Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7059

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200.040.211-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OTS; beëindiging van de maatregel vanwege verbetering van de situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 januari 2010

Zaaknummer : 200.040.211/01

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 09-540

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.H. van Meurs te Rotterdam,

tegen

de William Schrikker Jeugdbescherming,

kantoorhoudende te Diemen,

hierna te noemen: WSJ.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 7 augustus 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 mei 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De WSJ heeft op 20 november 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 12 en 30 oktober 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming heeft het hof bij brief van 11 september 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 6 januari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan haar advocaat, de partner van de moeder: de heer [X], en namens de WSJ: mevrouw A.M.J.D. Hensen en de heer D. Kamer. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 28 mei 2010.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [Y] (hierna: de minderjarige), geboren [in] 1998 te [woonplaats]. De moeder heeft het eenhoofdig gezag.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de ondertoezichtstelling van de minderjarige te beëindigen, voorzover de wet het toelaat uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

3. De WSJ bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ondertoezichtstelling van de minderjarige heeft verlengd. Zij betoogt dat het belang van de minderjarige niet vordert dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Zij voert daartoe aan dat de ondertoezichtstelling niets heeft opgeleverd en dat de minderjarige juist traumatische ervaringen ondervindt van de ondertoezichtstelling.

5. De WSJ heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de minderjarige en zijn moeder een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het schoolverzuim is geminimaliseerd en de hulpverlening van Horizon Jeugdzorg heeft effect. De moeder werkt mee en komt haar afspraken na. De WSJ betoogt echter in het bijzonder dat de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd omdat de situatie van de minderjarige en de moeder wordt gewijzigd. Zo gaat de minderjarige in de loop van 2010 naar de middelbare school en krijgt hij behandeling bij het kinder- en jeugdpsychiatrisch centrum De Paladijn. Indien de overgang van de school en de hulpverlening positief verloopt dan kan er naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling toegewerkt worden.

6. Het hof overweegt als volgt.

7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat er zorgen waren omtrent de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige en dat er aanwijzingen waren dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig werd bedreigd. Er was sprake van ongeoorloofd verzuim van school en de moeder onttrok zich aan de hulpverlening waardoor er interventies nodig waren. Onder de huidige omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te handhaven. Partijen zijn het er over eens dat het goed gaat met de minderjarige. De minderjarige volgt het Cluster IV onderwijs bij ‘Het Bergse Veld’ van Horizon en gaat na de zomervakantie naar de middelbare school toe, welke ook behoort tot het Cluster IV onderwijs van Horizon. De contacten met Horizon hebben een positieve invloed op de minderjarige en de moeder. Voorts zijn de moeder en de minderjarige aangemeld bij het kinder- en jeugdpsychiatrisch centrum De Paladijn, waar een systeemgerichte behandeling gaat plaatsvinden. Daarnaast is sprake van een goede samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening. Sinds de datum van de bestreden beschikking heeft de moeder zich niet meer onttrokken aan de hulpverlening en hebben er geen tot weinig interventies van de zijde van de WSJ plaatsgevonden. De continuïteit in de vooruitgang bij de minderjarige en de moeder lijkt reeds gegarandeerd te zijn. Bovendien is onweersproken dat de huidige gezinsbegeleidster, mevrouw [Z], beschikbaar zal zijn zolang de minderjarige nog niet naar de middelbare school gaat. De vertrouwensband, die tussen de gezinsbegeleidster en de moeder bestaat, zal mitsdien worden benut zolang dit dienstig is voor de minderjarige en de moeder.

Door de WSJ zijn naar het oordeel van het hof in hoger beroep feiten noch omstandigheden gesteld die van dien aard zijn dat de minderjarige thans nog zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. De zorg van de WSJ dat het wellicht in de toekomst niet goed zal gaan, vormt een onvoldoende grond om de inbreuk op het ouderlijk gezag, die de ondertoezichtstelling uit haar aard is, in dit geval te handhaven.

8. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden om de minderjarige onder toezicht te stellen thans niet meer aanwezig zijn, zodat het hof de ondertoezichtstelling met ingang van 28 januari 2010 zal opheffen en de bestreden beschikking in zoverre zal vernietigen.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige vanaf 28 januari 2010 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

heft de ondertoezichtstelling van de minderjarige [Y], geboren [in] 1998 te [woonplaats], met ingang van 28 januari 2010 op;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Mos-Verstraten en Kamminga, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010.