Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6573

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
09-00380
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8748, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Het stond de Inspecteur vrij bij het opleggen van de definitieve aanslag het bedrag van de bij de voorlopige aanslagen verrekenende loonbelasting terug te brengen tot het bedrag van de ingehouden loonbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0700
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00380

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 16 februari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 mei 2009, nummer AWB 08/62 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden opgelegde aanslag en genomen beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.902. Voorts is bij beschikking (hierna: de beschikking), genomen bij de vaststelling van de aanslag, belanghebbende een bedrag van € 287 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij, in één geschrift verenigde, uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 januari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1. Met dagtekening 15 januari 2005 is aan belanghebbende voor het jaar 2005 een eerste voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, welke resulteerde in een teruggave van € 2.203.

2.2. Belanghebbende heeft op 31 januari 2006 op electronische wijze voor het jaar 2005 aangifte gedaan. Op grond van het aangegeven verzamelinkomen bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen nihil.

2.3. Belanghebbende heeft bij de indiening van de aangifte abusievelijk zijn inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering ad € 15.749 vermeld onder de rubriek inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en daarbij vermeld dat de ingehouden loonheffing € 3.516 bedraagt.

2.4. Naar aanleiding van deze aangifte is aan belanghebbende, met dagtekening 25 april 2006, een tweede voorlopige aanslag opgelegd, welke resulteerde in een teruggave van (€ 3.516 -/- € 2.203 =) € 1.313, welk bedrag is verhoogd met € 15 aan heffingsrente, in totaal derhalve € 1.328. Bij het opleggen van die aanslag is rekening gehouden met een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.516.

2.5. Nadat belanghebbende heeft bemerkt dat hij abusievelijk zijn inkomen in de verkeerde rubriek heeft vermeld, heeft hij op 7 februari 2006 nogmaals op electronische wijze aangifte voor het jaar 2005 gedaan. In deze aangifte heeft belanghebbende bij de rubriek inkomsten uit vroegere dienstbetrekking een bedrag van € 3.516 aan ingehouden loonheffing vermeld. Bij de kolom pensioen e.d. is geen bedrag ingevuld.

2.6. Met dagtekening 2 juni 2006 is aan belanghebbende - mede - op grond van deze aangifte de derde voorlopige aanslag opgelegd. Bij het opleggen van die aanslag is rekening gehouden met een bedrag aan ingehouden loonheffing van twee- (in plaats van een)maal € 3.516 oftewel € 7.032. De aanslag resulteerde nogmaals in een teruggave van € 3.516, vermeerderd met € 52 aan heffingsrente, in totaal derhalve € 3.568.

2.7. Met dagtekening 7 november 2007 is aan belanghebbende de hiervoor in 1.1 vermelde (definitieve) aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Met die aanslag werd een te betalen bedrag vastgesteld van € 3.803 overeenkomende met de som van het ten onrechte voor de tweede maal teruggeven bedrag aan loonheffing van € 3.516 en een bedrag van € 287 aan heffingsrente.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of de Inspecteur terecht stelt dat

(i) het hem bij het opleggen van de definitieve aanslag vrijstaat het bedrag aan loonbelasting zoals dat was verrekend bij de tweede voorlopige aanslag (€ 7.032) terug te brengen tot het bedrag aan loonbelasting dat op belanghebbendes uitkering is ingehouden (€ 3.516) en

(ii) aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening is gebracht, hetgeen belanghebbende bestrijdt.

4.2. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof desgevraagd meegedeeld dat onder meer het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, LJN: BJ8524, meebrengt dat de beschikking inzake de heffingsrente dient te worden vernietigd. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, en tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente tot op nihil.

4.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar inzake de beschikking heffingsrente en de beschikking inzake de heffingsrente en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij voor "eiser" dient te worden gelezen: belanghebbende en voor "verweerder" dient te worden gelezen: de Inspecteur:

2.5. (...) Eiser had derhalve recht op teruggaaf van de ingehouden loonbelasting zijnde een bedrag van € 3.516. Door het tweemaal aangeven van dit bedrag aan ingehouden loonheffing zijn echter aan eiser ten onrechte voorlopige teruggaven verleend tot een bedrag van in totaal € 7.032 (exclusief heffingsrente). Op grond hiervan heeft verweerder dan ook terecht de definitieve aanslag bepaald op een te betalen bedrag van € 3.516 (...).

2.6. Het namens eiser gevoerde verweer met betrekking tot "een navordering rechtvaardigend nieuw feit" ziet voorbij aan de omstandigheid dat hier van een navorderingsaanslag geen sprake is. Het betreft hier immers een drietal voorlopige aanslagen/teruggaven, gevolgd door een definitieve aanslag. Dit verweer kan daarom niet slagen. Nu door of namens eiser verder geen gronden zijn aangevoerd en de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de aanslag (...) tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, is het beroep ongegrond verklaard.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Op basis van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voorlopige (negatieve) aanslagen verrekend met de definitieve aanslag. In die situatie heeft de Inspecteur de bevoegdheid bij het opleggen van de definitieve aanslag ermee rekening te houden dat tot dat moment te weinig belasting is geheven doordat een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. Of het feit dat ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag te weinig belasting is geheven is veroorzaakt door een fout van de Inspecteur doet aan die bevoegdheid niet af.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene stond het de Inspecteur vrij bij het opleggen van de definitieve aanslag het bedrag van de bij de voorlopige aanslagen verrekenende loonbelasting terug te brengen tot het bedrag van de ingehouden loonbelasting.

6.4. Aangezien de Inspecteur heeft verklaard dat de in rekening gebrachte heffingsrente kan vervallen, is het hoger beroep gegrond, en dient te worden beslist als volgt.

Proceskosten

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 322 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (2 x 2 punten à € 322 x 0,25 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 39, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 110 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de heffingsrente,

- vernietigt de beschikking inzake de heffingsrente,

- bevestigt de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 322, te betalen aan de griffier, en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 149 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Th. Groeneveld en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 16 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.