Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7080

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200.052.432/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing van drie minderjarigen, artikel 1:261 BW en termijn van hoger beroep voor in eerste aanleg niet verschenen belanghebbende, artikel 806 lid 1 sub b Rv; vertrek van de moeder naar Egypte; toetsing aan artikel 8 EVRM en het IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 maart 2010

Zaaknummer : 200.052.432

Rekestnr. rechtbank : 09-2192, 09-2478 en 09-2487

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I.C.M. van Ruiten te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

vestiging Centrum/Scheveningen,

kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M-J.E. de Boorder - Gilsing te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 23 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 september 2009 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 1 februari 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn op 22 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft bij brief van 14 januari 2010 medegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 10 februari 2010 is de zaak, samen met de zaak met het nummer 200.052.973 (betreffende het hoger beroep van de vader), mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens Jeugdzorg mevrouw [naam] (voormalig gezinsvoogd) en de heer [naam] (teamleider) en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. [De minderjarige I], nagenoemd, is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, Jeugdzorg gemachtigd om:

[De minderjarige I], geboren op [geboortedatum in] 1996 te [geboorteplaats], van 23 september 2009 tot 9 september 2010 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een residentiële setting;

[De minderjarige II], geboren op [geboortedatum in] 1999 te [geboorteplaats]; en

[De minderjarige III], geboren op [geboortedatum in] 2005 te [geboorteplaats], van 23 september 2009 tot 9 september 2010 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin;

zulks ter effectuering van de aangehechte indicatiebesluiten.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hen. De hiervoor genoemde minderjarigen (hierna: de minderjarigen) verblijven sinds de uithuisplaatsing in verschillende pleeggezinnen, [de minderjarige II en de minderjarige III] bij elkaar.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek tot machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

Ontvankelijkheid

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij tijdig in appel is gekomen nu zij pas na 30 september 2009 kennis heeft genomen van de beschikking van 22 september 2009.

5. Het hof overweegt dat uit de bestreden beschikking blijkt dat het verzoekschrift tot machtiging (spoed)uithuisplaatsing niet enkel als grondslag voor de spoeduithuisplaatsing heeft gediend, maar eveneens de grondslag voor de thans geldende machtiging tot uithuisplaatsing vormt. Uit dit verzoekschrift blijkt dat de moeder niet in kennis is gesteld van het verzoek, omdat dit een gevaar voor de minderjarigen zou kunnen opleveren. Voorts is de moeder, ondanks dat zij conform de wettelijke vereisten is opgeroepen, in eerste aanleg niet verschenen omdat zij reeds toen in Egypte verbleef. Nu aan de moeder geen afschrift is verzonden van het verzoekschrift, gaat het hof ervan uit dat aan haar - gelijk zij stelt - geen afschrift van de bestreden beschikking is gezonden overeenkomstig artikel 806, eerste lid, sub a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

6. Op grond van het voorgaande zal het hof de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van de moeder in hoger beroep beoordelen aan de hand van artikel 806, eerste lid, sub b, Rv. Op grond van dit artikel kan aan andere (bekende) belanghebbenden (die niet een afschrift hebben ontvangen van de griffie van de rechtbank) hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. De bestreden beschikking is, zo heeft de moeder in haar beroepschrift onweersproken gesteld, eerst na haar terugkomst uit Egypte op 30 september 2009 aan haar bekend is geworden. De moeder is op 23 december 2009 in hoger beroep gekomen en dus ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

Inhoudelijke beoordeling

7. De moeder betoogt in haar eerste grief dat de door Jeugdzorg aangevoerde gronden voor het verstrekken van een machtiging tot uithuisplaatsing ontbreken, nu er geen sprake is (geweest) van een instabiele gezinssituatie. Volgens de moeder was er in de voormalige opvoedsituatie wel degelijk sprake van duidelijkheid, ondersteuning en begrenzing en werd het gezin gesteund door professionele hulpverlening, buren en vrienden. Zorgen omtrent de ontwikkeling van de minderjarigen, worden door de moeder dan ook betwist. Daargelaten dat haar afwezigheid in verband met de reis naar Egypte er in geen geval toe zou leiden dat zij niet meer in staat is om de minderjarigen op te voeden, is de kinderrechter volgens de moeder ten onrechte voorbij gegaan aan de aanwezigheid en zorg die de vader voor zijn rekening zou nemen.

In haar tweede grief betoogt de moeder dat de machtiging tot uithuisplaatsing een inbreuk vormt op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De uithuisplaatsing van de minderjarigen is volgens de moeder niet in hun belang, nu de noodzaak om in te grijpen in de voormalige gezinssituatie niet bestond.

8. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de gronden voor de uithuisplaatsing aanwezig zijn en betoogt dat uit het inleidende verzoekschrift ook blijkt dat ernstige zorgen bestaan met betrekking tot de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van de minderjarigen. Zo zijn de ouders niet in staat duidelijke grenzen te stellen, hebben de minderjarigen geen vaste bedtijden en laat de moeder de minderjarigen zelf beslissen wat ze willen eten. Jeugdzorg betwist dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing uitsluitend is gebaseerd op het toen aanstaande vertrek van de moeder naar Egypte, al vormt de impulsiviteit van de moeder wel degelijk een niet te verwaarlozen factor. Dat de minderjarigen thans angstig zijn voor contact met de ouders, maakt dat thuisplaatsing vooralsnog niet aan de orde is. Medebepalend daarbij is, zo verklaarde Jeugdzorg ter terechtzitting in hoger beroep, dat onderzoek naar de problematiek van de minderjarigen noodzakelijk is.

