Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5294

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
105.007.541/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.541/01

Rolnummer (oud) : 08/131

Zaaknummer Rechtbank : 702240/07-22947

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 16 februari 2010

inzake

[Naam],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. te F.A.M. Engels te 's-Gravenhage,

tegen

STEDIN B.V., voorheen geheten ENECO NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Eneco,

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

Verder verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 14 februari 2008. Daarbij is een comparitie van partijen gelast, welke op 15 mei 2008 heeft plaatsgevonden.

Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen, waarin hij twee grieven tegen het vonnis waarvan beroep aanvoert. Deze zijn door Eneco bij memorie van antwoord, met producties, bestreden.

Daarop hebben partijen, Eneco onder overlegging van haar procesdossier, arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep

1. Als gesteld en niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, staat tussen partijen het volgende vast:

[appellant] was, in elk geval tot en met 11 september 2006, huurder van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: "het pand") en als zodanig afnemer van via het door Eneco beheerde net geleverde electriciteit.

Op 11 september 2006 is in het pand een hennepkwekerij aangetroffen. Diezelfde dag heeft de heer [K], fraude-inspecteur van Eneco Energie Services B.V., vergezeld van zijn collega de heer [D], het pand bezocht en ter plaatse onderzoek verricht. Vervolgens heeft hij aangifte gedaan van diefstal van energie. In de betreffende aangifte (waarvan de datum niet uit het overgelegde exemplaar is op te maken) heeft [K] onder meer verklaard:

"Bij nadere controle van de elektriciteitsmeter zag ik dat de van fabriekswege aangebrachte verzegelingen aan het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter verbroken en verwijderd waren. Ik zag dat er nu verzegelingen waren aangebracht met aan een zijde de indruk GEB en aan de andere zijde de cijfers 75 dit zijn geen ijk zegels van de fabrikant.

Na het verwijderen van de verzegelingen van het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter wordt het telwerkhuis verwijderd waarna het telwerk op elke willekeurige stand geplaatst wordt.

Deze verzegelingen waren niet aangebracht door medewerkers van ENECO Energie Infra BV omdat op elektriciteitsmeters alleen zegels van de fabrikant aanwezig mogen zijn.

Dit in verband met het feit dat ENECO NetBeheer BV transport verzorgt van de elektriciteit en dus geen invloed mag hebben op de registratie van de gebruikte elektriciteit.

Uit bovenstaande bevindingen bleek dat met het manipuleren van de elektriciteitsmeter er nadeel is ontstaan voor ENECO NetBeheer BV door gemanipuleerd geregistreerd elektriciteitsverbruik.

Ik zag dat er aan de bovenzijde van de groepenkast een drie (3) aderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten.

Deze elektriciteitskabel zat aangesloten op elektriciteitsmeter zodat alle elekriciteit die via deze elektriciteitskabel werd afgenomen gemanipuleerd door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

Bij het volgen van die elektriciteitskabel zag ik dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij gemanipuleerd bemeten van elektriciteit werd voorzien.

Deze elektriciteitsdraden waren destijds bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van ENECO NetBeheer BV niet door personeel van ENECO Energie Infra BV geïnstalleerd.

Waarnemingen hennepkwekerij;

Onderstaande waarnemingen en de inschattingen van de vermoedelijke kweekperiode zijn gebaseerd op het feit dat ik per jaar ongeveer 200 keer bij ontmantelen van hennepkwekerijen betrokken ben, en in samenwerking met politiediensten een goed inzicht heb gekregen in de aanwijzingen welke van invloed zijn op de vermoedelijke kweekperiode.

Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een laag stof zaten, waarop duidt dat deze al een langere tijd aanwezig waren.

Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters waren door het gebruik in de hennepkwekerij zo vervuild op een wijze dat de filter minimaal drie (3) à vier (4) hennepoogsten in werking is geweest.

De koolstoffilter was matig vervuild en dat blijkt uit het feit dat onder de kettingen waaraan deze koolstoffilter was opgehangen geen vervuiling is aangetroffen, dat de vervuiling ter plaatse is ontstaan.

Op de vloer in de hennepkwekerij zag ik afvalbladeren en resten van hennepplanten liggen, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst.

Ik zag dat het zeil dat op de vloer lag voorzien was van een kalkaanslag, tevens zag ik dat de onderkant van de potten voorzien waren van een kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij.

Ook zag ik een grote hoeveelheid vuilniszakken staan, gevuld met restkluiten met afgeknipte stelen en wortels van hennepplanten en ouden aarde.

De aarde van de potten waar de hennepplanten in stonden was vervangen door nieuwe aarde dit wordt meestal gedaan na drie of vier hennepkweken dit is belangrijk voor de groei van de hennepplanten.

Toen ik in het watervat keek, dat dient voor de watertoevoer bestemd voor de hennepkwekerij zag ik dat de zijkant voorzien was van een dikke kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij.

De in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten waren ongeveer 60 dagen oud.

Gelet op bovenstaande bevindingen was deze hennepkwekerij al een geruime periode in het pand aanwezig.

Daarom wordt door ENECO NetBeheer BV een periode van inwerking zijnde hennepkwekerij aangehouden van 270 dagen, te weten de periode vanaf 15 december 2005 tot en met 11 september 2006.

