Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5290

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
105.007.643/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil nota ingenieursbureau; deskundigenbericht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

uitspraak: 23 februari 2010

zaaknummer: 105.007.643/01

zaaknummer rechtbank: 284864

Arrest van de eerste civiele kamer

in de zaak van:

Inbartère Vastgoed B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

appellante,

hierna: Inbartère,

advocaat: mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen:

[naam] B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest in deze zaak van 4 maart 2008. In dit arrest heeft het hof een comparitie van partijen bevolen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. Na deze comparitie heeft Inbartère bij memorie van grieven zes grieven tegen het vonnis aangevoerd, die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten ter zitting van 1 februari 2010 door hun raadslieden doen bepleiten. Tot slot hebben partijen (een kopie van) hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. Het gaat in deze zaak om de vraag, kort weergegeven, of Inbartère twee facturen van [geïntimeerde] dient te betalen wegens door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden ter beoordeling van de staalconstructie en de fundering van een bedrijfsgebouw van Inbartère met het oog op de (terug)plaatsing van vier zware hijskranen in het gebouw.

2. Bij de beoordeling van het geschil zal het hof uitgaan van de door de rechtbank onder het hoofdstuk 'De vaststaande feiten' vastgestelde feiten en van de onder het hoofdstuk 'De beoordeling' in de rechtsoverwegingen 1 en 3 vermelde oordelen. Tegen deze vaststelling van de feiten en oordelen heeft Inbartère geen grieven gericht.

3. In rechtsoverweging 1 heeft de rechtbank de maatstaf weergegeven die zij bij de uitleg respectievelijk beoordeling van de omvang van de opdracht en van de noodzaak van de in rekening gebrachte werkzaamheden, tot uitgangspunt heeft genomen.

4. In rechtsoverweging 3 heeft de rechtbank geoordeeld:

- De opdracht hield in elk geval de beoordeling in of de staalconstructie en de fundering van het gebouw sterk genoeg waren voor plaatsing van vier hijskranen, en zo nodig, welke maatregelen zouden moeten worden genomen ter versterking van deze staalconstructie en fundering. Gelet hierop moet het voor Inbartère duidelijk zijn geweest dat hiervoor berekeningen moesten worden gemaakt, tekeningen moesten worden opgevraagd en beoordeeld, en metingen ter plaatse moesten worden gedaan.

- Inbartère heeft niet betwist dat ook aan [geïntimeerde] is gevraagd om de vergunningaanvraag bij de gemeente te begeleiden en om de contacten met de gemeente te verzorgen. Het is algemeen bekend dat hiervoor gedetailleerde berekeningen en tekeningen nodig zijn.

- Onweersproken is gesteld dat aan [geïntimeerde] eveneens is gevraagd te beoordelen of de fundering sterk genoeg was voor de overige machines die Inbartère in het gebouw zou gaan plaatsen en dat [geïntimeerde] heeft geadviseerd tot een aanpassing voor dit doel. Ook hiervoor waren metingen en berekeningen nodig.

- Onweersproken is verder dat [geïntimeerde] diverse malen ontbrekende gegevens heeft opgevraagd, eerst bij Inbartère en later, wegens het ontbreken van bepaalde stukken, bij de gemeente. Ook hierdoor was het tijdens de uitvoering van de opdracht voor Inbartère kenbaar dat er gedetailleerde werkzaamheden werden verricht.

- Gelet op de diverse bezoeken van de projectleider en zijn medewerkers aan het bedrijf (van Inbartère), waarbij ook steeds met [T] (van Inbartère) is gesproken, is het voor Inbartère kenbaar geweest dat er feitelijk uitvoerig gemeten en gerekend werd.

5. Het hof zal de hierna vermelde bedragen op hele euro's afronden.

beoordeling van de grieven

6. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2 dat het niet schriftelijk vastleggen van de opdracht niet voor rekening en risico van [geïntimeerde] komt, in deze zin dat de visie van Inbartère dan doorslaggevend zou zijn.

In haar toelichting op de grief heeft Inbartère, samengevat, de volgende stellingen betrokken:

(a) Inbartère heeft contact met [geïntimeerde] opgenomen om te bezien of de fundering en staalconstructie van het bedrijfspand van Inbartère (het gebouw) krachtig genoeg waren om hierin vier zware hijskranen te plaatsen. Het ging om een oriënterend gesprek. Hierna is [geïntimeerde] zonder opdracht en overleg met haar werkzaamheden begonnen. Ook heeft [geïntimeerde] vooraf geen offerte opgesteld. In feite heeft [geïntimeerde] misbruik gemaakt van de onwetendheid van Inbartère. Het zonder overleg en opdracht en zonder offerte verrichten van werkzaamheden komt voor risico van [geïntimeerde].

