Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6589

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
BK-09/00259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen. Belanghebbende is niet geslaagd in de plicht aannemelijk te maken dat de aangiften elektronisch zijn ingediend. De Inspecteur heeft met het opleggen van de voorlopige aanslag niet verwijtbaar onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 7:15, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0655

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00259

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 8 januari 2010

in het geding tussen:

mevrouw [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden (kantoor Leiden), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 18 maart 2009, nummer AWB 07/7032 LB/PVV, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende is met dagtekening 30 mei 2007, kenmerk [...], een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen ter grootte van € 1.500 opgelegd over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 december 2006. Bij beschikking van dezelfde datum en een gelijk kenmerk is belanghebbende een boete opgelegd van € 15.

1.2. De tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking door belanghebbende ingediende bezwaren zijn bij, in één geschrift vervatte, uitspraken van de Inspecteur van 16 augustus 2007 gegrond verklaard. Het in het bezwaarschrift neergelegde verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

1.3. Het tegen de uitspraken door belanghebbende ingestelde beroep is door de rechtbank

's-Gravenhage bij de in de aanhef vermelde uitspraak ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

18 november 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen.

2.3. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende exploiteert vanaf 28 augustus 2006 een schoonmaakbedrijf onder de naam [A]. Vanaf 19 oktober 2006 is belanghebbende inhoudingsplichtig voor de loonheffingen.

3.2. Belanghebbende heeft vanaf het tijdvak oktober 2006 uitnodigingen ontvangen voor het doen van elektronische aangiften loonheffingen. Zij had in 2006 geen personeel in dienst.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. Met betrekking tot het geschil tussen partijen heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, overwogen:

"2.4 In geschil is het antwoord op de vraag of het verzoek van eiseres om een vergoeding van de kosten van de in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand terecht door verweerder is afgewezen, welke vraag eiseres ontkennend en verweerder bevestigend beantwoordt.

2.5 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.6 Met de uitspraak op bezwaar is verweerder geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres. Wanneer een belastingaanslag op grond van een daartegen gemaakt bezwaar wordt verminderd, zal het van de redenen die tot die vermindering hebben geleid, en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, afhangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht, en zo ja, of de onrechtmatige daad het betrokken bestuursorgaan valt toe te rekenen. In geval het primaire besluit berust op een onjuiste uitleg of toepassing van de wet en derhalve onrechtmatig is, moet dit onrechtmatig handelen in ieder geval aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend (Hoge Raad 7 november 2003, 38 006, BNB 2004/113).

2.7 Eiseres heeft gesteld dat zij de aangiften elektronisch heeft gedaan. Verweerder heeft aangevoerd dat de aangiften niet zijn ontvangen door de Belastingdienst.

2.8 Op eiseres rust de plicht aannemelijk te maken dat de aangiften elektronisch zijn ingediend. Eiseres is hier met het enkel overleggen van de schermprints niet in geslaagd, omdat, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, op ieder moment bij het opstellen van een elektronische aangifte een schermprint kan worden gemaakt, zonder dat sprake is van indiening van een aangifte. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs geen rekening kunnen houden met het gegeven dat eiseres in 2006 geen loonheffingen is verschuldigd, nu dit niet viel op te maken uit de gegevens die verweerder over 2006 ter beschikking stonden en eiseres evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder op andere wijze bekend moest of had kunnen zijn met de hoogte van de aangiften loonheffingen van eiseres. Derhalve heeft verweerder met het opleggen van de voorlopige aanslag niet verwijtbaar onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 7:15, eerste lid, van de Awb.".

4.2. Bij de uitspraak waarvan hoger beroep heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

5. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Belanghebbende vecht in hoger beroep het oordeel van de rechtbank aan.

5.2. De Inspecteur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank door te oordelen als zij heeft gedaan op goede gronden een juiste beslissing genomen.

7.2. Hetgeen belanghebbende hiertegen in hoger beroep aanvoert, leidt het Hof niet tot een andere beslissing.

7.3. Ter aanvulling op hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is opgenomen, overweegt het Hof als volgt. De gemachtigde van belanghebbende heeft in de van hem afkomstige gedingstukken alsmede ter zitting van het Hof omstandig aangegeven hoe een en ander destijds is verlopen. Hij heeft - zakelijk weergegeven - onder meer verklaard dat hij zich als programmeur en computerdeskundige bij het doen van de bewuste elektronische aangiften verbaasde over de - naar zijn oordeel - vreemde gang van zaken. Deze verklaring spoort met de passage in de pleitnota: "Aan het einde kreeg ondergetekende het gevoel dat het toch niet allemaal correct liep en heeft een print out van het scherm gemaakt". In dat verband heeft hij desgevraagd ter zitting nog verklaard dat hij geen ontvangstbericht van de Belastingdienst heeft gekregen dat de aangiften waren ontvangen. Hij heeft met zoveel woorden derhalve zelf aangegeven dat hij mede gelet op zijn deskundigheid op computergebied sterk betwijfelde of het bij het doen van de aangiften allemaal wel goed verliep. Het Hof leidt hieruit af dat belanghebbendes gemachtigde zelf redelijkerwijs heeft kunnen onderkennen en heeft moeten weten dat de in de aangiften neergelegde gegevens de Belastingdienst niet hebben bereikt en dat dus de onderwerpelijke aangiften niet waren gedaan.

7.4. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond en moet worden beslist als volgt.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 8 januari 2010 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de voorzitter en mr. U.E. Tromp is de uitspraak ondertekend door mr. W.M.G. Visser.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.