Dit betreft een periode van drie (3) volledige hennepoogst van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 60 dagen."

Op basis van deze waarnemingen heeft Eneco haar schade begroot op een bedrag van € 7.195,88.

Bij brief van 13 september 2006 heeft Eneco Energie Services B.V [appellant] verzocht het genoemde bedrag binnen veertien dagen aan haar te voldoen en meegedeeld dat bij gebreke daarvan gerechtelijke incassomaatregelen zullen worden getroffen en aanspraak zal worden gemaakt op wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Bij brief van 29 september 2006 aan Eneco Energie Services B.V. ontkent [appellant] energie te hebben gestolen. Hij schrijft onder meer:

"In de woning is pas begin juni 2006 een hennepkwekerij opgezet, dit omdat opdat moment mijn studiebeurs is stopgezet en ik in de financiële problemen ben geraakt. De stroom voor de kwekerij is op legale wijze gebruikt, aan de hand van meetapparatuur in de woning kunt u dit gemakkelijk verifiëren. (...)".

[appellant] heeft de betreffende factuur van Eneco Energie Services B.V. niet betaald, waarna Eneco op 1 oktober 2007 tot dagvaarding is overgegaan. Daarbij heeft zij haar vordering beperkt tot € 5.000,- in hoofdsom.

Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, van 23 oktober 2007 is de vordering, onder vermelding dat [appellant] deze heeft erkend, toegewezen.

2. In hoger beroep betwist [appellant] dat door hem, althans door degene waarvoor hij verantwoordelijk is, veranderingen zijn aangebracht aan de bij Eneco in eigendom zijnde elektrische installatie en buiten de telling van de meters om elektriciteit is ontvangen (grief 1). Subsidiair bestrijdt hij dat de illegale afname van elektriciteit heeft plaatsgevonden in de periode van 15 december 2005 tot en met 11 september 2006. Naar zijn mening dient de vordering beperkt te worden tot de periode 1 augustus tot 10 september 2006 (grief 2).

3. Onder nr. 14 van haar memorie van antwoord stelt Eneco dat het niet aangaat dat [appellant] de vordering in hoger beroep inhoudelijk betwist, terwijl hij de vordering in eerste aanleg heeft erkend. Het hof verwerpt dit betoog. De betreffende vermelding in het vonnis waarvan beroep kan, mede gelet op de inhoud van de brief van 29 september 2006 van [appellant] aan Eneco Energie Services B.V. (productie 5 bij inleidende dagvaarding), zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet als de weergave van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Rv. worden aangemerkt. Voorts dient het hoger beroep mede tot herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten.

4. Ter toelichting op zijn eerste grief stelt [appellant] dat uit de door Eneco in het geding gebrachte foto's blijkt dat niet onder, ofwel buiten de meter om is gewerkt, maar boven de meter. Hij biedt aan deze stelling te bewijzen.

Bij memorie van antwoord wijst Eneco erop dat de zegels zijn verbroken en dat er een drie-aderige kabel is bijgeplaatst, die de hennepkwekerij van elektriciteit voorzag. Eneco gaat daarbij niet in op de stelling dat, nu de betreffende kabel aan de bovenzijde van de meter was geplaatst, de ten behoeve van de kwekerij gebruikte stroom (zo begrijpt het hof het betoog van [appellant]) door de meter is geregistreerd. Eneco betoogt dat niet van de betrouwbaarheid van de meterstanden kan worden uitgegaan omdat vergelijking van de stand van de meter op 11 september 2006 met die ten tijde van de laatste factuur, d.d. 8 april 2006, bij een verbruik van 153,6 kWh per dag zou meebrengen dat de kwekerij niet langer dan 66 dagen in werking zou zijn geweest, dit terwijl de aangetroffen omstandigheden wijzen op een eerdere oogst.

5. Nu [appellant] op dit laatste betoog nog niet heeft gereageerd zal het hof hem daartoe in staat stellen. Daarbij zal hij, indien gewenst, ook kunnen reageren op de door Eneco bij memorie van antwoord nog nader aangevoerde stellingen en overgelegde producties. Eneco zal, in haar antwoordakte, op haar beurt dienen in te gaan op de stelling van [appellant] dat uit de plaatsing van de drie-aderige kabel boven de meter volgt dat de stroom door de meter is geregistreerd.

6. In zijn tweede grief stelt [appellant] dat hij op 16 november 2007 door de politierechter te 's-Gravenhage is veroordeeld voor medeplichtigheid aan het drijven van een hennepplantage in verband met het ter beschikking stellen van zijn woning gedurende de periode van 1 augustus tot 10 september 2006. Ook tijdens de comparitie is daarop namens [appellant] een beroep gedaan, waarbij is toegezegd de aantekeningen van de mondelinge behandeling over te leggen. Dat is evenwel niet gebeurd. Bij de door [appellant] te nemen akte zal hij daartoe opnieuw gelegenheid krijgen. Mocht inmiddels een schriftelijke uitspraak voorhanden zijn, dan kan worden volstaan met het overleggen van een kopie daarvan.

7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 30 maart 2010 voor akte aan de zijde van [appellant] tot het doel vermeld in de r.o. 5 en 6;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, M.Y. Bonneur en G.J. Heevel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2010 in aanwezigheid van de griffier.