(b) Het verzoek om een oriënterend gesprek kan als een uitnodiging voor het doen van een aanbod door [geïntimeerde] worden gezien. De enkele mededeling van [geïntimeerde] dat zal worden gekeken of de plaatsing van de hijskranen mogelijk was, is niet als een dergelijk aanbod te kwalificeren. Hierin wordt niet naar voren gebracht wat de werkzaamheden inhouden en wat hiervan de kosten zijn. Zonder aanbod in voormelde zin kan van de totstandkoming van een overeenkomst op de voet van artikel 6:217 BW geen sprake zijn. Nu [geïntimeerde] een overeenkomst aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zal zij deze dienen te bewijzen, gelet op de betwisting hiervan door Inbartère.

7. [geïntimeerde] heeft tegen de eerste grief, samengevat, het volgende verweer gevoerd:

a. Inbartère is een professionele marktpartij. Het ontbreken van een schriftelijke vastlegging doet niets aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tussen partijen af. Ook Inbartère had het initiatief tot een schriftelijke vastlegging van de opdracht kunnen nemen om onduidelijkheid hierover achteraf te voorkomen. Dat er opdracht is gegeven, is door Inbartère in eerste aanleg in haar conclusie van antwoord (onder 3) erkend, evenals het aangaan van een overeenkomst (onder 6 slot).

b. De opdracht is door [T], destijds als directeur aan Inbartère verbonden, aan de directeur van [geïntimeerde], [B], verstrekt. [T] en [B] kenden elkaar privé. Tijdens het overleg over de opdracht heeft [T] aan [B] meegedeeld dat er bij de uitvoering van de opdracht haast was geboden. Tussen partijen is een uurtarief van € 55 afgesproken. Voor de opdracht moesten allereerst berekeningen worden opgesteld en tekeningen worden gemaakt voor de plaatsing van vier zware hijskranen in het gebouw. Toen deze plaatsing niet mogelijk bleek, is [geïntimeerde] vervolgens gevraagd om te berekenen of het mogelijk was om drie van de oude lichtere hijskranen (terug) te plaatsen met een nieuwe zwaardere kraan. Bovendien moesten nieuwe berekeningen voor de fundering worden gemaakt, nadat Inbartère nieuwe informatie had verstrekt over de indeling en het gewicht van machines die in de montagehal moesten worden geplaatst.

8. De grief wordt verworpen. Het hiertegen door [geïntimeerde] gevoerde verweer, in het bijzonder onder 7, onderdeel a, is gegrond. Ook uit de verklaringen van de zijde van Inbartère die in eerste aanleg ter comparitie van partijen zijn afgelegd, blijkt dat Inbartère ervan uitgaat dat aan [geïntimeerde] een opdracht is verstrekt, doch dat partijen alleen van mening verschillen over de vraag wat de omvang hiervan is. Weliswaar had van [geïntimeerde] mogen worden verwacht dat zij de opdracht schriftelijk aan Inbartère zou hebben bevestigd, naar in de betrokken branche gebruikelijk is, doch het ontbreken van een schriftelijke vastlegging doet niets af aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tussen partijen.

9. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4 dat Inbartère onvoldoende heeft gesteld dat zij haar bedoeling met de opdracht, dat haar slechts een globale beoordeling voor ogen stond, aan [geïntimeerde] voldoende kenbaar heeft gemaakt. In de vijfde grief komt Inbartère op tegen het impliciete oordeel in deze rechtsoverweging om [T] niet als getuige op te roepen.

In haar toelichting op de grieven heeft Inbartère, samengevat, de volgende standpunten ingenomen:

a. Bij [geïntimeerde] had bekend moeten zijn dat er sprake was van een oriënterend gesprek, nadat Inbartère contact met haar had opgenomen. Op grond hiervan heeft [geïntimeerde] terecht het proces van conceptengineering en van basisengineering uitgevoerd. De laatste fase van het proces, de detailengineering, heeft zij echter ten onrechte uitgevoerd. Het maken van gedetailleerde berekeningen is nooit overeengekomen. Hiertoe is [geïntimeerde] zonder overleg met Inbartère overgegaan. Tussen de verschillende fasen van uitvoering van de opdracht is er vrijwel geen communicatie tussen partijen geweest. De telefonische contacten tussen partijen hadden meestal betrekking op enkele verzoeken van [geïntimeerde] om aanvullende gegevens. [geïntimeerde] heeft Inbartère nooit erop gewezen dat zij reeds tot detailengineering was overgegaan, waarbij uitvoerige detailberekeningen werden gemaakt en onderzoek werd gedaan.

b. Tijdens het overleg tussen partijen is slechts gesproken over de mogelijkheid van het plaatsen van de kranen in het gebouw. Over essentiële punten, zoals de aard en de inhoud van de werkzaamheden, is niet gesproken. Van een overeenkomst is slechts sprake als er overeenstemming is bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Dit is hier niet het geval. [T] kan een en ander als getuige bevestigen.

