Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6414

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
200.038.314-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling behoefte naar maatstaven van 1999. Wijziging van omstandigheden. Grieven tegen tussenbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 februari 2010

Zaaknummer : 200.038.314/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-267

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. Th.Th.M.L. Boersema te Maassluis,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Hoogenraad te Maassluis,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[De jongmeerderjarige],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de jongmeerderjarige of [naam jongmeerderjarige].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 13 juli 2009 per faxbericht in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 april 2009 van de rechtbank Rotterdam.

Op 14 juli 2009 is bij het hof het originele beroepschrift met bijlagen ingekomen.

De moeder heeft op 28 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 augustus 2009, 28 september 2009 en 12 januari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 januari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De jongmeerderjarige is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige heeft, ondanks uitnodiging daartoe van het hof, niet schriftelijk zijn mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - met wijziging van de beschikking van 13 oktober 2005 van de rechtbank Rotterdam - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de jongmeerderjarige], geboren [in] 1990 te [woonplaats], hierna: [de jongmeerderjarige], en [de minderjarige], geboren [in] 1992 te [woonplaats], hierna te noemen: de minderjarige of [naam minderjarige], met ingang van 25 januari 2008 bepaald op € 320,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage ten behoeve van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor zover thans nog in hoger beroep van belang, de verzoeken van de moeder af te wijzen.

3. De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans de vordering van de vader te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ontvankelijkheid hoger beroep

4. De vader stelt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het feit dat een groot deel van de door de moeder genoemde omstandigheden reeds in een eerdere procedure in 2005 in aanmerking zijn genomen en niet telkens in latere procedures kunnen worden gebruikt om een beroep te doen op wijziging van omstandigheden.

De moeder stelt daar tegenover dat de procedure in 2005 niets te maken had met “wijziging van omstandigheden”. Voorts voert zij aan dat rechtbank bij tussenbeschikking van 29 september 2008 een aantal wijzigingen van omstandigheden heeft genoemd en dat de vader tegen die beschikking niet in beroep is gekomen, zodat vaststaat dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

5. Uit artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat hoger beroep van tussenbeschikkingen niet mogelijk is. De vader kon derhalve niet eerder in hoger beroep komen tegen de tussenbeschikking dan gelijktijdig met het onderhavig beroep tegen de eindbeschikking. Dit brengt mee, dat de vader ontvankelijk is in zijn beroep voor zover zijn grieven mede zijn gericht tegen de overwegingen in de beschikking van 29 september 2008.

Wijziging van omstandigheden sinds 25 november 1999

6. Uit de beschikking van 13 oktober 2005 blijkt dat daarbij de kinderalimentatie uitsluitend in verband met een tijdelijke wijziging in de verblijfplaats van de minderjarigen in de periode van 11 februari 2002 tot 30 augustus 2004 en de door partijen gemaakte afspraken met betrekking tot die situatie is beoordeeld maar dat daarbij andere omstandigheden niet aan de orde waren.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat in de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld of er sprake is van een wijziging van omstandigheden sedert de in 1999 gegeven beschikking. Het hof is van oordeel dat sedert de beschikking van 1999 een aantal omstandigheden zijn gewijzigd. Deze wijzigingen zijn vermeld in de tussenbeschikking van 29 september 2008, welke wijzigingen niet eerder in een procedure zijn betrokken. De te wijzigen beschikking is naar het oordeel van het hof derhalve de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 1999. De hierop betrekking hebbende grief van de vader faalt derhalve.

7. [De jongmeerderjarige] is [in] 2008 meerderjarig geworden en heeft derhalve vanaf die datum zelfstandig aanspraak op een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie. Ter zitting van het hof is echter van de zijde van de moeder medegedeeld dat [de jongmeerderjarige] niet in de onderhavige procedure betrokken wil worden en zelf afspraken met de vader heeft gemaakt, zodat uitsluitend de bijdrage ten tijde van zijn minderjarigheid in geschil is, in casu de periode van 25 januari 2008 tot [een datum in] 2008. Over die periode zijn partijen overeengekomen dat de vader € 175,- per maand ten behoeve van [de jongmeerderjarige] aan de moeder betaalt casu quo heeft betaald, zodat het hof die bijdrage zal vaststellen. De grief van de vader, die ziet op de behoefte/behoeftigheid van [de jongmeerderjarige], behoeft derhalve geen bespreking meer.

8. De vader verzet zich tegen het uitgangspunt van de rechtbank dat de door de moeder verzochte verhoging van de kinderalimentatie van [de minderjarige] redelijk en in overeenstemming is met de door haar gestelde gewijzigde behoefte van [de minderjarige] is. De moeder heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

9. Het hof oordeelt als volgt. Ter bepaling van de behoefte van een minderjarige is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk bepalend. Bij (verstek)beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 1999 is de bijdrage ten behoeve van de kinderen op verzoek van de moeder vastgesteld op € 136,13 (ƒ 300,-) per maand per kind. Van de zijde van de moeder zijn geen gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt wat het netto besteedbaar gezinsinkomen was ten tijde van het huwelijk. Het hof kan derhalve niet beoordelen of de destijds door de moeder verzochte en vervolgens door de rechtbank vastgestelde alimentatie in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven. Als gevolg hiervan kan evenmin worden beoordeeld of de bijdrage die de moeder thans verzoekt in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Weliswaar heeft de moeder gesteld en kan worden aangenomen dat de kosten van de kinderen, gelet op hun leeftijd, opleiding, sport, hobby’s, groei en gezondheidsklachten gestegen zijn, maar zij heeft onvoldoende feiten gesteld om te kunnen beoordelen of de door haar genoemde kosten van dien aard zijn dat deze een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigen. Gelet echter op het aanbod van de vader zal het hof de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 25 januari 2008 bepalen op € 175,- per maand. Gelet op de datum van de onderhavige beschikking en de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum, die in hoger beroep niet is betwist, acht het hof het redelijk dat voormelde bijdrage niet eerder geïndexeerd zal worden dan met ingang van 1 januari 2011. Dat de op de behoefte betrekking hebbende grief van de vader slaagt, volgt uit het vorenstaande.

10. In het licht van het hiervoor overwogene behoeven de overige grieven van de vader, die zien op het eigen aandeel van de moeder in de kosten van de kinderen en de draagkracht van de vader, geen bespreking meer. Het vorenstaande leidt er tevens toe dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 1999 - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de jongmeerderjarige] over de periode van 25 januari 2008 tot [een datum in] 2008 op € 175,- per maand, en ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 25 januari 2008 op € 175,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

sluit de wettelijke indexering van de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] uit tot 1 januari 2011;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Husson en Van Dijk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.