had geadviseerd dat dit nader onderzoek diende plaats te hebben door opname in een observatiekliniek met neuropsychologische en psychiatrische expertise, doch dat is volstaan met de vraag naar een kinder- of jeugdpsychiater die de minderjarige kon onderzoeken. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat aan de overgelegde uitlatingen van de psychiaters niet de betekenis toekomt dat deze psychiaters zich in staat achten het voor de minderjarige noodzakelijke onderzoek ambulant te verrichten. Aan deze verklaringen kan dus, anders dan de pleegouders stellen, niet de conclusie worden verbonden dat Jeugdzorg zich onvoldoende heeft ingespannen om het door het NIFP geadviseerde onderzoek ambulant te doen verrichten. Wel tonen de overgelegde verklaringen aan dat de pleegouders in hoger beroep voldoende gelegenheid hebben gehad hunnerzijds de mogelijkheden van ambulant onderzoek te bezien alsmede dat zij geen belemmeringen hebben ervaren bij het benaderen van de onderzoekers van hun keuze.

15. Op grond van het hiervoor overwogene acht het hof voldoende aannemelijk dat het voor de opvoeding en verzorging van de minderjarige noodzakelijke neuropsychologische en psychiatrische onderzoek niet ambulant kan plaatsvinden. Gegeven de noodzaak van dit onderzoek voor de minderjarige is de door de kinderrechter verleende machtiging en uithuisplaatsing dan ook in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk. De tweede en de derde grief falen.

De verhouding van de verleende machtiging met de eerdere machtiging

16. Met de vierde grief stellen de pleegouders het door jurisprudentie van de Hoge Raad gewaarborgde belang aan de orde dat duidelijk is in welke verhouding de verleende machtiging tot uithuisplaatsing staat tot een reeds eerder verleende machtiging. Volgens de pleegouders heeft de kinderrechter nagelaten deze verhouding aan te duiden.

17. Jeugdzorg en de moeder hebben deze grief gemotiveerd bestreden.

18. De grief is ongegrond, nu uit het dictum van de bestreden beschikking blijkt dat de bij de beschikking van 19 augustus 2009 eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegouders vervalt op het moment dat de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing wordt aangewend.

De uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking

19. Met de vijfde grief betogen de pleegouders dat de kinderrechter de bestreden beschikking ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Gelet op de aan deze zaak verbonden aspecten, zo stellen de pleegouders, mag uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet vanzelfsprekend zijn.

20. Jeugdzorg en de moeder hebben ook de vijfde grief gemotiveerd bestreden.

21. Het hof stelt voorop dat uit niets blijkt dat de kinderrechter de bestreden beschikking als vanzelfsprekend of bij wijze van automatisme uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Dat de bij de bestreden beschikking verleende machtiging ingrijpende uitwerking kan hebben doet daaraan niet af. Ook in hoger beroep hebben de pleegouders niet gesteld dat bij tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking misbruik van recht dreigt. De grief is ongegrond.

SLOTSOM ten aanzien van de grieven

22. Nu het hof de grieven ongegrond acht zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd.

Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

23. Gegeven de bekrachting van de bestreden beschikking en in aanmerking genomen hetgeen het hof in rechtsoverweging 21 heeft overwogen, zal dit verzoek worden afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking;

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Bouritius en Van de Poll, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.