10. [geïntimeerde] heeft tegen de tweede en vijfde grief, samengevat, het volgende verweer gevoerd:

a. Met betrekking tot deze grieven schiet Inbartère in haar stelplicht tekort. In eerste aanleg heeft Inbartère niet gesteld dat zij destijds aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat haar slechts een beperkte opdracht voor ogen stond. Ook in de memorie van grieven stelt zij nog dat opdracht is gegeven om te bezien of de fundering en de staalconstructie van het gebouw krachtig genoeg waren om hierin vier hijskranen te plaatsen (15) en om te bezien wat (technisch) de mogelijkheden waren om vier hijskranen in de bedrijfshal te plaatsen (16 en 19). Dit is geen opdracht tot een louter globale beoordeling. Zonder gedetailleerde berekeningen en tekeningen is het niet mogelijk om aan deze opdracht te voldoen.

b. In eerste aanleg heeft Inbartère erkend dat er tijdens de uitvoering van de opdracht een aantal malen contact tussen [geïntimeerde] en [T] is geweest en dat [geïntimeerde] gegevens bij Inbartère heeft opgevraagd. Ook de projectleider bij [geïntimeerde], [W], heeft ter comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard dat hij tussentijds geregeld over de voortgang van het project heeft gerapporteerd en vijf of zes keer met [T] in het gebouw is geweest om metingen uit te voeren. Uit deze verzoeken om informatie en metingen ter plaatse had Inbartère kunnen en moeten afleiden dat [geïntimeerde] met 'detailengineering' bezig was. Nooit heeft [T] toen meegedeeld dat de opdracht zich hiertoe niet uitstrekte. Nu als vaststaand moet worden aangenomen dat [T] namens Inbartère de opdracht heeft verstrekt, bestaat er geen aanleiding [T] hierover als getuige te horen.

11. De grieven worden verworpen. Het hiertegen door [geïntimeerde] gevoerde verweer, zoals hiervoor onder 10 is weergegeven, is gegrond. Ook in hoger beroep heeft Inbartère geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat zij aan [geïntimeerde] heeft kenbaar gemaakt dat haar slechts een globale beoordeling voor ogen stond en dat hierin het uitvoeren van (gedetailleerde) metingen en het maken van gedetailleerde berekeningen en tekeningen niet zat begrepen. Voor een nadere bewijsvoering is onder deze omstandigheden geen plaats, mede gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 4 als vaststaand heeft aangenomen.

12. De derde grief is gericht tegen het oordeel in rechtsoverweging 5 dat Inbartère onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gedeclareerde werkzaamheden buitenproportioneel en onredelijk zijn. Volgens Inbartère is dit het geval geweest. Zij heeft tweemaal om een nadere toelichting bij de urenspecificatie gevraagd. [geïntimeerde] heeft echter onvoldoende verklaard hoe zij tot deze specificatie is gekomen. Inbartère stelt voor alsnog een deskundige te benoemen om te beoordelen of de gedeclareerde uren in verhouding tot de verrichten werkzaamheden staan.

13. [geïntimeerde] heeft tegen de derde grief, samengevat, het volgende verweer gevoerd:

[geïntimeerde] heeft bij de factuur van 11 juli 2006 een specificatie van de door haar bestede uren en werkzaamheden gegeven. Verder heeft zij bij brief van 8 augustus 2006 en van 18 september 2006 een nadere toelichting hierop gegeven. Inbartère heeft niet betwist dat de gefactureerde werkzaamheden zijn verricht. Niet duidelijk is wat precies de bezwaren van Inbartère tegen de haar in rekening gebrachte werkzaamheden zijn, dan wel welke werkzaamheden zij betwist. Inbartère heeft in dit opzicht niet aan haar stelplicht voldaan, zodat er voor een bewijsopdracht of deskundigenbericht geen plaats is.

