Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6585

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
BK-09/00022
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht. Bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De omstandigheid dat het verzekeren van pensioenen door [A] BV beperkt blijft tot de besloten kring van erflater, zijn echtgenote en hun kinderen brengt met zich dat [A] BV niet deelneemt aan het economische verkeer. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat [A] BV, wat betreft de uitvoering van de pensioenregeling, geen onderneming drijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/8.29.28
FutD 2010-0635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 16 februari 2010

op het hoger beroep van mevrouw [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 november 2008, nr. AWB 07/6619

SUCCR, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden (hierna: de Inspecteur) heeft met dagtekening 27 juni 2006 aan belanghebbende een aanslag in het recht van successie opgelegd ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van [erflater] naar een belaste verkrijging van € 223.155 (hierna: de aanslag).

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 januari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [erflater]. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. [Erflater] (hierna: erflater) is op [dag en maand] 2004 overleden (hierna: de overlijdensdatum). De erfgenamen zijn belanghebbende en de drie kinderen. Belanghebbende is gerechtigd tot één honderdste deel van de nalatenschap en is als enige gerechtigd tot alle goederen die tot die nalatenschap behoren.

3.2. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in [A] B.V. (hierna: [A] BV). Deze vennootschap houdt zich bezig met beleggingsactiviteiten en met het uitvoeren van een pensioenregeling ten behoeve van erflater, belanghebbende en hun kinderen. Op de overlijdensdatum had [A] BV een balanstotaal van € 5.350.000 en hadden de aandelen in [A] BV een waarde van € 4.288.446. De commerciële waarde van de pensioenverplichting bedroeg op de overlijdensdatum € 760.088.

3.3. Bij haar aangifte voor het recht van successie heeft belanghebbende wat betreft de verkrijging van de aandelen in [A] BV een beroep gedaan op de regeling voor bedrijfsopvolging (hierna: de faciliteit) van hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur de faciliteit niet verleend. De aanslag is opgelegd naar een belaste verkrijging van € 223.155 (verkrijging van € 538.839 minus vrijstelling van € 315.684).

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of ter zake van de verkrijging van de aandelen in [A] BV de faciliteit moet worden toegepast. Meer specifiek is in geschil of en in hoeverre [A] BV wat betreft haar pensioenverplichtingen een onderneming drijft, dan wel een lichaam is waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid (hierna: beleggingsvennootschap).

4.2. Belanghebbende stelt dat [A] BV zich bezighoudt met beleggingsactiviteiten en met het uitvoeren van een pensioenovereenkomst en dat laatstgenoemde activiteit kan worden gekwalificeerd als een ondernemingsactiviteit, omdat daarmee risico's worden aanvaard die normaal vermogensbeheer te boven gaan. Belanghebbende stelt zich daarom op het standpunt dat [A] BV in zoverre een onderneming drijft waaraan een waarde kan worden toegekend van € 1.402.882, welk bedrag zij als volgt berekent:

14% van € 4.288.446 € 600.382

Bij: 15% van € 5.350.000 (art. 7a Uitvoeringsregeling) € 802.500

Totaal € 1.402.882

4.3. De Inspecteur stelt dat een pensioenlichaam geen onderneming drijft omdat een dergelijk lichaam juist probeert om risico's te vermijden, zodat [A] BV in haar geheel moet worden aangemerkt als een beleggingsvennootschap.

4.4. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging verminderd met een te conserveren waarde van € 701.441.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1. Ingevolge artikel 35b, lid 2, aanhef en onderdeel b, van de Wet kan de faciliteit voor bedrijfsopvolging worden toegepast ter zake van de verkrijging van aandelen in een vennootschap, niet zijnde een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ingevolge artikel 35b, lid 3, van de Wet, in samenhang met artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2004), geldt de faciliteit slechts indien en voor zover de vennootschap een onderneming drijft.

6.2. Een onderneming is volgens vaste jurisprudentie een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid gericht op deelneming aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen. De omstandigheid dat het verzekeren van pensioenen door [A] BV beperkt blijft tot de besloten kring van erflater, zijn echtgenote en hun kinderen brengt met zich dat [A] BV niet deelneemt aan het economische verkeer. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat [A] BV, wat betreft de uitvoering van de pensioenregeling, geen onderneming drijft. Nu gesteld noch gebleken is dat [A] BV overigens werkzaamheden verricht anders dan het onmiddellijk of middellijk beleggen van vermogen, kan belanghebbende niet met vrucht aanspraak maken op de faciliteit. De Inspecteur heeft het verzoek om toepassing ervan terecht afgewezen.

6.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, J.W. baron van Knobelsdorff en

P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op

16 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.