Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6272

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09-00261
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP2995, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige aanslag in de onroerende-zaakbelastingen. De voorlopige aanslag bevatte de aanduiding “voorlopige waarde”, welke, in de terminologie van de gemeente, niet officieel was meegedeeld. De gemeente maakte met die aanduiding kenbaar dat het niet de bedoeling was de waarde in een beschikking vast te leggen. Daarom stond tegen de in de voorlopige aanslag gehanteerde waarde geen bezwaar open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0639
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-Gravenhage

Sector belasting

Nummer BK-09/00261

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 24 februari 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap [belanghebbende] BV te [Z] (hierna:belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2009, nr. AWB 07/1727 WOZ-T2, betreffende na te noemen aanslagen en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De heffingsambtenaar van de gemeente [Q] (hierna: de Inspecteur) heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 met dagtekening 15 januari 2006 en onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] een voorlopige aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) opgelegd tot een bedrag van € 32.240,40.

1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 met dagtekening 15 maart 2006 en onder aanslagbiljetnummer [aanslagnummer 2] een definitieve aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) opgelegd tot het onder 1.1 vermelde bedrag, alsmede bij beschikking een waarde vastgesteld van € 12.030.000.

1.3. Bij uitspraak, gedagtekend 4 april 2007, heeft de Inspecteur het ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Voorzover gericht tegen de definitieve aanslag en de beschikking werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende met dagtekening 9 mei 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.

1.5. Bij de in het hoofd vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de voorlopige aanslag, niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep was gericht tegen de definitieve aanslag en de waardebeschikking werd het ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 447. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 13 januari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, mr. [A] vergezeld door [B], alsmede namens de Inspecteur mr. [C] en mr. [D]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 januari 2006 voor het jaar 2006 met nr. [aanslagnummer 1] een voorlopige aanslag in de onroerende-zaakbelastingen opgelegd betreffende de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], [Q] (hierna: het object). Op het biljet staat onder meer vermeld: "Voorlopige waarde EUR 12.030.000".

3.2. In de rechtsmiddelverwijzing op de voorlopige aanslag staat vermeld:

"Bezwaar tegen aanslag of WOZ-beschikking

Indien u het niet eens bent met de aanslag en/of de beschikking kunt u een bezwaarschrift indienen bij Gemeentebelastingen [Q]. Een bezwaarschrift moet u indienen binnen zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet."

Onder "Verklaring van de gebruikte termen op het aanslagbiljet" staat vermeld:

"(..)

WOZ-beschikking

Officiële mededeling van de vastgestelde waarde".

3.3. Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift met dagtekening 24 februari 2006 luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

"Betreft: bezwaarschrift gericht tegen de waardebeschikking Wet WOZ en de voorlopige aanslag onroerendezaakbelastingen 2006

bekendgemaakt op het biljet met nummer: [aanslagnummer 1]

dagtekening: 15 januari 2006

ten name van: [belanghebbende] BV

Geachte heer, mevrouw,

Hierbij maken wij namens belanghebbende bezwaar tegen de in de aanhef genoemde waardebeschikking Wet waardering onroerende zaken en aanslagen OZB. Het bezwaar richt zich in ieder geval tegen de door de gemeente vastgestelde waarde. Deze is te hoog.

Wij verzoeken u vriendelijk om ons tot 1 april a.s. in de gelegenheid te stellen om dit bezwaarschrift van een nadere motivering te voorzien. (...)".

3.4. Met dagtekening 15 maart 2006 en nummer [aanslagnummer 2] heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag opgelegd voor het jaar 2006 betreffende het object. Op het aanslagbiljet staat onder meer vermeld "WOZ-beschikking Beschikkingnr. [xxxxxxx] Waardepeildatum 01-01-2003 WOZ-toestand per 01-01-2006 WOZ-waarde

EUR 12.030.000".

3.5. Met dagtekening 17 maart 2006 heeft belanghebbende een nadere motivering van haar bezwaarschrift ingediend. Deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

"Betreft: nadere motivering bezwaarschrift gericht tegen beschikkingen Wet WOZ/voorlopige aanslagen onroerendezaakbelastingen 2006 bekendgemaakt op het biljet met nummer [aanslagnummer 3] ten name van [E] BV én bekendgemaakt op het biljet met nummer [aanslagnummer 1] ten name van [belanghebbende] BV dagtekening 15 januari 2006 (...).

Het bezwaar ziet op de door de gemeente vastgestelde waarde voor het object [a-straat 1] [Z]. Het object wordt gebruikt voor de op- en overslag van gebruikte metalen. De gemeente heeft de WOZ-waarde van dit object vastgesteld op € 12.030.000. Deze waarde is te hoog.

(..)

Onze conclusie

(...)

De WOZ-waarde dient vastgesteld te worden op maximaal € 8.245.000.".

