Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5437

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
BK-08-00470
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP2281, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP2281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is voldaan aan het driemaandenvereiste als bedoeld in artikel 38, tweede lid, AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 672 met annotatie van Hofman
FutD 2010-0562
V-N 2010/24.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00470

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 29 januari 2010

op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest (kantoor Goes), tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 november 2008, nummer AWB 08/3115, betreffende na te noemen aan [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.600 met een aftrek elders belast van € 20.332.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3. Van de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een waarbij voor de aftrek elders belast rekening wordt gehouden met een bedrag aan buitenlands inkomen in het jaar 2004 van € 52.286.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 oktober 2009, gehouden te 's-Gravenhage. Daar is de Inspecteur verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen, evenmin iemand namens hem. De gemachtigde van belanghebbende is bij aangetekende brief uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. De uitnodiging is op 27 augustus 2009 op het adres van de gemachtigde uitgereikt.

2.4. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Een nader onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende woont te [Z] en is voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 binnenlands belastingplichtig.

3.2. Belanghebbende werkte in 2004 in loondienst voor [A] B.V. te [Q]. Belanghebbende heeft in 2004 gewerkt in landen waarmee Nederland verdragen ter voorkoming van internationaal dubbele belasting heeft gesloten die in het jaar 2004 van toepassing zijn, en ook in landen waarmee Nederland dergelijke verdragen niet heeft gesloten.

3.3. In de periode van 7 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 verbleef belanghebbende voor werk en verlof in Bahrein en in Iran en voor verlof in Zuid-Afrika.

3.4. Met Bahrein en Iran heeft Nederland geen verdragen ter voorkoming van internationaal dubbele belasting gesloten.

3.5. Met Zuid-Afrika heeft Nederland een verdrag ter voorkoming van internationaal dubbele belasting gesloten dat in 2004 van toepassing was.

3.6. Volgens het "jaaroverzicht ontvangen loon in het buitenland" d.d. 7 februari 2005 zijn de door belanghebbende gedurende zijn verblijf in Zuid-Afrika genoten looninkomsten onderworpen geweest aan belastingheffing in Zuid-Afrika.

3.7. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 onder meer met betrekking tot de periode van 7 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 verzocht om aftrek van € 52.286 ter voorkoming van internationaal dubbele belasting. De Inspecteur heeft aftrek verleend voor een buitenlands inkomen van € 20.332.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende gedurende de periode 7 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 heeft voldaan aan het driemaandenvereiste als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), waardoor recht bestaat op een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dan door de Inspecteur is verleend, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt aangevoerd dat de periode die belanghebbende met verlof in Zuid-Afrika heeft doorgebracht niet kan worden meegeteld bij de beoordeling of aan het driemaandenvereiste is voldaan, omdat Nederland met Zuid-Afrika een verdrag ter voorkoming van internationaal dubbele belasting heeft gesloten dat in 2004 van toepassing was, zodat de driemaandenperiode van 7 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 door dat verlof wordt onderbroken. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4.3. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en, wat de Inspecteur betreft, ter zitting hebben aangevoerd.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Volgens artikel 38, tweede lid, AWR worden looninkomsten geacht buiten Nederland aan belastingheffing te zijn onderworpen, voor zover die looninkomsten betrekking hebben op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht binnen het gebied van een mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten (driemaandenvereiste).

5.2. Blijkens de parlementaire behandeling wordt die faciliteit slechts verleend, indien met inbegrip van de gewone arbeidsonderbrekingen gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt gewerkt in niet-verdragslanden die het loon niet aan belastingheffing onderwerpen. Gewone arbeidsonderbrekingen tellen mee bij de beoordeling of aan het driemaandenvereiste is voldaan. Tot de gewone arbeidsonderbrekingen kunnen ook verlofperioden worden gerekend, mits - in het geval van vakantieverlof - evenredigheid bestaat tussen de feitelijk gewerkte tijd en het verlof dat aan die tijd wordt toegerekend. De plaats waar het verlof wordt doorgebracht is niet relevant voor het driemaandenvereiste. Het meetellen van gewone arbeidsonderbrekingen betekent tevens dat de faciliteit van toepassing is op de arbeidsbeloning die gedurende die perioden van onderbreking wordt genoten.

(Kamerstukken II 1984/85, 18 371, nr. 3, blz. 8, nr. 6, blz. 7, en nr. 8, blz. 5)

5.3. Het gegeven dat belanghebbende verlof heeft doorgebracht in het verdragsland Zuid-Afrika is niet relevant voor de toepassing van het driemaandenvereiste.

5.4. Wel relevant voor de toepassing van het driemaandenvereiste is het feit dat Zuid-Afrika verdragsland is, nu het meetellen van gewone arbeidsonderbrekingen tevens betekent dat de faciliteit van toepassing is op de arbeidsbeloning die gedurende de periode van onderbreking is genoten en looninkomsten van belanghebbende die betrekking hebben op de periode van 7 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 onderworpen zijn geweest aan belastingheffing in Zuid-Afrika. Die omstandigheid kan tot geen andere conclusie leiden dan dat in dit geval niet is voldaan aan het driemaandenvereiste.

5.5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

Proceskosten en griffierecht

6.1. Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

6.2. Omdat de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt van de Staat wegens het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

- bevestigt de uitspraak op bezwaar.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 29 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.