14. De grief stelt de vraag aan de orde of de door [geïntimeerde] bij Inbartère in rekening gebrachte werkzaamheden en uren noodzakelijk zijn geweest ter uitvoering van de opdracht, zoals deze hiervoor onder 4 is weergegeven. Inbartère heeft dit betwist en [geïntimeerde] heeft vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de 265 uur die zij uiteindelijk in haar slotdeclaratie van 19 april 2007 bij Inbartère in rekening heeft gebracht, hiervoor noodzakelijk zijn geweest. Ter beoordeling van de grief heeft het hof behoefte aan de voorlichting van een onpartijdig deskundige. Als tot het oordeel moet worden gekomen dat voormelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, komt vervolgens de vraag aan de orde welk aantal uren voor de uitvoering van de opdracht naar de in de betrokken branche geldende maatstaven als redelijk kan worden aangemerkt.

15. Alvorens tot de benoeming van een deskundige op de voet van artikel 194 Rv over te gaan, stelt het hof partijen in de gelegenheid zich over het aantal en de persoon van de deskundige(n) uit te laten. Het verdient hierbij de voorkeur dat partijen tevoren in goed onderling overleg overeenstemming bereiken over de te benoemen deskundige om achteraf een discussie over zijn onpartijdigheid en deskundigheid te voorkomen.

16. De vierde grief is gericht tegen het oordeel in rechtsoverweging 7 dat de buitengerechtelijke kosten voor rekening van Inbartère dienen te komen. Volgens Inbartère is zij geen incassokosten verschuldigd, nu zij direct haar ongenoegen over de vordering heeft geuit. Bovendien zijn deze kosten minimaal, nu er door [geïntimeerde] slechts twee aanmaningen aan Inbartère zijn verzonden.

17. [geïntimeerde] heeft tegen de vierde grief, samengevat, het volgende verweer gevoerd:

De buitengerechtelijke kosten van € 904 zijn reëel en bestaan uit de kosten van de deurwaarder en uit de correspondentie van [geïntimeerde] met de deurwaarder. Toen duidelijk werd dat Inbartère niet wilde betalen, heeft [geïntimeerde] haar vordering in handen van een deurwaarder gesteld. De deurwaarder heeft op 18 oktober 2006 een sommatie-exploot aan Inbartère betekend. Hierop heeft de (toenmalige) raadsman van Inbartère schriftelijk gereageerd.

18. De grief wordt verworpen. Het hiertegen door [geïntimeerde] gevoerde verweer, zoals hiervoor onder 17 is weergegeven, is gegrond. Ook in hoger beroep heeft Inbartère de door [geïntimeerde] vermelde (buitengerechtelijke) werkzaamheden niet concreet betwist. Terecht heeft de rechtbank daarom (onder 7) geoordeeld dat vaststaat dat [geïntimeerde] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt nadat was gebleken dat Inbartère haar declaratie niet betaalde, en dat het gevorderde bedrag in overeenstemming met de bedragen is die hiervoor gewoonlijk in rekening worden gebracht.

19. De zesde grief is gericht tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] van € 17.344. Volgens Inbartère is er geen sprake van een tot stand gekomen overeenkomst, zodat Inbartère niet is gehouden om het door [geïntimeerde] gefactureerde bedrag te voldoen.

20. Tegenover de zesde grief heeft [geïntimeerde] terecht naar voren gebracht dat de grief zelfstandige betekenis mist, zodat deze geen afzonderlijke bespreking en beoordeling behoeft.

slotsom

21. Voor de verdere beoordeling van de derde grief zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte aan de zijde van Inbartère, waarin zij zich over het aantal en de persoon van een te benoemen deskundige(n) kan uitlaten. Tevens kan zij hierbij een suggestie doen voor de aan de deskundige(n) eventueel nog te stellen vragen, naast de hiervoor onder 14 vermelde kernvragen. Hierop kan [geïntimeerde] vervolgens met een antwoordakte reageren. De overige grieven kunnen niet tot een vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

22. Tot slot geeft het hof partijen in overweging om op louter praktische gronden via onderling overleg hun resterende geschilpunt over het aantal in rekening gebrachte manuren en (daarmee) de hoogte van de facturen alsnog tot een einde te brengen. Partijen voorkomen hiermee verdere (aanzienlijke) kosten, waaronder die van een deskundigenbericht, gelet op de te verwachten duur van een voorzetting van de procedure en de onzekere uitkomst die hieraan (voor beide partijen) inherent is. Het lijkt van wijs beleid getuigen als partijen het verschil tussen hun tot op heden in het kader van een minnelijke regeling ingenomen standpunten van (afgerond) € 10.000 (€ 18.000 minus € 8.000) weten te overbruggen, zo nodig door dit verschil gelijkelijk te delen.

Beslissing

Het gerechtshof:

- verwijst de zaak naar de rol van 11 mei 2010 voor het nemen van een akte door Inbartère;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, M.L. Vierhout en M.A.B. Chao-Duivis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2010 in het bijzijn van de griffier.