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of:

a. belanghebbende (tijdig) bezwaar heeft gemaakt tegen de belastingaanslag met nummer [aanslagnummer 2],

b. belanghebbende (tijdig) bezwaar heeft gemaakt tegen de waardebeschikking,

c. het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingaanslag met nummer [aanslagnummer 1] niet-ontvankelijk is als de aanslag met nummer [aanslagnummer 2] onherroepelijk is komen vast te staan,

d. de Inspecteur terecht uitspraak heeft gedaan op de tegen de belastingaanslagen ingediende bezwaarschriften, alvorens uitspraak te doen op het bezwaar gericht tegen de waardebeschikking,

e. de waarde van de onroerende zaak juist is vastgesteld.

4.2. Belanghebbende beantwoordt de in de geschilpunten a en b opgeroepen vragen bevestigend en die in de geschilpunten c, d en e ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vragen in tegenovergestelde zin.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en inhoudelijke behandeling van de zaak.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Belanghebbende heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag in de onroerende-zaakbelastingen 2006 met nummer [aanslagnummer 1], evenals tegen de waardebeschikking WOZ. Uit de nadere motivering van het bezwaarschrift blijkt eveneens dat het bezwaar zich richt tegen de vaststelling van de waarde van het object.

6.2. Belanghebbende kon echter nog geen bezwaar maken tegen de waarde van het object, omdat die waarde nog niet bij voor bezwaar vatbare beschikking was bekendgemaakt in de zin van artikel 29a van de Wet waardering onroerende zaken, tekst geldend voor de jaren 2005 en 2006. De voorlopige aanslag bevatte de aanduiding "voorlopige waarde", welke, in de terminologie van de gemeente, niet officieel was meegedeeld. De gemeente maakte met die aanduiding kenbaar dat het niet de bedoeling was de waarde in een beschikking vast te leggen. Daarom stond tegen de in de voorlopige aanslag gehanteerde waarde geen bezwaar open. Aan dit oordeel doet niet af dat in de rechtsmiddelverwijzing te lezen is onder het kopje "Bezwaar tegen aanslag of WOZ-beschikking", dat indien men het niet eens is met de aanslag een bezwaarschrift kan worden ingediend bij Gemeentebelastingen [Q]. Immers, in samenhang met de verklaring van de gebruikte termen, dient een "voorlopige waarde"niet te worden opgevat als "Officiële mededeling van de vastgestelde waarde"en dus niet als WOZ-beschikking. Dat een en ander uit het oogpunt van voorlichting niet optimaal te noemen is, leidt niet tot een ander oordeel.

6.3. De waardebeschikking ten aanzien van het object kwam tot stand bij de definitieve aanslag met dagtekening 15 maart 2006. Deze beschikking was vatbaar voor bezwaar.

6.4. De nadere motivering van het bezwaarschrift, vermeld onder 3.6, kwam bij de Inspecteur binnen na het opleggen van de definitieve aanslag. Naar 's Hofs oordeel had de Inspecteur deze nadere motivering moeten aanmerken als een tegen de definitieve aanslag alsmede tegen de waardebeschikking gericht, tijdig ingediend bezwaarschrift. Er was geen aanleiding voor de Inspecteur om het bezwaarschrift op te vatten als louter gericht tegen de voorlopige aanslag, omdat het zich ook expliciet richtte tegen de waardevaststelling van de onroerende zaak. Dat belanghebbende onkundig was van het inmiddels opgelegd zijn van de definitieve aanslag doet aan voormeld oordeel niet af.

6.5. Dat een en ander niet de schoonheidsprijs verdient en de indieners van het bezwaarschrift ter zake kundig zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel.

6.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard.

6.7. De rechtbank heeft zich beperkt tot oordelen over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep en heeft de materiële aspecten van de zaak niet behandeld.

Gegeven het karakter van de zaak acht het Hof het van belang dat de feitenrechter met lokale kennis zijn oordeel over de materiële kanten van de zaak geeft. Het Hof zal de zaak dan ook terugwijzen naar de rechtbank Rotterdam teneinde die te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK-09/00262 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken samen vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 322 x 1,5) vermeerderd met € 332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 161 x 1). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Het vergoedingsbedrag van in totaal

€ 2.264 wordt voor de helft toegekend aan belanghebbende en voor de andere helft aan de belanghebbende bij de zaak met het nummer BK-09/00262.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 447 te worden vergoed.

Omtrent het voor de behandeling door de rechtbank gestorte griffierecht van € 285 zal door de rechtbank worden beslist bij de na terugwijzing te nemen beslissing.

Beslissing

Verklaart het hoger beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

wijst de zaak terug naar de rechtbank,

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.132, onder aanwijzing van de gemeente [Q] als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

gelast de gemeente [Q] aan belanghebbende een bedrag van € 447 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, Th. Groeneveld en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 24 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.