Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6520

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
200.047.469
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing: Het is aan Jeugdzorg om te bepalen of de machtiging ten uitvoer wordt gelegd. Bij een door Jeugdzorg voorgenomen wijziging van de verblijfplaats kan de gezaghebbende ouder daar krachtens artikel 1:263 2e lid sub c BW tegen opkomen, doch die situatie doet zich hier niet voor. zie ook LJN BL6521.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 februari 2010

Zaaknummer : 200.047.469

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-1969

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de pleegmoeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 21 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 augustus 2009 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 15 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 17 november 2009 en 19 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij fax van 23 november 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 21 januari 2010 is de zaak, tezamen met de zaak met het nummer 200.021.832 (betreffende de gewone verblijfplaats van na te noemen minderjarige), mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens Jeugdzorg mevrouw [naam] (gezinsvoogd) en mevrouw [naam], en de pleegmoeder zijnde de tante van de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat, mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman, kantoorgenoot van mr. R.S. Sewdajal. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, de aan Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaats verlengd van 5 augustus 2009 tot 5 augustus 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 21 juli 2009. Voorts is het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige], geboren [in 2001] te [woonplaats] hierna te noemen: de minderjarige, en de omgang tussen de minderjarige en de moeder. De moeder is eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. De minderjarige verblijft feitelijk sinds haar geboorte bij de pleegmoeder.

2. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, het verzoek van Jeugdzorg tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen dan wel deze toe te wijzen en daarbij te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet meer bij de pleegmoeder zal zijn doch dat de minderjarige zal worden geplaatst in een gezinshuis dan wel pleeggezin, als het hof in goede justitie juist oordeelt. Voorts verzoekt de moeder een in goede justitie door het hof te bepalen omgangsregeling tussen haar en de minderjarige vast te stellen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, alsmede de subsidiaire verzoeken af te wijzen.

4. In haar eerste en enige grief betoogt de moeder, samengevat weergegeven, dat de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing van de minderjarige niet aanwezig zijn. Onder verwijzing naar het onderzoeksrapport van het Haags Ambulatorium stelt de moeder dat continuering van het verblijf van de minderjarige bij de pleegmoeder niet in het belang van de minderjarige is. Uit genoemd rapport komt volgens de moeder naar voren dat plaatsing van de minderjarige in een gezinshuis de beste optie is om de voor de minderjarige schadelijke familiesituatie te doorbreken. Ook uit het bij een eerder verzoek gevoegde indicatiebesluit vloeit voort dat uithuisplaatsing in een gezinshuis dan wel pleeggezin geïndiceerd is, aldus de moeder. Ten aanzien van de omgang tussen de moeder en de minderjarige stelt de moeder dat dit zeer moeizaam verloopt nu de pleegmoeder zich op geen enkele wijze wenst te houden aan de vastgestelde omgangsregeling. Nu de pleegmoeder noch Jeugdzorg er veel aan gelegen is dat er omgang plaatsvindt, is deze ten onrechte gestagneerd, aldus de moeder.

5. Jeugdzorg is van mening dat het in het belang van de minderjarige is dat er duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief. Zij dient op te groeien in een omgeving waarin zij zich veilig en vertrouwd voelt en waar zij zich optimaal kan ontwikkelen. Mits de pleegmoeder hulp accepteert en het contact tussen de minderjarige en de moeder kan ondersteunen, biedt de pleegmoeder deze plek voor de minderjarige. Zoals reeds is gebleken zal vanuit die rust voor de minderjarige ruimte ontstaan om het contact met haar moeder opnieuw op te bouwen en geeft dit de pleegmoeder de ruimte om hulpverlening te accepteren. Jeugdzorg acht het niet in het belang van de minderjarige om haar te plaatsen binnen een gezinshuis omdat zij daar hooguit twee jaar kan verblijven en haar toekomst geenszins duidelijk zal zijn, zij uit haar vertrouwde omgeving wordt gehaald en er geen garanties zijn dat dit ertoe zal bijdragen dat het contact met moeder hersteld zal worden. Indien de verstorende familierelatie tussen de moeder en de pleegmoeder wordt weggelaten, dan gaat het heel goed met de minderjarige bij de pleegmoeder.

6. De pleegmoeder heeft zich ter terechtzitting achter het standpunt van Jeugdzorg geschaard. Volgens de pleegmoeder vindt de minderjarige bij haar de rust en de liefde die zij nodig heeft en zou een wijziging van haar gewone verblijfplaats tot gevolg hebben dat de minderjarige het slachtoffer wordt van de ruzie tussen de moeder en de pleegmoeder. De moeder betwist het onderzoeksrapport van het Haags Ambulatorium dat volgens haar geen kwalitatieve waarborgen kent. De pleegmoeder is voorts van mening dat het vaststellen van een verplichte omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige niet in het belang van laatstgenoemde is.

7. Het hof overweegt als volgt.

Uithuisplaatsing

8. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat Jeugdzorg is gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige nu niet zomaar bij haar kan komen wonen, waarmee naar het oordeel van het hof vaststaat dat de wettelijke gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. De rechtbank heeft de machtiging uithuisplaatsing dan ook terecht verlengd. Het hof zal gelet op het voorgaande het door de moeder gedane primaire verzoek in hoger beroep afwijzen.

9. Subsidiair, heeft de moeder het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen met als doel te bereiken dat de minderjarige wordt overgeplaatst naar een neutraal pleeggezin dan wel gezinstehuis. Ingevolge artikel 1:263, tweede lid, sub c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de met het gezag belaste ouder Jeugdzorg verzoeken af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfsplaats van de minderjarige. Als Jeugdzorg het verzoek afwijst, staat beroep bij de kinderrechter open. In het onderhavige geval is sprake van een tegenovergestelde situatie: Jeugdzorg is níet voornemens de verblijfsplaats van de minderjarige te wijzigen. Het hof is van oordeel dat derhalve geen sprake is van een beslissing van Jeugdzorg in de zin van artikel 1:263, tweede lid, sub c, BW waartegen beroep open staat. De keuze waar de minderjarige verblijft, is een bevoegdheid die is neergelegd bij Jeugdzorg en kan slechts bij (een voornemen tot) wijziging door de moeder worden bestreden. Voor het argument van de advocaat van de moeder dat wanneer de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd ook moet worden gekeken waar die machtiging ten uitvoer wordt gelegd, biedt de wet naar het oordeel van het hof geen grond. Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar subsidiaire verzoek.

Omgang

10. Ten aanzien van het door de moeder meer subsidiair gedane verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige overweegt het hof als volgt. Niet gebleken is dat sprake is van een door Jeugdzorg op grond van artikel 1:263a BW juncto artikel 1:258 BW gegeven schriftelijke aanwijzing op grond waarvan het contact tussen de moeder de minderjarige is beperkt. Gelijk de rechtbank is het hof van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor behandeling van voornoemd verzoek. Het hof zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het meer subsidiaire verzoek.

11. Het vooroverwogene leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst het primaire verzoek in hoger beroep af;

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar subsidiaire en meer subsidiaire verzoek in hoger beroep;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, van Nievelt en Kamminga, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2010.