Voorts betwist Jeugdzorg dat er sprake is van schending van de genoemde verdragsartikelen nu voldaan is aan de wettelijke criteria van artikel 1:261 BW. Volgens Jeugdzorg hebben twee tantes en een oom van de minderjarigen verklaard dat zij van mening zijn dat de minderjarigen in het pleeggezin moeten blijven en kan de buurvrouw, gelet op de belastende informatie van de wijkagent, de opvoeding en verzorging van de minderjarigen niet op zich nemen. Plaatsing binnen het netwerk van de minderjarigen acht Jeugdzorg daarom niet mogelijk.

9. De vader heeft zich ter terechtzitting achter het standpunt van de moeder geschaard en bestreden dat de in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde gronden voor een machtiging uithuisplaatsing aanwezig zijn, althans hij heeft gesteld dat de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing op andere gronden heeft verstrekt dan de gronden die door Jeugdzorg in het inleidende verzoekschrift zijn aangevoerd. De vader stelt dat de voormalige opvoedsituatie in augustus 2009 aanleiding was de ondertoezichtstelling te verlengen, zodat het disproportioneel is dat dezelfde grond nu wordt gebruikt om te komen tot de uithuisplaatsing. Voorts betoogt de vader dat de machtiging uithuisplaatsing in strijd is met artikel 9 en artikel 18 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), welke, zo heeft de advocaat van de vader ter terechtzitting aanvullend gesteld, in samenhang dienen te worden gelezen met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

10. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, BW mag slechts worden verleend indien de wettelijke gronden daarvoor aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

11. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing op andere gronden heeft verstrekt dan de gronden die door Jeugdzorg in het inleidende verzoekschrift zijn aangevoerd. Niettemin verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof vult daartoe de gronden als volgt aan.

12. Hoewel het vertrek van de moeder naar Egypte, anders dan door Jeugdzorg is gesteld, geen permanent karakter had, geeft het handelen van de moeder naar het oordeel van het hof voldoende aanleiding tot ernstige zorg omtrent de voormalige opvoedsituatie van de minderjarigen. Zo heeft de moeder ter terechtzitting verklaard dat zij samen met de destijds dertienjarige [minderjarige I] drie weken naar Egypte wilde gaan. Uit de stukken is ook gebleken dat de moeder een ticket voor [de minderjarige I] had gekocht. [De minderjarige I] bezocht sedert september 2009 een andere school, namelijk Het Knooppunt, een school voor speciaal onderwijs waar het goed ging met [de minderjarige I]. Deze school heeft, toen de moeder hen één dag voor het geplande vertrek in kennis stelde, in het belang van [de minderjarige I] negatief geadviseerd. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij dit advies in de wind wilde slaan. Gedurende haar afwezigheid wilde de moeder [de minderjarige II en de minderjarige III] achterlaten bij de buren of familie. Uiteindelijk is de moeder zonder [de minderjarige I] naar Egypte vertrokken. Zowel de vader, die in hetzelfde huis als de moeder woonde, als Jeugdzorg, die middels de ondertoezichtstelling bij het gezin is betrokken, waren niet op de hoogte van de plannen van de moeder, zodat een adequate opvang voor de minderjarigen in feite ontbrak.

Voornoemd handelen van de moeder wijst er naar het oordeel van het hof op dat de moeder haar eigen belang (het ontmoeten van een man en gebedsgenezing in Egypte) boven dat van de minderjarigen stelt en zich onvoldoende realiseert wat de minderjarigen nodig hebben. Daarbij is van een actieve, ondersteunende, ouderrol van de vader niet gebleken. Immers, uit niets komt naar voren dat de vader zich, toen de minderjarigen nog thuis woonden, met hun opvoeding en verzorging bezighield en dat de moeder hem daarin heeft betrokken. Niet gebleken is dat de vader bij afwezigheid van de moeder, bereid en in staat is de minderjarigen te verzorgen en op te voeden. De ouders willen weliswaar dat de minderjarigen worden thuisgeplaatst, maar hebben op geen enkele wijze een vangnet gecreëerd voor de door Jeugdzorg gesignaleerde problemen. Onder de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing, gelet op de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, terecht is verleend.

Het hof stelt op basis van de informatie die ter kennis is gekomen, voorts vast dat onderzoek naar de gedragsproblematiek van de minderjarigen geïndiceerd is. Gelet hierop is de uithuisplaatsing van de minderjarigen eveneens noodzakelijk tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof gaat ervan uit dat de vader en de moeder de ter terechtzitting gedane toezegging hun medewerking te verlenen aan dat onderzoek, gestand zullen doen en zich overigens zullen onthouden van enige vorm van dreigen ten opzichte van de gezinsvoogd.

13. De grief van de moeder dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 8 EVRM slaagt naar het oordeel van het hof niet. Met de moeder is het hof van oordeel dat door de uithuisplaatsing een inbreuk wordt gemaakt op het recht op ‘family life’, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, van de minderjarigen met hun ouders. Deze inmenging in het familie- en gezinsleven is evenwel bij de wet voorzien en noodzakelijk in het belang van de minderjarigen, namelijk ter bescherming van hun geestelijke gezondheid, zoals bepaald in voormeld artikel onder lid 2. Nu gebleken is dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt bovendien dat de maatregel van uithuisplaatsing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen. In zoverre wordt aan het betoog van de moeder voorbij gegaan.

14. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van de Poll en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2010.