Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6517

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
200.047.292-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele, Twee advocaten stellen zich voor de betrokkene. Het hof onderzoekt de lastgevingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 414
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 280
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 809
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/106 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 februari 2010

Zaaknummer : 200.047.292/01

Zaaknummer rechtbank : 858431/09-82469

[appellant]

wonende te [woonplaats]

doch verblijvende te [[woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: appellante,

advocaat mr. A.D. Leuftink te Schiedam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende]

wonende te [woonplaats]

doch verblijvende te [[woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerster,

advocaat mr. E. Huineman-Lindt te ’s-Gravenhage,

2. [curator]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Appellante is op 12 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 juli 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage.

Van de zijde van verweerster heeft het hof op 23 november 2009 een brief van 19 november 2009 ontvangen, waarin verweerster verklaart dat zij het hoger beroep wenst in te trekken. Bij brief van 11 december 2009 heeft mr. E. Huineman-Lindt namens verweerster het origineel van deze brief van 19 november 2009 aan het hof doen toekomen, welk stuk aan de achterzijde is voorzien van een op 29 november 2009 gedateerde en handgeschreven en met de handtekening van verweerster ondertekende verklaring “Ik wil dat mr. Huineman-Lindt ommestaande brief bij het hof indient.”

Van de zijde van de curator is bij het hof op 29 december 2009 een brief ingekomen.

Van de zijde van verweerster zijn bij het hof op 16 december 2009 en 15 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Mr. E. Huineman-Lindt heeft op 5 januari 2010 namens verweerster een voorlopig verweerschrift ingediend.

Van de zijde van verweerster zijn bij het hof op 5 januari 2010 en 11 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 15 januari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: mr. A.D. Leuftink, mr. E. Huineman-Lindt, de curator, de heer [familie] en de heer drs. [familie] De betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, mr. A.D. Leuftink onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij [belanghebbende] wegens een geestelijke stoornis onder curatele is gesteld met benoeming van [curator] tot curator. Voorts is bepaald dat de uitspraak door de onder curatele gestelde bekend wordt gemaakt in de Staatscourant en in de volgende dagbladen: het Algemeen Dagblad, Haagse editie en de Telegraaf.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondercuratelestelling van appellante en de benoeming van [curator] tot curator.

2. Appellante verzoekt in het appelrekest de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog de verzoeken in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen, subsidiair bij instandhouding van de ondercuratelestelling de beschikking waarvan thans appel te vernietigen waar het de benoeming van [curator] tot curator betreft en, opnieuw beschikkende, in hoger beroep een onafhankelijke derde te benoemen tot curator, althans een tweede onafhankelijke derde tot curator te benoemen met de bepaling dat de kosten van deze procedure ten laste komen van het vermogen van de betrokkene.

3. Appellante heeft in het appelrekest drie grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. In de eerste grief stelt zij dat de kantonrechter haar ten onrechte niet heeft gehoord. In zaken van curatele beslist de rechter niet dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken conform artikel 809 Rv. In de tweede grief stelt zij dat de kantonrechter ten onrechte de ondercuratelestelling wegens een geestelijke stoornis heeft uitgesproken. Appellante meent dat eerst na medisch onderzoek door een onafhankelijk arts de geestelijke stoornis moet worden vastgesteld. In de derde grief stelt zij dat de huidige curator volstrekt ongeschikt is om de vereiste bescherming van haar belangen te realiseren. Zij spreekt haar voorkeur uit voor een onafhankelijk derde ter zake haar belangenbehartiging. Subsidiair is appellante van oordeel dat de mogelijkheden van minder ingrijpende beschermingsmaatregelen onderzocht hadden moeten worden. Het beschermingsbewind ex artikel 1:431 BW verdient de voorkeur boven de curatele, aldus appellante.

4. De curator heeft verklaard verbaasd te zijn door het door appellante ingestelde hoger beroep omdat appellante tevreden was over het feit dat hij als haar curator optreedt. De curator stelt dat appellante onder verkeerde voorwendselen en buiten toestemming van de curator is overgehaald iets te ondertekenen.

5. Verweerster stelt in haar voorlopig verweerschrift dat zij niet zelf ter zitting kan verschijnen maar dat zij wel gehoord kan worden in de inrichting [woonplaats]. Zij verblijft daar op basis van een rechterlijke machtiging. Haar geestelijke stoornis is zodanig dat zij niet in staat is tot behoorlijke waarneming van haar belangen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep en de overgelegde stukken is het hof gebleken dat namens [belanghebbende], hierna: betrokkene, twee advocaten zich in de procedure gesteld hebben, te weten mr. A.D. Leuftink en mr. E. Huineman-Lindt. Voorts is het hof gebleken dat betrokkene de wens heeft geuit het hoger beroep in te trekken. Betrokkene heeft dit aan het hof kenbaar gemaakt door middel van een door de betrokkene zelf ondertekende brief, die mr. Huineman-Lindt aan het hof heeft doen toekomen. Mr. Leuftink heeft het door hem namens betrokkene ingestelde appel gehandhaafd. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of het ingestelde appel al dan niet is ingetrokken, hetgeen neerkomt op de vraag wie van beide advocaten de lasthebber van betrokkene is conform artikel 7:414 lid 1 BW en derhalve haar in rechte vertegenwoordigt.

7. Mr. Huineman-Lindt heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat betrokkene de op de achterzijde van de brief van 19 november 2009 gestelde verklaring zelf heeft geschreven en deze ook zelf heeft ondertekend. Verder heeft zij verklaard dat zij al jaren als advocaat van betrokkene in BOPZ-zaken optreedt en de onderhavige zaak aanvankelijk als vertrouwensadvocaat van betrokkene op de achtergrond heeft gevolgd. Mr. Leuftink heeft verklaard dat hij van mening is dat het hoger beroep nog steeds aanhangig is, nu alleen de advocaat die het hoger beroep heeft ingesteld het hoger beroep kan intrekken. Hij heeft in een gesprek met de betrokkene gevraagd naar de brief. De betrokkene heeft in zijn bijzijn erkend dat het haar handtekening is en zij heeft de advocaat medegedeeld dat hij nog immer haar advocaat is.

8. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat mr. Leuftink bij de handhaving van het ingestelde hoger beroep als lasthebber van betrokkene heeft opgetreden. Het hof neemt hiertoe in aanmerking dat van een schriftelijke volmacht van de betrokkene niet is gebleken. Het had naar het oordeel van het hof op de weg van mr. Leuftink gelegen om tegen de achtergrond van de brief van betrokkene, welke brief mr. Leuftink daags voor de zitting met betrokkene heeft besproken, alsnog een schriftelijke volmacht van betrokkene in het geding te brengen. Voorts heeft mr. Leuftink erkend dat hem tijdens genoemde bespreking is gebleken dat betrokkene de brief aangaande de intrekking zelf geschreven heeft en hij heeft erkend dat haar handtekening onder deze brief is gesteld. Nu een schriftelijke volmacht ontbreekt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene in deze fase van de procedure vertegenwoordigd wordt door mr. Huineman-Lindt en volgt het hof de stelling van mr. Huineman-Lindt dat de betrokkene het hoger beroep wil intrekken.

9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep is ingetrokken. Intrekking van het hoger beroep heeft tot gevolg, dat de aangevoerde grieven niet meer kunnen worden onderzocht en dat de betrokkene in het hoger beroep niet meer kan worden ontvangen.

10. Gelet op het voorgaande zal het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Kamminga en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Steenks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.